Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Loondoorbetaling bij ziekte; re-integratie; passende arbeid. Art. 7:629 en 7:658a BW
De werkneemster is al sinds 2005 arbeidsongeschikt, maar re-integreert wel bij de werkgever in haar eigen functie voor 50%. De werkgever meent dat te weinig vorderingen in het re-integratietraject worden gemaakt, en heeft de re-integratie eenzijdig stopgezet zonder overleg met de bedrijfsarts. De werkgever heeft vervolgens een ontslagvergunningsprocedure gestart. De werkneemster vordert thans wedertewerkstelling in haar passende functie en doorbetaling van het loon. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever door eenzijdig de re-integratie te stoppen zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden. De werkneemster moet weer tewerk worden gesteld in haar passende functie en het loon moet worden betaald. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-371
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever heeft vanwege de slechte bedrijfseconomische omstandigheden voorgesteld dat de werknemer zijn auto van de zaak in moet leveren. De werkgever wil hiervoor financiële compensatie bieden of de werknemer financieel bijstaan zodat deze de auto kan overnemen. De werknemer weigert en stelt dat mediation nodig is. De werkgever start vervolgens een ontbindingsprocedure. In de ontbindingsprocedure stuurt de kantonrechter aan op mediation, hetgeen de werknemer vervolgens weigert. De kantonrechter oordeelt dat de weigering van de werknemer in strijd is met het goed werknemerschap en ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-370
Uitleg sociaal plan conform CAO-norm
De werkneemster is werkzaam geweest op basis van een min-max-contract. Nadat haar arbeidsovereenkomst is geëindigd maakt zij aanspraak op een ontslagvergoeding conform het sociaal plan. De werkneemster meent dat bij het vaststellen van de juiste hoogte van de vergoeding rekening moet worden gehouden met het feit dat zij in de laatste vijf maanden van het dienstverband veel meer heeft gewerkt. De werkgever stelt dat een representatieve referteperiode moet worden genomen, zodat deze vijf maanden buiten beschouwing moeten blijven. De kantonrechter oordeelt dat de uitleg van het begrip ‘representatieve referteperiode’ moet geschieden aan de hand van de CAO-norm. Deze uitleg brengt met zich dat de vordering van de werkneemster moet worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-369
Vordering nakoming CAO Railinfrastructuur door vakbonden
De vakbonden en de werkgever hebben een geschil over de vraag of de situatie dat een werknemer in de avond- of nachturen op de werkplek moet wachten tot werk voorhanden is valt onder het begrip ‘arbeid verrichten’ uit de cao, waardoor de werknemers recht zouden hebben op een extra toeslag. De kantonrechter stelt dat aan de CAO-norm voor uitleg moet worden getoetst en concludeert dat met de regeling is beoogd nadeel de compenseren dat werknemers lijden door niet hun tijd naar eigen inzicht te besteden. Het feit dat zij niet daadwerkelijk arbeid verrichten maar wel beschikbaar zijn, valt daarom onder de reikwijdte van de CAO en dus zal de werkgever de extra toeslagen moeten betalen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-368
Uitleg reikwijdte concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemer is in dienst als inkoper bij de werkgever en heeft met deze werkgever een concurrentiebeding gesloten. De werkgever is gericht op werkzaamheden in de groothandel. In het concurrentiebeding staat dat de werknemer niet bij een bedrijf te gaan werken concurrerend aan dat van de werkgever. De werknemer wil vervolgens in dienst treden bij een bedrijf dat zich met name richt op de detailhandel. De vraag is of hiermee schending van het concurrentiebeding plaatsvindt. De kantonrechter oordeelt dat het verschil tussen het bedienen van de groothandel en het bedienen van de detailhandel zo wezenlijk is dat het in dienst treden bij de nieuwe werkgever geen schending van het concurrentiebeding meebrengt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-366
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is werkzaam op Schiphol wanneer hij wordt verdacht vanwege invoer van cocaïne. In afwachting van de strafrechtelijke procedure wordt de werknemer door de werkgever tewerkgesteld buiten beveiligd gebied. De werknemer is in 2010 onherroepelijk veroordeeld door de Hoge Raad, waarna de werkgever thans ontbinding verzoekt wegens een dringende reden. De werknemer stelt dat hij zijn huidige werkzaamheden kan blijven doen waardoor een gewichtige reden ontbreekt. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever als een goed werkgever heeft gehandeld door de strafrechtelijke procedure af te wachten. Nu vaststaat dat de werknemer in zijn functie strafrechtelijke delicten heeft gepleegd, is sprake van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-367
Beslaglegging voordat kennelijk onredelijk ontslag is uitgesproken. Art. 7:681 BW
De werknemer is door zijn werkgever ontslagen en heeft aangekondigd een kennelijk onredelijk ontslagprocedure te gaan starten. Vooruitlopend op deze procedure wil de werknemer alvast beslagleggen bij de werkgever. De voorzieningenrechter oordeelt dat wanneer nog geen kennelijk onredelijk ontslag is uitgesproken door de kantonrechter in beginsel geen beslaglegging mogelijk is. Slechts wanneer de kans dat de vordering gaat ontstaan heel groot is en er een groot verhaalsrisico bestaat kan eventueel conservatoir beslag op voorhand worden gelegd. In casu is hiervan geen sprake, zodat het verlof tot beslaglegging moet worden afgewezen. Lees hier verder.
JWB Rechtspraak 2010-365
Instemmingsrecht ondernemingsraad bij individuele benoeming politiechef. Art. 27 WOR
De leiding van het politiekorps Amsterdam-Amstelland heeft zonder instemming van de ondernemingsraad een nieuwe politiechef aangesteld. De ondernemingsraad meent dat het besluit tot aanstelling van een nieuwe politiechef een wijziging is van de regeling op het gebied van het aanstellingsbeleid van het politiekorps en daarmee instemmingsplichtig op grond van art. 27 WOR. Het Gerechtshof te Amsterdam oordeelt in navolging van de kantonrechter dat in casu geen sprake is van wijziging van het aanstellingsbeleid, maar dat slechts een individueel besluit is genomen. Dit individuele besluit tot aanstelling van een politiechef valt niet onder de reikwijdte van art. 27 WOR, waardoor het hoger beroep moet worden afgewezen. Lees hier verder.
JWB Rechtspraak 2010-364
Aansprakelijkheid inlener voor arbeidsongeval op grond van onrechtmatige daad wegens schending verzekeringsplicht (Vonk/Van der Hoeven (II)). Art. 6:162 BW en 7:611 BW
Casus: Dit arrest is het vervolg op het arrest Vonk/Van der Hoeven (HR 12 januari 2001, NJ 2001, 253). Ditmaal wordt door de werknemer de inlener aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:162 BW. Het Hof had aansprakelijkheid aangenomen, omdat de inlener zowel zijn zorgplicht had geschonden als had verzuimd een behoorlijke verzekering af te sluiten.
Rechtsvraag: De inlener stelt in cassatie dat de aansprakelijkheid wegens het verzuimen een behoorlijke verzekering af te sluiten niet op art. 6:162 kan worden gebaseerd, omdat de norm van het goed werkgeverschap van art. 7:611 geen equivalent is van de onrechtmatige daad uit art. 6:162 BW.
Beslissing: De Hoge Raad oordeelt echter dat hoewel de norm van het goed werkgeverschap van art. 7:611 niet van toepassing is vanwege het ontbreken van een contractuele relatie tussen de werknemer en de inlener, toch de invulling van de norm – te weten het afsluiten van een behoorlijke verzekering – kan worden toegepast via de weg van art. 6:162 BW. De Hoge Raad verwerpt derhalve het cassatieberoep van de inlener.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-349
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 en 7:611 BW
De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden als psychiater schade opgelopen door geweldpleging van een TBS-patient. De werknemer stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de geleden schade op grond van art. 7:611 BW omdat de werkgever heeft verzuimd een behoorlijke verzekering af te sluiten. Het Hof oordeelt dat de verzekeringsplicht ex art. 7:611 BW verder strekt dan alleen bij verkeersongevallen en concludeert dat de Hoge Raad hierover een uitspraak moet doen. De zaak wordt aangehouden om tegen het tussenvonnis in cassatie te gaan.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-350
Betaling uitkering uit arbeidsongeschiktheidsverzekering na ontbinding van de arbeidsovereenkomst; exclusiviteit ontbindingsvergoeding. Art. 7:685 en 6:74 BW
De vraag is of een werknemer wiens arbeidsovereenkomst reeds is ontbonden nog aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die aan de werkgever is betaald. De kantonrechter beoordeelt de vordering naar maatstaven van de Baijingsleer en komt tot de conclusie dat deze uitkering geen verband houdt met de beëindiging van de dienstbetrekking, waardoor de vordering deels kan worden toegewezen. Deels wordt de vordering ook afgewezen vanwege verjaring.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-361
Uitleg van VUT-regeling in CAO
De werknemer heeft vanaf 1 januari 2000 een arbeidsovereenkomst met de werkgever waarop de CAO voor de Zorgverzekeraars van toepassing is. De VUT-regeling van de CAO is per 1 januari 2000 komen te vervallen, waarna een overgangsregeling van toepassing is. De werknemer beroept zich op die overgangsregeling. De kantonrechter oordeelt dat uitleg van de CAO aan de hand van de CAO-norm meebrengt dat de overgangsregeling alleen van toepassing is op gevallen die voor 1 januari 2000 onder de reikwijdte van de VUT-regeling vielen. Het kan in redelijkheid niet zo zijn dat een werknemer die pas op 1 januari 2000 in dienst is getreden gebruik kan maken van deze overgangsregeling.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-360
Werkgeversaansprakelijkheid; zorgplicht. Art. 7:658 BW
De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade opgelopen toen hij van een triltafel viel terwijl hij aan het bellen was met een mobiele telefoon. Via de mobiele telefoon gaf de werkgever instructies door over het productieproces. De werknemer stelt de werkgever aansprakelijk voor de geleden schade. Het Hof oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden, omdat de werkgever onvoldoende instructies heeft gegeven over het gebruik van de mobiele telefoon in relatie tot het gevaar dat dit met zich bracht in de uitoefening van de werkzaamheden. De werkgever wordt gehouden de schade te vergoeden.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-351
Schorsing non-concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemer heeft bij Vodafone een concurrentiebeding ondertekend, maar wil vervolgens bij concurrent RSE in dienst treden. De werknemer stelt dat de werkzaamheden die hij bij RSE gaat verrichten niet vallen onder het concurrentiebeding en vordert schorsing van het concurrentiebeding. De voorzieningenrechter oordeelt dat hij geen verklaring voor recht kan uitspreken dat de werkzaamheden niet onder de reikwijdte van het concurrentiebeding vallen, omdat een dergelijke verklaring voor recht niet in kort geding kan worden uitgesproken. Wel acht de kantonrechter dat de weigering van Vodafone om mee te werken aan inperking van het concurrentiebeding onbillijk is en oordeelt dat het concurrentiebeding moet worden geschorst.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-363
Geen doorbreking appelverbod bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 lid 11 BW
Casus: De werknemer is deels werkzaam bij de werkgever en deels als zelfstandig ondernemer. Hij oefent in beide functies dezelfde werkzaamheden uit. Wanneer klachten rijzen over het functioneren van de werknemer, besluit de werkgever een ontbindingsverzoek in te dienen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. In cassatie klaagt de werknemer dat de klachten over zijn functioneren en de daaruit voortvloeiende verstoorde arbeidsrelatie niet uit zijn arbeidsovereenkomst voortkomen, maar uit zijn functioneren als zelfstandig ondernemer.
Rechtsvraag: De kantonrechter zou derhalve buiten toepassingsbereik zijn getreden?
Beslissing: De A-G oordeelt dat de kantonrechter niet buiten toepassingsbereik is getreden, omdat gewoon sprake was van een arbeidsovereenkomst. Waaruit de klachten precie3s voortvloeide is niet relevant. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens af op art. 81 RO.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-348