Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Vordering wedertewerkstelling na degradatie wegens plichtsverzuim. Art. 7:611 BW
De werknemer heeft als stadswacht de taak toezicht te houden op verboden wapenbezit. De werknemer heeft niet ingegrepen toen zijn dochter met een boksbeugel en een ploertendoder op de kamer van de stadswachten binnenkwam. Ook zijn collega’s hebben gezien dat de werknemer niet ingreep. De werkgever heeft hierop besloten de werknemer te degraderen naar een lagere functie. De werknemer vordert wedertewerkstelling in zijn oude functie. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer een voorbeeldfunctie had en dat zijn gebrek aan handelen in het bijzijn van collega’s de degradatie rechtvaardigt. Volgt afwijzing van de vordering.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-415
Onjuiste pensioenopgave; goed werkgeverschap
De pensioenverzekeraar heeft een verkeerd pensioenafschrift gestuurd, waardoor de werknemer dacht recht te hebben op meer pensioen dan hij daadwerkelijk had opgebouwd. Nu blijkt dat een fout is gemaakt in het overzicht, vordert de werknemer alsnog betaling van zijn volledige pensioen conform het foutieve overzicht op grond van het goed werkgeverschap. De kantonrechter oordeelt dat de fout op het overzicht in casu zodanig evident is, dat zelfs een leek als de werknemer had moeten zien dat dit niet klopte. Het goed werkgeverschap brengt daarom niet met zich dat de werkgever alsnog het gehele bedrag van het overzicht moet betalen. Volgt afwijzing van de vordering.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-404
Aansprakelijkheid inlener voor arbeidsongeval op grond van onrechtmatige daad wegens schending verzekeringsplicht (Vonk/Van der Hoeven (II)). Art. 6:162 BW en 7:611 BW
Casus: Dit arrest is het vervolg op het arrest Vonk/Van der Hoeven (HR 12 januari 2001, NJ 2001, 253). Ditmaal wordt door de werknemer de inlener aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:162 BW. Het Hof had aansprakelijkheid aangenomen, omdat de inlener zowel zijn zorgplicht had geschonden als had verzuimd een behoorlijke verzekering af te sluiten.
Rechtsvraag: De inlener stelt in cassatie dat de aansprakelijkheid wegens het verzuimen een behoorlijke verzekering af te sluiten niet op art. 6:162 kan worden gebaseerd, omdat de norm van het goed werkgeverschap van art. 7:611 geen equivalent is van de onrechtmatige daad uit art. 6:162 BW.
Beslissing: De Hoge Raad oordeelt echter dat hoewel de norm van het goed werkgeverschap van art. 7:611 niet van toepassing is vanwege het ontbreken van een contractuele relatie tussen de werknemer en de inlener, toch de invulling van de norm – te weten het afsluiten van een behoorlijke verzekering – kan worden toegepast via de weg van art. 6:162 BW. De Hoge Raad verwerpt derhalve het cassatieberoep van de inlener.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-349
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 en 7:611 BW
De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden als psychiater schade opgelopen door geweldpleging van een TBS-patient. De werknemer stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de geleden schade op grond van art. 7:611 BW omdat de werkgever heeft verzuimd een behoorlijke verzekering af te sluiten. Het Hof oordeelt dat de verzekeringsplicht ex art. 7:611 BW verder strekt dan alleen bij verkeersongevallen en concludeert dat de Hoge Raad hierover een uitspraak moet doen. De zaak wordt aangehouden om tegen het tussenvonnis in cassatie te gaan.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-350
Aanvullende pensioentoezegging moet ook worden betaald bij vervroegde uitdiensttreding. Art. 7:611 BW
De werkgever heeft in de veronderstelling dat de bestaande VUT-regeling zou worden afgeschaft aan de werknemer aanvullende pensioentoezeggingen gedaan. Nu blijkt dat de VUT-regeling toch niet is afgeschaft weigert de werkgever de aanvullende pensioenafspraken na te komen. De kantonrechter oordeelt dat de afspraken tussen de werkgever en de werknemer duidelijk zijn en dat het enkele feit dat de VUT-regeling is blijven bestaan hieraan geen afbreuk doet, nu dat niet in de afspraak is opgenomen. De vordering van de werknemer wordt toegewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-359
Terugvordering kosten beroepsopleiding na ontslagname advocaat-stagiaire in strijd met goed werkgeverschap. Art. 7:611
De werknemer is als advocaat-stagiaire in dienst geweest bij de werkgever, tot zij na twee jaar wegens arbeidsgerelateerde spanningsklachten uitvalt. De werkgever heeft haar tot die tijd met het maximale aantal pro deo-zaken per jaar belast. De werknemer zegt zelf de arbeidsovereenkomst op, waarna de werkgever een beroep doet op het studiekostenbeding. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever gezien zijn houding jegens de werknemer en de belasting van de werknemer vanwege het goed werkgeverschap in redelijkheid geen beroep kan doen op het studiekostenbeding.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-338
Wijziging CAO na invoering zorgverzekeringswet met betrekking tot werkgeversbijdrage aan de ziektekostenverzekering. Art. 7:611 BW
De werkgever heeft conform de toepasselijke CAO een bijdrage moeten leveren aan de ziektekostenverzekering van de werknemers. Na invoering van de Zorgverzekeringswet is een afbouwregeling overeengekomen. Thans vorderen 64 werknemer die met prepensioen zijn gegaan dat de werkgever jegens hen de oude CAO-bepaling nakomt. De kantonrechter oordeelt dat de invoering van de Zorgverzekeringswet meebrengt dat de werkgever in redelijkheid gerechtvaardigd was de afbouwregeling in te voeren. De vordering van de werknemer wordt afgewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-337
Eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Art. 7:611 BW
Nadat het functioneren van de werknemer enige tijd onder de maat is geweest, heeft de werkgever een verbetertraject ingezet. Ook na het verbetertraject blijft de werknemer onvoldoende functioneren. De werkgever biedt de werknemer daarom een andere, lagere functie aan. De werknemer weigert deze functie. Het Hof oordeelt onder verwijzing naar het arrest Stooff/Mammoet dat de werkgever een redelijk voorstel heeft gedaan dat de werknemer in redelijkheid moet aanvaarden. De arbeidsovereenkomst mag derhalve eenzijdig worden gewijzigd.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-333
Eenzijdige functiewijziging; toepassing Stoof/Mammoet. Art. 7:611 BW
De werknemer is door de werkgever bevordert tot de functie assistent supermarktmanager. Deze functie blijkt echter te zwaar voor de werknemer. In het drie maanden durende begeleidings- en evaluatietraject is weinig verbetering zichtbaar. De werkgever doet daarom het voorstel de werknemer terug te plaatsen in een lagere en slechter betaalde functie. De werknemer weigert dit voorstel. De kantonrechter oordeelt onder verwijzing naar het arrest Stoof/Mammoet dat moet worden gekeken of de werkgever een redelijk voorstel heeft gedaan dat de werknemer in redelijkheid moet aanvaarden. Vanwege het begeleidingstraject en het aanhoudend disfunctioneren vindt de kantonrechter dat aan deze vereisten is voldaan. De werkgever mag tot eenzijdige wijziging van de functie overgaan.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-326
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst tijdens ouderschapsverlof. Art. 7:685 en 7:646 BW
De werkneemster heeft zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten en heeft thans recht op ouderschapsverlof, waardoor zij haar werk niet volledig wil hervatten. De werkgever heeft hierop getracht de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar het UWV WERKbedrijf heeft toestemming geweigerd. De werkgever verzoekt daarom ontbinding aan de kantonrechter. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever handelt in strijd met art. 7:646 BW en het goed werkgeverschap. Desondanks ziet de kantonrechter dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat partijen niet meer met elkaar verder kunnen. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden onder toekenning van een vergoeding met C=1,8. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-321
Stilzwijgende wijziging passende arbeid in bedongen arbeid. Art. 7:611, 7:629 en 7:658a BW
De werknemer is in 1976 bij de werkgever in dienst getreden. In 1986 heeft de werknemer een hartinfarct gekregen en is sindsdien passende arbeid gaan verrichten. In 2006 valt de werknemer opnieuw uit in deze passende arbeid. De werknemer stelt zich op het standpunt dat stilzwijgend de passende arbeid is verworden tot de bedongen arbeid en dat hij opnieuw recht heeft op 104 weken loondoorbetaling. Het Hof oordeelt dat de werknemer ruim 20 jaar de passende arbeid heeft verricht zonder dat de werkgever verder het re-integratietraject heeft doorlopen. Zowel de werkgever als de werknemer hadden vrede met de nieuwe werkzaamheden van de werknemer, waardoor stilzwijgend deze arbeid de nieuw bedongen arbeid is geworden. De vordering van de werknemer tot loondoorbetaling wordt toegewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-313
Ongelijke behandeling door extra voorzieningen voor een beperkte groep werknemers. Art. 7:611 BW
De werkneemster heeft in 2008 gebruikt gemaakt van de overbruggingskredietregeling van de werkgever. De werkgever heeft vervolgens met andere werknemer financieel gunstigere afspraken gemaakt. De werkneemster stelt nu dat zij niet is geïnformeerd over andere mogelijkheden en dat daarom sprake is van ongelijke behandeling en daarmee schending van het goed werkgeverschap. De kantonrechter oordeelt dat inderdaad sprake is van ongelijke behandeling door de werkgever, maar dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat de werkgever de informatie over andere regelingen niet uit zichzelf had hoeven verstrekken. Er is daarmee geen sprake van schending van het goed werkgeverschap. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-252
Uitleg bonus- en optieregeling. Art. 7:611 BW
De werknemer heeft bij het aangaan van zijn arbeidsovereenkomst in 2007 afgesproken dat hij een bonus zou krijgen van 15% van zijn jaarinkomen indien hij zijn doelstelling zou halen. Daarnaast heeft de werknemer recht op een optieregeling wanneer hij in 2012 nog in dienst zou zijn. De arbeidsovereenkomst is in 2009 ontbonden en thans vordert de werknemer nakoming van zijn bonusregeling en optieregeling. De kantonrechter oordeelt nu geen doelstellingen zijn vastgesteld, dit de werknemer niet kan worden aangerekend. Nu blijkt dat de werknemer verder goed heeft gefunctioneerd, heeft hij recht op de bonusregeling. Voor de optieregeling geldt dat de werknemer simpelweg niet aan de voorwaarde voldoet van het in dienst zijn in 2012. Deze vordering wordt dus afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-237
Schorsing bij verdenking van fraude. Art. 7:611 en 7:628 BW
De werkgever is in 2001 in dienst getreden bij de werkgever, maar was tevens aandeelhouder van een andere onderneming. Naar aanleiding van een publicatie in de Telegraaf vermoedt de werkgever dat de werknemer in de periode 2004-2006 publiek geld heeft verduisterd en dus fraude heeft gepleegd. De werknemer wordt vanwege deze verdenking op non-actief gesteld. De werknemer betwist de frauduleuze handelingen en vordert wedertewerkstelling. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet aan de CAO-voorwaarden voor non-actiefstelling is voldaan en dat hervatting van de werkzaamheden door de werknemer het onderzoek van de werkgever niet in de weg zou staan. Volgt toewijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-238
Vordering loondoorbetaling. Art. 3:35 BW; 7:611 BW
Vordering tot doorbetaling van loon wordt toegewezen. Werknemer had na onenigheid met collega 's opgezegd. Vaststaat dat werkgever geen onderzoek heeft gedaan of de werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met alle gevolgen wenst. De kantonrechter oordeelt dat onder omstandigheden goed werkgeverschap, althans de beginselen van redelijkheid en billijkheid een beroep van de werkgever op art.3.35 BW in de weg staan, wanneer onvoldoende is komen vast te staan dat werkgever enig relevant nadeel zou ondervinden ingeval de werknemer niet aan de opzegging wordt gehouden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-181