Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Vrijdag 06 augustus 2010 - B7-10 1048

Hof Den Haag 20 juli 2010, BN2024

Kwalificatie arbeidsovereenkomst; matiging loonvordering. Art. 7:610 en 7:680a BW 
    
De werkneemster verricht werkzaamheden voor de werkgever en heeft een affectieve relatie met de directeur. De directeur besluit de overeenkomst op te zeggen, waarna de werkneemster stelt een arbeidsovereenkomst te hebben. De werkgever betwist dit, omdat geen sprake is van het element ‘gezag’ en het element ‘loon’. Mocht wel sprake zijn van een arbeidsovereenkomst dan beroept hij zich op het matigingsrecht van art. 7:680a BW. Het Hof oordeelt dat een privérelatie niet aan een gezagsverhouding in de weg staat. Het feit dat de werkgever in de praktijk van zijn gezag geen gebruik maakte doet hieraan niets af. Voorts wordt aan het element loon geacht te zijn voldaan, nu de werkgever maandelijks loonstrookjes verstrekte. Er is dus sprake van een arbeidovereenkomst. Het beroep op matiging wordt verworpen, omdat geen sprake is van een situatie die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 

Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-372



Donderdag 03 juni 2010 - B7-10 959

Rechtbank Den Bosch 29 april 2010, BM4630

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW 
   
De werker verricht werkzaamheden voor de vermeende werkgever. Wanneer de werker arbeidsongeschikt wordt, weigert de vermeende werkgever het loon door te betalen. De werker stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, omdat aan de voorwaarden van art. 7:610 BW is voldaan. De vermeende werkgever stelt dat sprake is van een overeenkomst van opdracht gezien de partijbedoeling. De kantonrechter oordeelt dat weliswaar aan alle vereisten van art. 7:610 BW is voldaan, maar dat uit de getuigenverklaringen blijkt dat de bedoeling van partijen expliciet was om geen arbeidsovereenkomst te sluiten. De vordering wordt dus afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-292  



Woensdag 19 mei 2010 - B7-10 940

Gerechtshof Amsterdam 19 januari 2010, BM3048

Conversie arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Art. 7:667 en 7:668a BW 
   
De werkgever heeft met de werknemer een voorovereenkomst gesloten voor de duur van 12 maanden, maar vervolgens twaalf keer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd laten ondertekenen. De werknemer werd fulltime ingeroosterd. Na twaalf maanden wordt de overeenkomst niet verlengd en beroept de werknemer zich op conversie ex art. 7:668a BW. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat de voorovereenkomst slechts een schijnconstructie was, en dat vanwege de twaalf contracten voor bepaalde tijd de werknemer werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-269



Vrijdag 30 april 2010 - B7-10 910

Rechtbank Dordrecht 15 april 2010, BM1574

Omvang arbeidsovereenkomst; loondoorbetaling bij ziekte. Art. 7:610b en 7:629 BW 
   
De werknemer heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin staat dat zij 16 tot 20 uur per week werkt. De laatste vier maanden voordat de werknemer arbeidsongeschikt raakt, werkt zij echter 40 uur. De werknemer vordert thans doorbetaling van het loon tijdens ziekte met een omvang van 40 uur per week. Daarbij stelt de werknemer dat zij met de werkgever overeen was gekomen dat zij structureel 40 uur per week zou gaan werken. De werkgever betwist deze stelling van de werknemer en stelt dat het ging om een tijdelijke wijziging van het aantal uren. De kantonrechter oordeelt dat nu partijen twisten over de vraag of is afgesproken dat structureel de arbeidsduur zou worden verhoogd, de werknemer als stellende partij moet worden toegelaten tot het leveren van bewijs. Volgt aanhouding van de zaak. Lees hier de uitspraak.
 
JWB Rechtspraak 2010-239



Dinsdag 20 april 2010 - B7-10 888

Rechtbank Den Bosch 7 januari 2010, BM0318

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW 

 

De werker heeft een affectieve relatie gehad met een van de gedaagden en gedurende die periode op de manege van de gedaagde gewerkt tegen een vergoeding van EUR 600 en gratis kost en inwoning. Na de affectieve relatie stelt de werker dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat noch de partijbedoeling noch de feitelijke uitvoering leidt tot het oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bovendien al zou wel sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, dan is de EUR 600 en gratis kost en inwoning voldoende om aan het minimumloon te geraken. Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-221



Donderdag 15 april 2010 - B7-10 885

Gerechtshof Leeuwarden 23 maart 2010, BL9881

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW 
   
De opdrachtnemer verricht als freelancer werkzaamheden voor de opdrachtgever. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht getekend. Wanneer de opdrachtgever het contract beëindigt, stelt de opdrachtnemer dat eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst en vordert loondoorbetaling. Het Hof oordeelt dat aan de hand van het arrest HR 14 november 1997 (Groen/Schoevers) moet worden bepaald of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Gezien de partijbedoeling en de feitelijke uitvoering wordt in casu geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-216 



Donderdag 08 april 2010 - B7-10 871

Gerechtshof Arnhem 15 december 2009, BL9006

Toepasselijk recht op de arbeidsovereenkomst. Art. 6 EVO 
   
De werknemer is in dienst van een Duitse werkgever maar verricht zijn werkzaamheden in Nederland. Er is geen expliciete rechtskeuze gemaakt. De werkgever stelt dat sprake is van een impliciete rechtskeuze voor Duits recht, de werknemer betwist dit. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat geen impliciete rechtskeuze valt af te leiden uit de arbeidsovereenkomst. De werkzaamheden hebben een nauwere verbondenheid met Nederland, daarom moet krachtens art. 6 EVO het Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst worden toegepast. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-204   



Dinsdag 02 maart 2010 - B7-10 800

Rechtbank Zwolle 13 januari 2010, BL3584,

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW 
   
De opdrachtgever heeft de overeenkomst van opdracht met de opdrachtnemer beëindigd, waarna de opdrachtnemer stelt dat eigenlijk sprake was van een arbeidsovereenkomst, zodat de beëindiging vernietigbaar is omdat zonder toestemming van het UWV-WERKbedrijf is opgezegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat naast wat partijen hebben beoogd (een overeenkomst van opdracht) ook moet worden gekeken naar de feitelijke uitvoering. Het feit dat de werknemer van de leaseauto en telefoon gebruik mocht maken, zorgt er in casu echter niet voor dat sprake is van een zodanige gezagsverhouding dat tot een arbeidsovereenkomst moet worden geconcludeerd. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-135



Maandag 01 maart 2010 - B7-10 798

Rechtbank Rotterdam 28 oktober 2009, BL3950

Formeel werkgeverschap. Art. 3:40 BW, artikel 93 BRv 
   
In casu gaat het over een geschil tussen een stichting die optreedt als uitvoerder van het werkgeverschap en een eenmanszaak die van de diensten van deze stichting gebruik maakt. In dat kader zijn tussen de stichting en de eenmanszaak drie overeenkomsten gesloten. Het verweer en daarmee samenhangende vordering in reconventie richten zich tegen twee van die drie overeenkomsten. De Rechtbank oordeelt dat de drie overeenkomsten in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Voorts oordeelt de Rechtbank dat er geen sprake is van nietigheid op grond van artikel 3:40 BW. Evenmin is sprake van dwaling, wanprestatie of onrechtmatige daad. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-133



Vrijdag 19 februari 2010 - B7-10 782

Rechtbank Arnhem 4 februari 2010, BL2822

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW 
   
De werker heeft in het kader van zijn opleiding een Praktijkarbeidsovereenkomst gesloten. Vanwege onvoldoende inzet heeft de ‘werkgever’ de overeenkomst beëindigd. De werker beroept zich op de ontslagbescherming uit boek 7 titel 10. De vraag is of sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:610 BW. De voorzieningenrechter oordeelt dat de naamgeving niet doorslaggevend is. Er moet worden gekeken welk element in de overeenkomst centraal stond, het leerelement of het werkelement. Het Hof oordeelt in casu dat sprake is van overwegend een leerelement, waardoor geen arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW bestaat. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-105



Woensdag 17 februari 2010 - B7-10 772

Rechtbank Rotterdam 9 december 2009, BL1474

Uitleg voorwaarden arbeidsongeschiktheidsverzekering 
   
De werknemer vordert bij vonnis de werkgever te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst ter zake van arbeidsongeschiktheid. Volgens de werknemer is de werkgever tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit deze overeenkomst omdat zij een uitkering weigert. Partijen twisten over de betekenis van diverse artikelen van de polisvoorwaarden. De Rechtbank stelt voorop dat bij de uitleg van een beding in een overeenkomst het aankomt op wat partijen met dat beding hebben beoogd en, als niet van een gemeenschappelijke bedoeling blijkt, wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt. Daarbij moet worden gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de beantwoording van de vraag welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan een beding mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het beding is gesteld, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, is bij de uitleg van dat beding van belang. De verzekeringsvoorwaarden moeten ten opzichte van een niet-professionele verzekerde steeds duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Algemeen gezichtspunt is voorts dat in geval van twijfel over de uitleg van een voorwaarde de voor de verzekerde gunstigste interpretatie prevaleert. Op basis van dit uitgangpunt wijst de Rechtbank de vordering af. Lees hier de uitspraak

JWB Rechtspraak 2010-113



Donderdag 11 februari 2010 - B7-10 754

Rechtbank Haarlem 13 januari 2010, BL0825

Rechtsvermoeden omvang arbeidsovereenkomst, feitelijke invulling van oproepcontract is maatgevend voor kwalificatie contract. Art. 7:610a, artikel 7:610b BW 
   
De werknemer is in 2008 met de werkgever een oproepcontract, een ‘nul-uren’contract, aangegaan. Ingevolge het oproepcontract is de oproepkracht, zo vaak en zo lang hij na oproep van de werkgever werkzaamheden verricht, werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur. De werknemer is vanwege een knieoperatie uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Hij vordert in dit kort geding doorbetaling van loon tijdens ziekte. Volgens de werknemer is sprake van een vaste aanstelling, waarop de rechtsvermoedens van de artikelen 7:610a en b BW van toepassing zijn. Volgens de werkgever is met de arbeidsongeschiktheid van de werknemer van rechtswege een einde gekomen aan de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur en komt de werknemer vanaf dat moment geen loon meer toe. De Kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat de tussen partijen tot stand gekomen schriftelijke overeenkomst wordt aangeduid als oproepcontract, niet voldoende is om het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW te weerleggen. Gelet op de feitelijke invulling van het contract, is vooralsnog aannemelijk dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat tussen partijen een reguliere arbeidsovereenkomst van kracht is, waarop de rechtsvermoedens van de artikelen 7:610a en 610 b BW van toepassing zijn. De loonvordering wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-91



Maandag 01 februari 2010 - B7-10 724

Rechtbank Middelburg 27 oktober 2008, BK9739

Misbruik flexibele contracten in onderwijs, vermoeden omvang arbeidsomvang. Art. 7:610b BW 
   
Nadat een lerares minder toegekend krijgt dan in het vorige schooljaar vordert zij in kort geding een bevel tot toelating tot haar gebruikelijke werkzaamheden als lerares. Primair beroept zij zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Dit beroept faalt omdat de werknemer haar stelling niet kan staven met haar salarisstroken. Naar het oordeel van de Kantonrechter kan niet worden aangenomen dat de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau heeft bevonden dan de overeengekomen arbeidsduur. Het beroep op art. 7:610b BW faalt. Wel acht de Kantonrechter het aannemelijk dat als de werknemer, zeker gezien haar brede inzetbaarheid, een beroep had gedaan op vermeerdering van werkuren op basis van de Wet Arbeid en Zorg de werkgever dit niet had kunnen weigeren. Na beoordeling van de feiten en omstandigheden oordeelt de Kantonrechter dat de school niet als goed werkgever heeft gehandeld door de lerares minder uren aan te bieden. Omdat de lesroosters al zijn ingevuld, is toelating tot de reguliere uren niet meer mogelijk zodat het loonverschil als schadevergoeding wordt toegekend. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-57  



Dinsdag 26 januari 2010 - B7-10 713

Gerechtshof Amsterdam 1 september 2009, BK1674

Nevenactiviteiten. Art. 6:162 BW 
   
De werknemer heeft gedurende zijn arbeidsovereenkomst met de werkgever onrechtmatig nevenactiviteiten verricht, waardoor (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan. Als reactie hierop heeft de werkgever de werknemer geschorst en daarnaast bij wijze van maatregel verklaard niet bereid te zijn voor de duur van twee jaar zakelijke contacten met de werknemer of diens onderneming te onderhouden. De werknemer vordert intrekking of beperking van deze maatregel. Het Hof oordeelt dat de werkgever niet onrechtmatig heeft gehandeld door de betreffende maatregel op te leggen, nu de werkgever terechte twijfels heeft over de integriteit van de werknemer. Volgt afwijzing van de vordering van de werknemer. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2010-40



Woensdag 06 januari 2010 - B7-10 678

Rechtbank Leeuwarden 9 december 2009, BK7541

Kwalificatie arbeidsovereenkomst; concurrentiebeding. Art. 7:610 en 7:653 BW 
   
De werknemer geeft eerst een franchiseovereenkomst gehad met de werkgever, alvorens partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Onderdeel van die overeenkomst was dat de werkgever zich zou inspannen om de schulden van de werknemer weg te werken. Het is de werkgever niet gelukt de schulden van de werknemer weg te werken en dus beroept de werknemer zich op vernietiging van de arbeidsovereenkomst en stelt nog steeds op basis van een franchiseovereenkomst werkzaam te zijn, waardoor hij niet is gebonden aan het concurrentiebeding. De voorzieningenrechter oordeelt dat in het contract slechts een inspanningsverplichting stond voor de werkgever en dat niet is aangetoond dat de werkgever hierin is tekortgeschoten. De arbeidsovereenkomst blijft derhalve bestaan en de werknemer is gehouden het concurrentiebeding na te leven. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-17