Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De arbeidsovereenkomst met de werknemer is opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen, waarna de werknemer een nieuwe baan heeft gevonden waarin hij EUR 380 minder verdiend. De werknemer vordert daarom van zijn voormalig werkgever een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. Het Hof oordeelt dat nu de werknemer zo snel een nieuwe baan heeft, zijn positie op de arbeidsmarkt blijkbaar niet bijzonder slecht was. Het enkele feit dat hij in zijn nieuwe functie minder verdient, maakt het ontslag niet kennelijk onredelijk. Volgt afwijzing van de vordering van de werknemer.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-376
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 en 7:611 BW
De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden als psychiater schade opgelopen door geweldpleging van een TBS-patient. De werknemer stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de geleden schade op grond van art. 7:611 BW omdat de werkgever heeft verzuimd een behoorlijke verzekering af te sluiten. Het Hof oordeelt dat de verzekeringsplicht ex art. 7:611 BW verder strekt dan alleen bij verkeersongevallen en concludeert dat de Hoge Raad hierover een uitspraak moet doen. De zaak wordt aangehouden om tegen het tussenvonnis in cassatie te gaan.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-350
Werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekte CTE; bewijslastverdeling. Art. 7:658 BW
De werknemer is gedurende zijn werkzaamheden voor de werkgever blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. De werknemer stelt zijn voormalig werkgever aansprakelijk voor de schade en beroept zich op omkering van de bewijslast. Het Hof oordeelt dat voor toepassing van de omkeringsregel blijkens het arrest Unilever/Dikmans is vereist dat de werknemer niet alleen stelt dat hij aan gevaarlijke stoffen is blootgesteld, maar ook dat zijn gezondheidsklachten door de blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Het Hof oordeelt dat de werknemer hierin niet is geslaagd en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-342
Werkgeversaansprakelijkheid bij schade uit een verkeersongeval. Art. 7:611 BW
De werknemer is in 1996 een verkeersongeval overkomen. Thans ligt de vraag voor of de werkgever aansprakelijk kan worden gehouden. Het Hof oordeelt dat de werkgever aansprakelijk is op grond van art. 7:611 BW wanneer hij heeft nagelaten een behoorlijke verzekering af te sluiten voor de werknemer. Omdat het onduidelijk is of een behoorlijke verzekering in 1996 voorhanden was, besluit het hof een deskundige te benoemen die deze vraag moet beantwoorden. Volgt aanhouding van de zaak.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-334
Werkgeversaansprakelijkheid bij burn out. Art. 7:658 BW
De werknemer heeft vanwege de werkzaamheden bij de werkgever een burn out opgelopen. De werkgever is voor deze burn out aansprakelijk gesteld en thans ligt de vraag voor hoe de schade moet worden begroot. De werknemer stelt dat hij zou zijn bevorderd tot financieel directeur wanneer hij niet zou zijn uitgevallen wegens een burn out. De werkgever betwist deze stelling. Het Hof besluit de zaak aan te houden voor nadere bewijslevering.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-322
Ontslag op staande voet. Art. 7:677 en 7:678 BW
De werknemer is werkzaam als medewerker bij een bank. Ondanks dat de procedureregels binnen de bank dit verbieden, heeft de werkneemster privétransacties onder werktijd verricht onder invoering van een vals rijbewijsnummer. Wanneer de werkgever dit opmerkt wordt de werkneemster op staande voet ontslagen. Het Hof oordeelt in navolging van het Hof dat de schending van de interne procedureregels zodanig ernstig is, dat sprake is van een dringende reden als bedoeld in art. 7:678 BW. De procedures rondom kasbeheer zijn bij een bank van wezenlijk belang, daarom kan schending hiervan niet door de werkgever worde getolereerd. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-214
Concurrentiebeding niet strijdig met Mededingingswet. Art. 7:653 BW, artikel 6 Mededingingswet
In eerste aanleg heeft de Kantonrechter in een procedure over schending van een concurrentiebeding overwogen dat de ex-werknemer de overtreding van het concurrentiebeding erkent en dat hij zich door het starten van een concurrerende onderneming door eigen toedoen in zijn huidige positie heeft gemanoeuvreerd. De ex-werknemer moet dan ook gehouden worden aan het concurrentiebeding. In hoger beroep behandelt het Hof eerst grief 6 nu het daarin door de ex-werknemer gedane beroep op artikel 6 Mededingingswet zou leiden tot nietigheid van rechtswege van het concurrentiebeding. De ex-werknemer stelt dat de Kantonrechter niet heeft onderkend dat er in casu sprake is van een startende onderneming en dat het recht op mededinging door het vonnis niet wordt onderkend. Het Hof bekrachtigt het vonnis en overweegt dat een concurrentiebeding een “overeenkomst tussen ondernemingen” kan zijn ex. artikel 6 lid 1 Mw, als de voormalige werknemer zich als zelfstandig ondernemer op de markt is gaan bewegen en het beding betrekking heeft op de periode na het einde van het dienstverband. In dit geval heeft de ex-werknemer zich inderdaad op de markt begeven als zelfstandig ondernemer. Voor toepasselijkheid van art. 6 Mw is onder meer vereist dat de aangevallen afspraken een merkbaar effect hebben op de concurrentie. In dit geval is niet gesteld noch is gebleken dat de marktpositie van partijen voldoende omvangrijk is om een merkbaar effect op de concurrentie te kunnen veroorzaken. Vooralsnog is dus niet aannemelijk dat aan het merkbaarheidsvereiste is voldaan, zodat het beroep op artikel 6 Mw en grief 6 moeten worden verworpen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-2
Psychisch letsel (burn-out) als gevolg van overbelasting. Art. 7:658 BW
In eerste aanleg heeft de Kantonrechter de werknemer die schadevergoeding vordert in staat gesteld te bewijzen feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit kan worden afgeleid dat hij voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid stelselmatig een aanzienlijk aantal uren overwerk verrichtte en daardoor werd overbelast, en feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de omvang van het overwerk en de overbelasting kenbaar was. Uiteindelijk is de vordering afgewezen. Het Hof oordeelt dat de werknemer wel geslaagd is in het leveren van bewijs. Het hof stelt voorts dat de werknemer overbelast is geraakt door het stelselmatig verrichten van een aanzienlijk aantal overuren. Naar het oordeel van het Hof heeft de werkgever in het geheel niet onderbouwd hoe de op haar rustende zorgplicht specifiek ten aanzien van de op de werknemer rustende werkdruk vorm was gegeven. Het gaat immers niet aan de risico’s van een dergelijke min of meer permanente werkdruk geheel bij een werknemer te leggen in die zin dat eerst wanneer deze klachten daarover uit, te reageren. Een deugdelijk beleid op dit punt dient erop gericht te zijn juist te voorkomen dat een werknemer door stelselmatige overbelasting klachten gaat ontwikkelen. De vordering wordt dan ook toegewezen waarbij het schadebedrag nog nader zal worden bepaald. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-581
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is ruim 30 jaar werkzaam voor de werkgever, waarna hij na een periode van meer dan twee jaar arbeidsongeschiktheid wordt opgezegd. De werknemer meent dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, ondanks dat in kort geding is komen vast te staan dat de werkgever voldoende re-integratieverplichtingen in acht heeft genomen. Het hof oordeelt dat het enkele feit dat de werkgever voldoende re-integratieverplichtingen in acht heeft genomen niet meebrengt dat het ontslag niet kennelijk onredelijk kan zijn. De rechter moet toetsen aan alle omstandigheden van het geval. In casu is echter niet gebleken dat deze omstandigheden aanleiding geven te oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-569
Ketenregeling bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Art. 7:668a BW
De werknemer is werkzaam als schilder bij de werkgever. Nadat de werknemer drie contracten voor bepaalde tijd heeft gehad, stelt de werkgever zich op het standpunt dat de laatste arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd. De werknemer stelt dat het laatste contract van rechtswege is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat de cao voor het schildersbedrijf afwijkt van art. 7:668a. Het Hof oordeelt dat nu in de cao is bepaald dat – anders dan in art. 7:668a – reeds de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in casu sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet van rechtswege eindigt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-568
Waardering van aan werknemer gedane toezegging.
De werknemer heeft de werkgevers gedagvaard en daarbij gevorderd, dat zij hoofdelijk veroordeeld zullen worden tot betaling aan hem van een schadevergoeding wegens de door hem gemiste opbrengst uit de participatie in een project. De Kantonrechter heeft een deel van de vordering toegewezen. In hoger beroep rijst wederom de vraag hoe een toezegging gedaan door de werkgever moet worden gewogen. Het Hof is evenals de Kantonrechter van oordeel dat aan de toezegging waarde moet worden gehecht. Het Hof oordeelt dat de werknemer in dit verband terecht heeft gewezen op de handgeschreven aantekening van de werkgever als commentaar op een brief. Een en ander, in onderling verband bezien met de discussie die tussen partijen heeft plaatsgevonden, oordeelt het Hof dat voldoende om rechtens een bindende toezegging als vaststaand aan te nemen van de werkgever. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-563
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is 54 jaar oud en ruim 14 jaar in dienst bij de werkgever als de werkgever besluit de arbeidsovereenkomst met deze werknemer op te zeggen zonder financiële compensatie. De werknemer start vervolgens een kennelijk onredelijk ontslag-procedure. Het Hof oordeelt onder verwijzing naar HR 15 februari 2008 (Wustlich/Chromalloy) dat alle omstandigheden moeten worden meegewogen. De lengte van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en de arbeidsongeschiktheid van de werknemer dragen er mede aan bij dat in casu sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding hanteert het Hof de XYZ-formule. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-541
Psychisch letsel als gevolg van overbelasting, beleid van werkgever nodig ter voorkoming van stelselmatige overbelasting. Art. 7:658 BW
De vordering van de werknemer tot vergoeding van schade ontstaan door arbeidsongeschiktheid wijst de Kantonrechter in eerste aanleg af. De schade waarvan de werknemer vergoeding vordert, betreft psychisch letsel (een burn-out) als gevolg van overbelasting. Het Hof bespreekt de verdeling van bewijslast in dit soort zaken. Ten aanzien van de werkdruk oordeelt het Hof dat de werkgever in het geheel niet heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, hoe de op haar rustende zorgplicht, specifiek ten aanzien van de op de werknemer rustende werkdruk, vorm was gegeven. Het gaat immers niet aan de risico’s van een dergelijke min of meer permanente werkdruk geheel bij een werknemer te leggen zodanig dat pas wanneer deze klachten ontstaan, te reageren. Een deugdelijk beleid op dit punt dient erop gericht te zijn juist te voorkomen dat een werknemer door stelselmatige overbelasting klachten gaat ontwikkelen. Het Hof wijst een tussenarrest zodat de werknemer zich kan uitlaten over het gevorderde schadebedrag. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-505
Gelijke behandeling in pensioenreglement. Art. 7 WGBL
Het pensioenreglement van het ABP is zodanig gewijzigd dat 56-minners de rekening betalen voor een riante overgangsregeling voor 56-plussers. De vereniging Alternatief voor vakbond (AVV) stelt dat sprake is van ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd en daarmee strijd met de WGBL. Het hof oordeelt dat het onderscheid dat door het ABP wordt gemaakt is ingegeven door de verwachting die naar 56-plussers is gewekt dat zij met hun 65e kunnen stoppen met werken. Met de overgangsregeling zijn ook de 56-minners gebaat, omdat zij een hogere opbouw genieten dan voorheen. Er is dus sprake van een noodzakelijke en passende regeling met een legitiem doel. Hiermee wordt geen strijd met de WGBL bewerkstelligd. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-458
Ontslag niet kennelijk onredelijk. Art. 7:681 BW
De Kantonrechter heeft geoordeeld dat de opzegging vanwege bedrijfseconomische omstandigheden niet kennelijk onredelijk is. In hoger beroep bekrachtigt het Hof dit vonnis. Het Hof is van oordeel dat de werknemer zijn stellingen over het ontbreken van een economische noodzaak voor de opzegging en de noodzaak voor een reorganisatie onvoldoende heeft gemotiveerd. De werknemer heeft vervolgens aangevoerd dat de opzegging kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Gezien zijn leeftijd, arbeidsmarktpositie en lange dienstverband. Onder verwijzing naar HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111 oordeelt het Hof dat de gevolgen niet te ernstig zijn onder meer omdat de werknemer een aanbod voor passend werk heeft afgeslagen. De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat de gevolgen van de opzegging te ernstig zijn of dat de opzegging op andere gronden kennelijk onredelijk is. De Kantonrechter heeft derhalve de daarop gegronde vorderingen van de werknemer terecht afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-279