Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Dinsdag 11 mei 2010 - B7-10 924

Hof ’s-Gravenhage 31 juli 2008, BM2991

Werkgeversaansprakelijkheid bij beroepsziekte. Art. 7:658 BW 
   
De werknemer ondervindt vanaf 2001 RSI-klachten, welke steeds erger worden. De werknemer stelt vervolgens de werkgever aansprakelijk. In eerste aanleg krijgt de werknemer 75% van zijn schade vergoed. In hoger beroep oordeelt het Hof dat de werknemer moet bewijzen dat sprake is van causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade. Nu de werknemer met de overgelegde medische rapportages dit verband niet voldoende heeft aangetoond, moet de werknemer een bewijsopdracht worden verstrekt. Volgt aanhouding van de zaak. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2010-257 



Dinsdag 30 maart 2010 - B7-10 844

Rechtbank Haarlem 30 december 2008, BL9650

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW 
   
De werknemer is 63 jaar oud en ruim 33 jaar in dienst van de werkgever wanneer zijn arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen wordt opgezegd. De werkgever biedt een WW-suppletie aan, maar dat vindt de werknemer te weinig en wijst dit af. De werknemer vordert thans een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op grond van het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is. De aangeboden vergoeding van de WW-suppletie wordt echter toereikend geacht als schadevergoeding. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-190 



Maandag 01 februari 2010 - B7-10 724

Rechtbank Middelburg 27 oktober 2008, BK9739

Misbruik flexibele contracten in onderwijs, vermoeden omvang arbeidsomvang. Art. 7:610b BW 
   
Nadat een lerares minder toegekend krijgt dan in het vorige schooljaar vordert zij in kort geding een bevel tot toelating tot haar gebruikelijke werkzaamheden als lerares. Primair beroept zij zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Dit beroept faalt omdat de werknemer haar stelling niet kan staven met haar salarisstroken. Naar het oordeel van de Kantonrechter kan niet worden aangenomen dat de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau heeft bevonden dan de overeengekomen arbeidsduur. Het beroep op art. 7:610b BW faalt. Wel acht de Kantonrechter het aannemelijk dat als de werknemer, zeker gezien haar brede inzetbaarheid, een beroep had gedaan op vermeerdering van werkuren op basis van de Wet Arbeid en Zorg de werkgever dit niet had kunnen weigeren. Na beoordeling van de feiten en omstandigheden oordeelt de Kantonrechter dat de school niet als goed werkgever heeft gehandeld door de lerares minder uren aan te bieden. Omdat de lesroosters al zijn ingevuld, is toelating tot de reguliere uren niet meer mogelijk zodat het loonverschil als schadevergoeding wordt toegekend. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-57  



Dinsdag 27 oktober 2009 - B7-10 532

Rechtbank Utrecht 9 oktober 2009, BJ9950

Eenzijdige wijziging afspraken over ontslagvergoeding. Art. 7:613; 7:611; 6:248 lid 2; 6:258 BW 
   
De werknemer is werkzaam bij ABN Amro. In zijn arbeidsovereenkomst zijn de C&B Regulations van toepassing. In die C&B Regulations is bepaald dat de werknemer bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden een vergoeding krijgt conform de oude kantonrechtersformule met C=1. Na het intreden van de kredietcrisis heeft ABN Amro de C&B Regulations eenzijdig gewijzigd. De vraag is of deze eenzijdige wijziging juridisch houdbaar is. De kantonrechter oordeelt dat de ontslagvergoeding geen arbeidsvoorwaarde is en dat 7:513 derhalve niet van toepassing is. Ook het beroep op vernadering van omstandigheden (6:258 BW) slaagt niet en eveneens is geen sprake van schending van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 BW. De werkgever was dus niet gerechtigd de C&B Regulations eenzijdig te wijzigen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-474



Maandag 17 augustus 2009 - B7-10 386

Rechtbank Den Bosch 11 december 2008, BJ4648

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
   
De werknemer heeft zich bij een overgang van onderneming expliciet en uitdrukkelijk verzet tegen het mee overgaan naar de verkrijger. Na de overgang van onderneming verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu het uitdrukkelijk verzetten tegen het mee overgaan bij de overgang van onderneming ertoe heeft geleid dat geen arbeidsovereenkomst met de verkrijger tot stand is gekomen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-347 



Maandag 17 augustus 2009 - B7-10 385

Rechtbank Groningen 15 oktober 2008, BJ4451

Vaststelling omvang arbeidsduur  
   
De werkgever en de werknemer hebben bij aanvang van de arbeidsovereenkomst geen afspraken gemaakt over het te werken aantal uren. Ook is geen administratie bijgehouden over het aantal gewerkte uren. De werkgever stelt dat het ging om 4 uur per week en de werknemer stelt dat het ging om 28,5 uur per week. De kantonrechter wordt gevraagd aan de hand van getuigenissen het aantal uren te bepalen. De kantonrechter oordeelt dat het nodig is om getuigen te horen en houdt de zaak aan. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-349



Dinsdag 04 augustus 2009 - B7-10 374

Rechtbank Breda 22 juli 2009, BJ3353

Toepassing afspiegelingsbeginsel, uitwisselbare functies bij reorganisatie. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer o.g.v. bedrijfseconomische omstandigheden. De werknemer betoogt dat werkgever bij de reorganisatie het afspiegelingsbeginsel onjuist heeft toegepast. De Kantonrechter oordeelt dat er weliswaar sprake is van twee vennootschappen maar dat dit feitelijk alleen geldt voor salesactiviteiten. Voor het overige zijn alle afdelingen gecentraliseerd. Er is daarom geen sprake van twee in organisatorisch verband opererende zelfstandige eenheden, zodat deze vennootschappen in het kader van het Ontslagbesluit dienen te worden gezien als één bedrijfsvestiging. In zoverre is het afspiegelingsbeginsel juist toegepast. De afdeling Sales Benelux is echter niet bij de reorganisatie betrokken omdat deze afdeling al eerder zou zijn gereorganiseerd. De Kantonrechter oordeelt dat de werkgever bij deze reorganisatie al had moeten voorzien dat op korte termijn meerdere functies zouden komen te vervallen. Door kort na elkaar meerdere reorganisaties door te voeren, heeft de werkgever geen rekening gehouden met de CWI beleidsregels over de uitwisselbaarheid van functies, en is dus het afspiegelingsbeginsel genegeerd en is een onjuist herplaatsingsbeleid gevoerd. Evenwel ontbindt de Kantonrechter de arbeidsovereenkomst omdat een er geen andere passende functie voor werknemer beschikbaar is. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-310



Maandag 20 juli 2009 - B7-10 339

Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2009, BJ0719

Verwerking persoonsgegevens werknemer in financieel incidentenregister rechtmatig 
   
Een oud werknemer van een financiële instelling is door haar voormalig werkgever opgenomen in een incidentenregister. De werknemer stelt dat dit onrechtmatig is. Op basis van feiten en omstandigheden oordeelt het Hof dat de werkgever, onder meer vanwege frauduleuze handelingen, rechtmatig de persoonsgegevens betreffende de werknemer en haar handelingen in het incidentenregister en de daarbij horende verwijzingsregisters heeft opgenomen. Het Hof stelt vast dat de gegevens niet onjuist zijn. Verder valt de verwerking van de persoonsgegevens binnen het welbepaald uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel van de registers, is de registratie, ook in licht van de consequentie dat de werknemer niet langer in de financiële dienstverlening werkzaam kan zijn, proportioneel, terwijl niet gebleken is dat de verwerking anderszins niet rechtmatig is.  Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-282



Vrijdag 12 juni 2009 - B7-10 279

HR 5 juni 2009, BH7850

Ambtenarenrecht; overplaatsing.  Art. 81 RO 
   
Eisers zijn in dienst van de Gemeente getreden als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht. In de onderhavige kortgedingprocedure hebben zij gevorderd dat hun overplaatsing naar de Dienst Werk en Inkomen ongedaan wordt gemaakt en dat hun arbeidsplaatsen bij de Dienst Stadstoezicht behouden blijven. De kantonrechter en het hof hebben geen grond voor de gevorderde voorziening aanwezig geacht. 
   
Rechtsvraag: In cassatie is vooral aan de orde of eisers de status van ambtenaar bezitten, althans rechtspositioneel als ambtenaar dienen te worden behandeld, en of hun overplaatsing met het Ambtenarenreglement Amsterdam en het daarop gebaseerde Besluit spelregels bij reorganisatie en mobiliteit in strijd is. 
Beslissing: De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Lees hier de uitspraak.

Jurisprudentie @ctueel 2009-200 



Dinsdag 02 juni 2009 - B7-10 265

Rechtbank Zwolle 12 november 2008, BI2327

Verhouding inlener – uitzendbureau – uitzendkracht  
   
De werkgever heeft als inlener met het uitzendbureau afgesproken dat een uitzendkracht voor de inlener zal gaan werken in verband met gelijktijdig zwangerschapsverlof van twee werkneemsters. De inlener heeft daarbij aangegeven dat de uitzendkracht minstens een half jaar moest blijven in verband met de te maken inwerkkosten. Na twee maanden krijgt de uitzendkracht een aanbod om ergens anders voor vast in dienst te treden waarop zij graag wil ingaan. De uitzendkracht zegt de arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau op, waarna het uitzendbureau de inlener een andere uitzendkracht stuurt. De inlener weigert hiervan gebruik te maken in verband met de inwerkkosten. De inlener betaalt maar een deel van de nota van het uitzendbureau, waarna het uitzendbureau in rechte het overige deel van de nota vordert. De Rechtbank Zwolle oordeelt dat weliswaar niet gebruikelijk is dat met een uitzendkracht een overeenkomst wordt aangegaan die niet tussentijds kan worden opgezegd, maar dat nu de inlener stelt dat dit was overeengekomen, de inlener in de gelegenheid moet worden gesteld voor deze afspraak bewijs aan te dragen. De zaak wordt daarom aangehouden. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2009-203



Maandag 18 mei 2009 - B7-10 245

Hof ’s Gravenhage 20 december 2008, BI3382

Loonvordering; kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:629; 7:681 BW 
   
De werknemer is arbeidsongeschikt geworden en heeft in het kader van re-integratie passende arbeid verricht, maar is opnieuw uitgevallen wegens ziekte. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de wachttijd opgezegd. De werknemer vordert loondoorbetaling, omdat hij van mening is dat de passende arbeid inmiddels de bedongen arbeid was geworden en dat zijn uitval wegens arbeidsongeschiktheid daarom onder 7:629 BW zou moeten vallen. Het hof wijst deze vordering van de werknemer af, omdat niet is gebleken dat de werknemer zich bereid heeft verklaard deze ‘bedongen arbeid’ te verrichten, hetgeen volgens vaste jurisprudentie (HR 8 november 1985, NJ 1986/309) vereist is. Daarnaast vordert de werknemer een vergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag. Deze vordering wordt door het hof toegewezen, omdat van de zijde van de werkgever te lange tijd niets is ondernomen in het kader van de re-integratie. Het hof kent een vergoeding toe op grond van de k.o.o-formule met een c-factor van 0,5. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-193 



Maandag 18 mei 2009 - B7-10 244

Hof 's-Gravenhage 16 december 2008, BI3561

Pensioen/vut; uitleg overeenkomst; redelijkheid. Art. 3:35 BW 
   
Deelnemer in verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds ontvangt op zijn verzoek een opgave van pensioenaanspraken. Deze opgave vermeldde een twee maal te hoog uitkeringsbedrag. Dat bedrag keerde het fonds twee jaar uit en stelde het daarna naar beneden bij. De deelnemer vordert voortzetting van betaling van het hogere uitkeringsbedrag.
Zowel de kantonrechter als het hof wezen de vordering af. De deelnemer wist, althans had moeten naar het oordeel van het hof moeten weten, dat de opgave in het formulier te hoog was zodat hij aan die opgave geen rechten kon ontlenen. Zijn aanspraken worden naar het oordeel van het hof uitsluitend bepaald door het reglement. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-186 



Maandag 18 mei 2009 - B7-10 243

Rechtbank Utrecht (Amersfoort) 26 november 2008, BI3773

Terugvordering c.q. verrekening studiekosten in strijd met goed werkgeverschap. Art. 7:611 BW, artikel 7:652 BW 
   
In geschil is de vraag of de werkgever op terechte gronden een bedrag op het loon van de werknemer heeft ingehouden. Op zich is het de werkgever toegestaan met de werknemer afspraken te maken over terugbetaling van studiekosten. Deze bevoegdheid is niet onbeperkt. Zij wordt begrensd door de eisen van goed werkgeverschap en de norm van artikel 6:248 BW (RvdW 1983, 122). De Kantonrechter is van oordeel dat inroeping van de betalingsverplichting in casu niet toelaatbaar is omdat de opleiding een verplicht karakter had. Daarnaast moet worden vastgesteld dat het loon slechts gering boven het wettelijk minimumloon lag toen de arbeidsovereenkomst werd vastgesteld en volledige inhouding zou ertoe leiden dat het werkelijke loon tot onder het wettelijk minimumloon daalt. Tenslotte heeft de werkgever het initiatief genomen tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Al met al acht de Kantonrechter de gepleegde inhouding in strijd met de wet en met de eisen van goed werkgeverschap. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-185  



Maandag 18 mei 2009 - B7-10 242

Rechtbank Rotterdam 30 september 2008, BI3611

Verzoek vernietiging concurrentiebeding afgewezen. Art. 7:652 BW 
   
De werknemer vordert in kort geding vernietiging van zijn concurrentiebeding. De Kantonrechter wijst de vordering af ondanks het beroep van de werknemer op het recht van vrije arbeidskeuze ex. artikel 19 lid 3 Grondwet. Dit artikel staat er echter niet aan in de weg dat tussen werkgever en werknemer afspraken worden gemaakt, waarbij een zekere mate van beperking in die vrijheid van arbeidskeuze optreedt, zolang die maatregel proportioneel. Na beoordeling van de feiten komt de Kantonrechter tot het oordeel dat hij vooralsnog niet de verwachting heeft dat een rechter in de bodemprocedure het belang van de werknemer bij vernietiging van het beding laat wijken voor het te beschermen belang van de werkgever bij handhaving van het beding. Lees hier de uitpraak.

JWB Rechtspraak 2009-184



Maandag 27 april 2009 - B7-10 211

Rechtbank Haarlem 19 maart 2008, BI1004

Asbestzaak, schending zorgplicht werkgever. Art. 7:653 BW 
   
De werknemer vordert dat voor recht zal worden verklaard dat de werkgever verwijtbaar tekort is geschoten en daarmee jegens hem schadeplichtig is geworden en gehouden zal zijn materiële en immateriële schadevergoeding te betalen. Ex. artikel 7:658 lid 2 BW is het aan eiser te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Als hij hierin slaagt, is de werkgever voor die schade aansprakelijk, tenzij zij zich ingevolge dezelfde bepaling van aansprakelijkheid kan bevrijden door het daarin bedoelde bewijs te leveren.
Het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan gevaarlijke stoffen en zijn gezondheidsklachten moet worden aangenomen als de werkgever heeft nagelaten maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De werkgever heeft aangevoerd dat concreet en overtuigend bewijs voor fatale blootstelling aan asbest tijdens zijn werk ontbreekt en zij de op haar rustende zorgplicht niet heeft geschonden. De Kantonrechter is van oordeel dat voorshands, behoudens tegenbewijs, de werknemer is geslaagd in het leveren van het op hem rustende bewijs dat hij in de uitoefening van zijn werk bij is blootgesteld aan asbest. De werkgever wordt overeenkomstig haar aanbod tot het tegenbewijs toegelaten. Volgt tussenvonnis. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-148