Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Vrijdag 23 juli 2010 - B7-10 1030

HR 9 juli 2010, BL4088

Aansprakelijkheid inlener voor arbeidsongeval op grond van onrechtmatige daad wegens schending verzekeringsplicht (Vonk/Van der Hoeven (II)). Art. 6:162 BW en 7:611 BW
   
Casus: Dit arrest is het vervolg op het arrest Vonk/Van der Hoeven (HR 12 januari 2001, NJ 2001, 253). Ditmaal wordt door de werknemer de inlener aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:162 BW. Het Hof had aansprakelijkheid aangenomen, omdat de inlener zowel zijn zorgplicht had geschonden als had verzuimd een behoorlijke verzekering af te sluiten.  
Rechtsvraag: De inlener stelt in cassatie dat de aansprakelijkheid wegens het verzuimen een behoorlijke verzekering af te sluiten niet op art. 6:162 kan worden gebaseerd, omdat de norm van het goed werkgeverschap van art. 7:611 geen equivalent is van de onrechtmatige daad uit art. 6:162 BW.  
Beslissing: De Hoge Raad oordeelt echter dat hoewel de norm van het goed werkgeverschap van art. 7:611 niet van toepassing is vanwege het ontbreken van een contractuele relatie tussen de werknemer en de inlener, toch de invulling van de norm – te weten het afsluiten van een behoorlijke verzekering – kan worden toegepast via de weg van art. 6:162 BW. De Hoge Raad verwerpt derhalve het cassatieberoep van de inlener.

Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-349 



Woensdag 21 juli 2010 - B7-10 1029

HR 9 juli 2010, BM3976

Geen doorbreking appelverbod bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 lid 11 BW 
    
Casus: De werknemer is deels werkzaam bij de werkgever en deels als zelfstandig ondernemer. Hij oefent in beide functies dezelfde werkzaamheden uit. Wanneer klachten rijzen over het functioneren van de werknemer, besluit de werkgever een ontbindingsverzoek in te dienen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. In cassatie klaagt de werknemer dat de klachten over zijn functioneren en de daaruit voortvloeiende verstoorde arbeidsrelatie niet uit zijn arbeidsovereenkomst voortkomen, maar uit zijn functioneren als zelfstandig ondernemer.  
Rechtsvraag: De kantonrechter zou derhalve buiten toepassingsbereik zijn getreden?  
Beslissing: De A-G oordeelt dat de kantonrechter niet buiten toepassingsbereik is getreden, omdat gewoon sprake was van een arbeidsovereenkomst. Waaruit de klachten precie3s voortvloeide is niet relevant. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens af op art. 81 RO. 

Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-348 



Vrijdag 04 juni 2010 - B7-10 967

HR 21 mei 2010, BL6075

Kennelijk onredelijk ontslag; reorganisatie; sociaal plan; oudere werknemer.  
   
Arbeidsovereenkomst met eiser, een oudere werknemer met lichamelijke beperkingen, werd opgezegd met toestemming van de CWI. Eiser heeft schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen en de schadevergoeding bepaald op een bedrag van € 97.511,40 bruto, verminderd met het op grond van het Sociaal Plan uitgekeerde persoonlijke budget en met de uitgekeerde bedragen uit hoofde van de collectieve resultaatsregeling. In hoger beroep heeft het hof de vorderingen alsnog afgewezen.

Rechtsvraag: Heeft het hof onvoldoende in haar overweging betrokken dat werknemer vanwege lichamelijke beperkingen moeilijk bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt?



Vrijdag 04 juni 2010 - B7-10 966

HR 21 mei 2010, BL6071

Kennelijk onredelijk ontslag; reorganisatie; sociaal plan. Art. 7:681 lid 2 BW; 7:663 BW 
   
Arbeidsovereenkomst met eiser werd opgezegd met toestemming van de CWI. Eiser heeft schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag gevorderd. De kantonrechter heeft verweersters in cassatie hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 134.195,57. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en in principaal appel een van de verweersters in cassatie veroordeeld tot betaling van € 25.000,-- bruto aan eiser.

Rechtsvraag: Heeft werkgever toegezegd dat de arbeidsovereenkomst ongeacht nadien vast te stellen sociale plannen tot de datum waarop, volgens afspraak, de werknemer van de VUT gebruik zou gaan maken, in stand zou worden gelaten?



Vrijdag 04 juni 2010 - B7-10 965

HR 21 mei 2010, BL5217

Externe-reïntegratie; overgangsrecht. Art. 8 lid 1 Wet REA;. 7:658a BW; 7:10 lid 2 Regeling SUWI 
   
Verweerder was in dienst van eiser tot cassatie (Blokker) als bedrijfsleider. Hij is gedurende verschillende perioden arbeidsongeschikt en vervolgens uitgevallen. Daarop is hem een WAO-uitkering toegekend voor de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%. Nadat Blokker tot de conclusie was gekomen dat binnen haar bedrijf voor verweerder geen passende arbeid voorhanden was, heeft zij aan de CWI toestemming verzocht en verkregen om de arbeidsovereenkomst met verweerder op te zeggen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid zonder uitzicht op herstel. Daarna heeft Blokker de arbeidsovereenkomst opgezegd.



Vrijdag 04 juni 2010 - B7-10 964

HR 21 mei 2010, BM0708

Arbeidsongeval; bewijslastverdeling. Art. 7:658 lid 1 BW; 81 RO. 
   
Eiser werkte in dienst van verweerster in de functie van timmerman. Eiser is tijdens het werk een ongeluk overkomen, waarbij hij letsel heeft opgelopen. Eiser probeerde een raam te plaatsen op een hoogte van ongeveer 2,10 meter boven de vloer. Om daar bij te kunnen stond hij op de derde of vierde trede van een trapje. Terwijl hij met flinke kracht het raam in een zogenaamde klang probeerde te duwen, gleed hij van het trapje en stuiterde er langs naar beneden. Op de vloer gleed hij vervolgens weg en viel. Daarop voelde eiser hevige pijn in rug en been. Eiser is sinds het ongeval arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk. Re-integratie bleek niet mogelijk en omscholing heeft niet het gewenste resultaat gehad.



Vrijdag 30 april 2010 - B7-10 911

HR 16 april 2010, BL1532

Ontslag op staande voet; ambtshalve matiging loonvordering 
    
Indien toewijzing van de loonvordering een wanverhouding in het leven roept tussen de periode waarin daadwerkelijk is gewerkt en het tijdvak waarover loon moet worden doorbetaald, kan deze wanverhouding grond opleveren om toewijzing in de gegeven omstandigheden gelet op de gevolgen onaanvaardbaar te achten. De overweging van het Hof dat ongematigde toewijzing van de loonvordering zou leiden tot een lange periode van doorbetaling van loon ten opzichte van de duur van de arbeidsovereenkomst vóór het ontslag op staande voet, houdt niet in dat en waarom hier van een zodanige wanverhouding sprake is. Aldus heeft het Hof ofwel bij zijn oordeel dat toewijzing van de loonvordering om de genoemde reden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden de vereiste mate van terughoudendheid niet betracht, ofwel niet begrijpelijk gemotiveerd waarom de lengte van de periode van doorbetaling van loon tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. (ro 3.8.2)
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof. Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-231



Vrijdag 23 april 2010 - B7-10 897

HR 9 april 2010, BL6072

Kennelijk onredelijk ontslag; vergoeding. Art. 81 RO 
   
Eiser heeft van VWTI een vergoeding gevorderd wegens kennelijk onredelijk ontslag. Het Hof Amsterdam heeft die vordering afgewezen. Naar de kern genomen, is deze afwijzing gegrond op het oordeel dat in overleg met de vakbonden een sociaal plan is ontwikkeld dat eiser aanspraak geeft op een vergoeding. Zo'n plan is, ten aanzien van een werknemer die geen lid is van een vakbond (zoals, naar het Hof aanneemt, eiser) een aanwijzing dat de daarin geboden voorziening toereikend is. Hetgeen eiser ter staving van zijn stellingen dat dit niet het geval is, heeft aangevoerd, acht het Hof
ontoereikend. Daarbij wijst het erop dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser, gezien zijn leeftijd, geen nieuw dienstverband kan krijgen. Gesteld noch gebleken is dat hij de geboden mogelijkheid van herscholing of
begeleiding heeft gezocht. Deze oordelen worden in cassatie niet bestreden. Eiser heeft beroep in cassatie ingesteld dat door VWTI is bestreden. Lees hier de uitspraak.
 

JWB Rechtspraak 2010-220



Vrijdag 19 maart 2010 - B7-10 831

HR 5 maart 2010, BL0010

Oneigenlijk gebruik tankpas; aansprakelijkheid werkgever. Art. 7:661 BW; art. 81 RO. 
   
Verweerder c.s hebben aanvankelijk als uitzendkracht en later krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, gewerkt bij Eureka. De werkzaamheden bestonden onder meer uit het vervoeren van huis naar de
werkplek van de uitzendkrachten van Eureka en het werven van uitzendkrachten voor het bedrijf A. Verweerder 1 en de directeur van Eureka hebben beide een verklaring getekend, luidende: "U bent bij ons in dienst en hierdoor heeft u
een Busje in gebruik. [...] Deze gebruikt u uitsluitend voor het brengen en halen van onze uitzendkrachten." Verweerder 1 en verweerster 2 zijn op staande voet ontslagen wegens door hen gepleegde frauduleuze handelingen met een aan hen ter beschikking gestelde tankpas. Lees hier de uitspraak.

 JWB Rechtspraak 2010-151



Vrijdag 19 maart 2010 - B7-10 830

HR 5 maart 2010, BK8096

Uitleg reglement dat onderdeel uitmaakt van CAO. Art. 79 RO; 447 Wetboek van Koophandel 
   
Het gaat in deze zaak om de uitleg van een Reglement onderdeel van de CAO voor de Handelsvaart en in het bijzonder om de wijze waarop schepelingen volgens dat Reglement moeten worden ingeschaald in het geval dat zij worden geplaatst op een groter schip waar voor dezelfde functie een hogere gage geldt. Lees hier de uitspraak.
 
JWB Rechtspraak 2010-150 



Vrijdag 19 februari 2010 - B7-10 785

HR 12 februari 2010, BK3570

Wijziging arbeidsovereenkomst. Art. 3:37 BW 
   
Eiser c.s. zijn in de functie van buitendienstmedewerker in dienst van CZ (geweest). Een deel van de beloning van de buitendienstmedewerkers werd gevormd door provisie-inkomsten. CZ heeft voor de provisie-inkomsten van de buitendienstmedewerkers een "pensioenverzekering" afgesloten bij de verzekeringsmaatschappij REAAL te Utrecht. CZ heeft aan de buitendienstmedewerkers voorgehouden dat de Reaalregeling niet meer voldeed aan de eisen van de tijd en heeft voorgesteld deze regeling te beëindigen. Bij werkbesprekingen kwam dat aan de orde. Alle verslagen van de werkbesprekingen werden toegezonden aan de buitendienstmedewerkers, onder wie eiser c.s. Bij brief schrijft CZ aan de individuele buitendienstmedewerkers dat het mogelijk is om per 1 januari 1999 de waarde van het Reaal-pensioen over te dragen naar de SBZ-regeling (waarde-overdracht). Bijlage bij die brief is de aanvraag voor de waardeoverdracht. Eisers c.s. hebben deze aanvraag allen voor akkoord ondertekend. Aldus werd het bij Reaal opgebouwde kapitaal aangewend voor de eenmalige inkoop van extra en geïndexeerd ouderdoms- en nabestaandenpensioen via SBZ. Ten tijde van de beëindiging van de Reaalregeling werd ervan uitgegaan dat de provisie-inkomsten niet deel uitmaakten van de in art. 3 van de CAO bedoelde grondslag van de VUT-uitkering, omdat zij een variabel loonbestanddeel vormden. Later werd aangenomen dat het beëindigen van de Reaalregeling mede van invloed kon zijn op de hoogte van de VUT-regeling. Eiser c.s. hebben bij de kantonrechter vorderingen ingesteld strekkende tot het verkrijgen van een vervangende pensioenregeling ter zake van de provisie-inkomsten vanaf 1 januari 1998 gedurende een bepaalde, niet voor alle eisers gelijke, periode, dan wel vervangende schadevergoeding en verhoging van de grondslag van de VUT-uitkeringen van eisers met hun provisie-inkomsten. De kantonrechter heeft twee tussenvonnissen gewezen, die enige voor CZ ongunstige beslissingen bevatten. CZ heeft tegen deze vonnissen met toestemming van de kantonrechter tussentijds hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van eiser c.s. afgewezen. Eiser c.s. hebben cassatieberoep doen instellen. CZ heeft tot verwerping van het principale cassatieberoep geconcludeerd en voorts voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Eiser c.s. hebben tot verwerping van het voorwaardelijke incidentele beroep geconcludeerd.

Rechtsvraag: Is de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarde met betrekking tot een pensioenregeling voor provisie-inkomsten met wederzijdse instemming gewijzigd, in die zin dat de betreffende pensioenregeling is beëindigd? Is ondubbelzinnige instemming van de werknemers met deze wijziging vereist?



Vrijdag 19 februari 2010 - B7-10 784

HR 12 februari 2010, BK4472

Kennelijk onredelijk ontslag; schadevergoeding. Art. 7:681 lid 1 en 7:681 lid 2 BW; 6:97 BW; 3 WGBL 
   
Eiser was in dienst van Breed als meewerkend voorman groen. Het dienstverband was aangegaan voor onbepaalde tijd. Breed heeft na daartoe verkregen positief advies van het Centrum voor Werk en Inkomen de arbeidsovereenkomst met eiser opgezegd. Als ontslaggrond is aangevoerd dat eiser langdurig (langer dan twee jaar) onafgebroken arbeidsongeschikt is. Eiser heeft Breed gedagvaard voor de kantonrechter. De vordering van eiser strekt o.a. tot betaling van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Daarbij heeft hij zowel een beroep gedaan op het feit dat zijn ontslag berust op een valse of voorgewende reden als op het feit dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. De kantonrechter heeft de eerste grondslag verworpen en de tweede aanvaard op grond van de omstandigheid dat Breed op "verwijtbaar onzorgvuldige" wijze de opleiding van eiser heeft beëindigd waardoor een arbeidsconflict is ontstaan. De kantonrechter heeft aan eiser een schadevergoeding toegekend. Het hof heeft op dezelfde grondslag aangenomen dat het ontslag kennelijk onredelijk is, doch de vergoeding vastgesteld op een lager bedrag. Het hof begrootte de schade op grond van het aantal gewogen dienstjaren van eiser, zijn laatstverdiende salaris en een correctiefactor (XYZ formule). Het hof nam als uitgangspunt dat de schadevergoeding in beginsel niet hoger zal zijn dan de verwachte inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

Rechtsvraag: Is onjuist een vaste formule ter bepaling van de schadevergoeding die volledig of in verregaande mate abstraheert van de nadelen die een werknemer door de kennelijk onredelijke opzegging van zijn arbeidsovereenkomst heeft geleden? Getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting om de Z-factor (in de formule X x Y x Z) in beginsel te stellen op 0,5 en daarmee de maximale schadevergoeding vast te leggen? Getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting om de hoogte van de schadevergoeding in beginsel te maximeren op de te verwachten inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd? Is er sprake van verboden leeftijdsonderscheid bij de begroting van de schade door de hoogte van de vergoeding te koppelen aan de lengte van het dienstverband.



Maandag 15 februari 2010 - B7-10 783

HR 5 februari 2010, BK5759

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 81 RO 
   
Eiser tot cassatie vordert een verklaring voor recht dat het door de Gemeente aan eiser verleende ontslag kennelijk onredelijk is en een veroordeling van de Gemeente tot herstel van het dienstverband en tot betaling van het overeengekomen salaris, subsidiair een veroordeling van de Gemeente tot betaling van schadevergoeding. Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het aan hem verleende (onvoorwaardelijk straf)ontslag buitenproportioneel en voorbarig was en dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld, mede gelet op de gevolgen van het ontslag voor eiser. Volgens eiser is zijn belastbaarheid onvoldoende onderzocht en is er geen sprake van plichtsverzuim. De Gemeente heeft de vorderingen bestreden. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Tegen het eindvonnis van de kantonrechter heeft eiser hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Eiser heeft cassatieberoep ingesteld.



Maandag 04 januari 2010 - B7-10 654

HR 18 december 2009, BK1603

Ontslag op staande voet; schending concurrentiebeding. Art. 81 RO 
    
Rechtsvraag: Motiveerde het hof haar oordeel onbegrijpelijk? Beslissing: De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep.  



Maandag 04 januari 2010 - B7-10 653

HR 18 december 2009, BK1612

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Art. 81 RO 
   
Rechtsvraag: Heeft het hof miskend dat het had te beoordelen of de door eiser in de onderhavige procedure gestelde feiten en omstandigheden (al dan niet na bewijslevering voldoende) zijn komen vast te staan, en niet, althans niet
uitsluitend, of dat naar schatting in de verzuimde appelprocedure zo zou zijn geweest? Heeft het hof met zijn oordeel over de vraag of eiser in de appelprocedure zou zijn toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, een onjuiste maatstaf aangelegd ten aanzien van de vraag in welk geval een partij op wie krachtens art. 150 Rv de bewijslast niet rust, kan worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.