Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Geldigheid proeftijdbeding; loondoorbetaling tijdens ziekte. Art. 7:652 en art. 7:629 BW
De werknemer werkte als kok-productie en heeft een nieuwe functie gekregen als zelfstandig kok. In zijn nieuwe arbeidsovereenkomst stond een proeftijd. Gedurende de proeftijd wordt de werknemer ontslagen vanwege gebruik van harddrugs. De kantonrechter oordeelt dat het proeftijdbeding niet geldig is, omdat onduidelijk is wat de kenmerkende verschillen zijn tussen de twee functies. Een nieuwe kennismakingsperiode mocht daarom niet. De werkgever hoeft echter het loon niet door te betalen, omdat de werknemer had moeten melden dat hij verslaafd was aan harddrugs bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. De werkgever kan zich terecht beroepen op art. 7:629 lid 3 BW.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-418
Proeftijdontslag in strijd met WGBH/CZ. Art. 7:652 BW; 4 en 9 WGBH/CZ
De arbeidsovereenkomst van de werknemer is met een beroep op het proeftijdbeding beëindigd voor aanvang van de proeftijd omdat de werkgever niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Werknemer beroept zich op de vernietiging van de opzegging wegens strijd met de WGBH/CZ. De kantonrechter oordeelt onder verwijzing naar de rechtspraak (HR 10 november 2000, JAR 2000/249 (Triple P/TAP) en HR 13 januari 1995, NJ 1995, 430, (Codfried/ISS))dat de werkgever onderscheid heeft gemaakt wegens vermeende chronische ziekte. Volgt toewijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-311
Uitleg relatiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemers hebben een relatiebeding ondertekend waarin staat dat geen financiële transacties direct of indirect mogen worden aangaan, middellijk of onmiddellijk, met cliënten die tot de zakenrelaties van de werkgever behoren. De werknemers starten vervolgens een eigen onderneming en stellen niet aan het relatiebeding gebonden te zijn, omdat dit onduidelijk is opgesteld. De kantonrechter oordeelt dat bij uitleg van een relatiebeding de Haviltex-norm moet worden toegepast en wanneer dit niet tot een duidelijke uitleg leidt de subsidiaire regel van uitleg contra proferentem moet worden toegepast. Toepassing van deze regels leidt volgens de kantonrechter tot gedeeltelijke schorsing door beperking in bereik en duur. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-229
Mondeling overeengekomen proeftijd; matiging gefixeerde schadevergoeding. Art. 7:652, 7:667 en 7:680 BW
De werkgever en de werknemer zijn bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een mondelinge proeftijd overeengekomen. Het later op schrift gestelde document is nooit door de werknemer ondertekend. Nadat de werkgever is overgegaan tot ontslag met beroep op de proeftijd, roept de werknemer de nietigheid van het proeftijdbeding in. Zowel de kantonrechter als het Hof menen dat de mondeling overeengekomen proeftijd niet geldig is. Het ontslag is daarom niet terecht. De werknemer kan een beroep doen op de gefixeerde schadevergoeding. Het Hof meent dat de gefixeerde schadevergoeding wel kan worden gematigd conform art. 7:680 lid 5 BW. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-176
Doorstart na faillissement, proeftijdontslag. Art. 7:668a, 7:667, 7:652 en 3:13 BW
De werknemer is na een doorstart na faillissement in dienst getreden bij de doorstarter op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de duur van een jaar en een proeftijd van een maand. In een vaststellingsovereenkomst is bepaald dat art. 7:668a niet van toepassing is, zodat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat. De werknemer wordt vervolgens in de proeftijd ontslagen en stelt zich op het standpunt dat a) sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat slechts bij cao kan worden afgeweken van art. 7:668a lid 1-4, en b) dat sprake is een ongeldig proeftijdontslag. De voorzieningenrechter oordeelt dat art. 7:902 BW bepaalt dat ook van dwingend recht kan worden afgeweken bij een vaststellingsovereenkomst, zodat het eerste punt van de werknemer niet opgaat. Op het tweede punt van de werknemer stelt de voorzieningenrechter de werknemer eveneens in het ongelijk nu de doorstarter niet als opvolgend werkgever kan worden beschouwd, omdat geen enkele banden bestonden tussen de voormalig werkgever en de doorstarter. Er mocht dus een proeftijdbeding worden overeengekomen. Van misbruik van bevoegdheid is eveneens geen sprake. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-610
Proeftijd ontslag schadevergoeding afgewezen geen misbruik van bevoegdheid, toetsing aan 7:611 BW gelijk aan toetsing ex. artikel 3:13 BW. Art. 7:611 BW
De werkgever ontslaat de werknemer aan het eind van de rechtsgeldig overeengekomen proeftijd, omdat hij voor de functie waarin hij was aangesteld niet geschikt was bevonden. De werknemer vordert een schadevergoeding omdat werkgever niet als goed werkgever zou hebben gehandeld. De Kantonrechter wijst de vordering af, omdat er in dit geval geen ruimte is voor een rechterlijke toetsing van het oordeel van de werkgever dat de werknemer niet voldeed. Voor schadeplichtigheid op grond van artikel 7:611 BW is in een geval als dit pas sprake, als de werkgever vanwege de onevenredigheid tussen de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot de uitoefening van de ontslagbevoegdheid had kunnen komen. Deze terughoudende toetsing aan de eisen van het goed werkgeverschap komen overeen met die welke in artikel 3:13 lid 2 BW wordt voorgeschreven ter bepaling of van het daar als derde genoemde geval van misbruik van bevoegdheid sprake. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-528
Proeftijd; schriftelijkheidsvereiste; bepaalde tijd contract. Art. 7:652 en 7:668 BW
De werknemer is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij werkgever A en verrichte in opdracht van werkgever A ook werkzaamheden voor werkgever B. Na afloop van de arbeidsovereenkomst wordt besloten dat de werknemer in dienst treedt bij werkgever B, waarna ook voor een dag in de week werkzaamheden voor werkgever A worden verricht. In de arbeidsovereenkomst met werkgever B wordt een proeftijd opgenomen en in deze proeftijd wordt de werknemer ontslagen. De werknemer beroept zich op (I) stilzwijgende voortzetting van het dienstverband bij werkgever A en (II) op de wederzijdse kennismaking uit het arrest Dingler/Merkelbach bij werkgever B. De kantonrechter oordeelt dat nu een contract is gesloten met werkgever B niet kan worden gesproken van stilzwijgende voortzetting bij werkgever A. Ook het tweede verweer jegens werkgever B gaat niet op, omdat de functie wezenlijk verschilt van de werkzaamheden die de werknemer eerder voor werkgever B heeft uitgevoerd. De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-479
Proeftijd ontslag houdt stand op basis van geldig proeftijdbeding. Art. 7:652 BW
Nadat de werknemer in de proeftijd is ontslagen, vordert zij in kort geding wedertewerkstelling en stelt dat het proeftijdbeding niet geldig is. De Kantonrechter oordeelt dat voor zover de werknemer haar vordering baseert op de stelling dat zij niet schriftelijk akkoord is gegaan met het door de werkgever voorgestelde proeftijdbeding, gaat de Kantonrechter daar vooralsnog aan voorbij. Uit het door de werkgever aan haar voorgelegde concept van de arbeidsovereenkomst kon de werknemer opmaken dat de werkgever uitging van een proeftijd van een maand en dat dit schriftelijk werd vastgelegd. In haar reactie op het concept heeft de werknemer twee punten aan de orde gesteld die niets van doen hadden met dat beding. Ook anderszins is niet gebleken van enig bezwaar tegen de proeftijd, ook niet nadat de werkgever een op de onderdelen ‘functie’ en ‘salaris’ gewijzigd concept had toegezonden. Onder deze omstandigheden moet worden ingeschat dat een beroep op een ontbrekende gebondenheid aan het proeftijdbeding wegens het niet ondertekend hebben van het door werkgever opgestelde arbeidscontract geen stand zal houden. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-406