Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Spoedeisend belang loonvordering.
De werknemer is door de werkgever in april 2008 op non-actief gesteld. De werkgever heeft vervolgens geen loon meer betaald en heeft in juli 2008 de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer heeft zich bij het ontslag op staande voet neergelegd, maar vordert begin 2009 in kort geding doorbetaling van het loon in de periode april-juli 2008. De werknemer wordt in het gelijkgesteld door de voorzieningenrechter. De werkgever gaat in hoger beroep vanwege het gebrek aan spoedeisend belang, waardoor de voorzieningenrechter niet absoluut bevoegd zou zijn. Het Hof oordeelt dat in de aard van de procedure reeds het spoedeisend belang ligt besloten. Het feit dat de werknemer lang heeft gewacht met de vordering doet hieraan niet af.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-425
Toepasselijkheid normeringsregel uit CAO Beroepsgoederenvervoer.
De werknemer is werkzaam in de transportsector en krijgt betaald op basis van werkelijk gewerkte uren op basis van zijn urenregistratie. De werkgever heeft echter de mogelijkheid deze uren te corrigeren op basis van de tachograafschijf. De werknemer vordert niet uitbetaalde uren waarop hij wel recht zou hebben conform de CAO, nu de correcties van de werkgever feitelijk neerkomen op betaling conform een normeringsregeling, waarvoor krachtens de CAO toestemming van de werknemer voor nodig is. De werkgever stelt dat hij zijn bevoegdheid niet te buiten is getreden. De kantonrechter oordeelt dat de feitelijke hantering van de correctiebevoegdheid door de werkgever neerkomt op betaling conform een normeringsregeling. Hiermee wordt de toepasselijke CAO geschonden. Volgt toewijzing van de vordering van de werknemer.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-427
Loonvordering na ontslag op staande voet. Art. 628, 7:677 en 7:678 BW
De werknemer is werkzaam bij een autogarage. Hij helpt een van zijn leidinggevenden die onder de naam van de werkgever voor zichzelf wat bijklust. Wanneer de werkgever hierachter komt, wordt de werknemer op staande voet ontslagen. Het Hof oordeelt dat de werknemer weliswaar niet helemaal netjes heeft gehandeld, maar dat hij de opdrachten van zijn leidinggevende uitvoerde en dat hij zelf geen voordeel had van zijn handelingen. Bovendien paste de handelingen binnen de bedrijfscultuur. Het was niet aan de werknemer om aan de nieuwe eigenaar melding te maken van deze bedrijfscultuur. Nu het ontslag op staande voet waarschijnlijk geen stand houdt, wordt de loonvordering toegewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-355
Relatiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemer is uit dienst getreden bij de werkgever en bij een andere werkgever gaan werken. De werknemer vordert achterstallig loon van zijn ex-werkgever, terwijl de ex-werkgever zich beroept op schending van het relatiebeding en verrekent het loon met de contractuele boete die hierop staat. Het Hof oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de nieuwe werkgever van de werknemer een relatie is, zodat geen sprake is van schending van het relatiebeding. De werknemer heeft derhalve wel recht op het achterstallige loon.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-353
Loonvordering na ontslag op staande voet. Art. 7:628, 7:677 en 7:678 BW
De werknemer is werkzaam bij een autogarage. Wanneer blijkt dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden klusjes uitvoert waarvan hij de opbrengst in eigen zak steekt, ontslaat de werkgever de werknemer op staande voet. De werknemer vecht het ontslag op staande voet aan en stelt een loonvordering in. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat de werknemer door voor eigen gewin te handelen onder de noemer van de werkgever zodanige het vertrouwen is geschaad, dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Volgt afwijzing van de vordering.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-356
Belang bij appel tegen loonvordering na ontslag op staande voet wanneer werknemer gebruik maakt van de ‘switch’. Art. 7:628, 7:677 en 7:678 BW
De werknemer is op staande voet ontslagen en stelt vervolgens een loonvordering in. Deze loonvordering wordt in kort geding in eerste aanleg toegewezen. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, waarna de werkgever in hoger beroep gaat tegen het kort geding vonnis. De werknemer heeft zich inmiddels echter beroepen op de ‘switch’ en vordert gefixeerde schadevergoeding. De vraag is of de werkgever voldoende belang heeft bij het hoger beroep tegen de loonvordering, nu de werknemer heeft afgezien van het beroep op de uitspraak. Het Hof oordeelt dat de werkgever wel degelijk een belang heeft, nu de proceskostenveroordeling overeind is gebleven uit het kort geding vonnis. Het Hof stelt de werkgever vervolgens in het gelijk en vernietigt het vonnis van de kantonrechter.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-352
Geen sprake van eenzijdige ontslagname door werknemer; loonvordering. Art. 7:628 BW
De werknemer is op vrijdag 8 mei om 11 uur naar huis gegaan en afgesproken is dat hij op maandag 11 mei weer zou komen werken. Wanneer de werknemer vervolgens niet komt opdagen stelt de werkgever een eindafrekening op en gaat er vanuit dat de werknemer eenzijdig ontslag heeft genomen. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een ondubbelzinnige verklaring van de werknemer dat hij ontslag zou hebben genomen. Nu de werkgever dit niet heeft geverifieerd bij de werknemer is geen sprake van een eenzijdige ontslagname. De loonvordering wordt toegewezen vanaf de dag dat de werknemer zich weer bereid verklaarde de bedongen arbeid te verrichten. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-253
Loonvordering na schending re-integratie; ontbreken deskundigenverklaring. Art. 7:629 en 7:660a BW
De werknemer heeft gedurende zijn arbeidsongeschiktheid zijn re-integratieverplichtingen niet nagekomen. Na twee jaar meldt hij zich weer op de werkplek, waarna de werkgever hem wegzendt. De werknemer stelt dat zijn aanbod tot het verrichten van werk meebrengt dat hij weer recht heeft op loon. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer voordat hij zijn vordering instelde een second opinion in de zin van art. 7:660a aan te vragen bij het UWV. Nu de werknemer dit niet heeft gedaan, is het enkel beschikbaar stellen voor het verrichten van passende arbeid onvoldoende om de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever aan te nemen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-255
Uitleg van bonusregeling
De werknemer heeft in zijn arbeidsovereenkomst een bonusregeling, waarbij op het moment van vertrek wordt gekeken naar zijn handelsresultaat. Wanneer dat negatief is, wordt zijn bonus gekort. De werknemer wordt vanaf 18 december 2006 vrijgesteld van werkzaamheden en in januari eindigt de arbeidsovereenkomst. De werkgever meent dat de peildatum voor het vaststellen van de bonus is de dag van feitelijk vertrek, terwijl de werknemer meent de dag van formele beëindiging. In januari wordt het handelsresultaat weer op 0 gezet, hetgeen voor de werknemer gunstiger zou zijn. Het hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat een redelijke uitleg meebrengt dat moet worden gekeken naar de formele datum van beëindiging. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-200
Naheffing loonbelasting verhalen op werknemer. Art. 27 Wet LB 1964
De werknemer heeft tijdens zijn dienstverband deelgenomen aan verschillende optieregelingen waarover de werkgever geen loonbelasting heeft betaald. De werkgever heeft van de belastingdienst een naheffingsaanslag gehad en wil deze nu verhalen op de werknemer. Het Hof oordeelt dat de werkgever conform art. 27 Wet LB 1964 het voorgeschoten bedrag aan loonbelasting op de werknemer mag verhalen. Het beroep van de werknemer op verjaring faalt, nu de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-206
Opschorting van loon wegens het niet hebben van een voor de functie vereist rijbewijs. Art. 7:628 BW
De werknemer is als chauffeur in dienst bij de werkgever. Vanaf 2006 heeft hij een verblijfsvergunning, op basis waarvan hij een Nederlands rijbewijs en een chauffeursdiploma moet halen. Wanneer blijkt dat de werknemer niet over de diploma’s beschikt wordt de werknemer op non-actief gesteld en wordt het loon opgeschort. De werknemer vordert thans het loon. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat nu de werknemer niet over de voor de functie vereiste papieren beschikt, dit in zijn risicosfeer valt. De werkgever is daarom gerechtigd het loon op te schorten tot de werknemer over de vereiste papieren beschikt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-203
Vordering loondoorbetaling. Art. 3:35 BW; 7:611 BW
Vordering tot doorbetaling van loon wordt toegewezen. Werknemer had na onenigheid met collega 's opgezegd. Vaststaat dat werkgever geen onderzoek heeft gedaan of de werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met alle gevolgen wenst. De kantonrechter oordeelt dat onder omstandigheden goed werkgeverschap, althans de beginselen van redelijkheid en billijkheid een beroep van de werkgever op art.3.35 BW in de weg staan, wanneer onvoldoende is komen vast te staan dat werkgever enig relevant nadeel zou ondervinden ingeval de werknemer niet aan de opzegging wordt gehouden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-181
Terugvordering loon en vakantie-uren. Art. 7:628 en 7:641 BW
De werknemer heeft een gemiddeld urencontract van 33 uren per week. De werkgever stelt dat de werknemer in een jaar te weinig heeft gewerkt en vordert een deel van het uitbetaalde loon terug. Daarnaast wordt de waarde van teveel genoten vakantiedagen gevorderd. De kantonrechter oordeelt dat het de werkgever is die het rooster samenstelt, waarmee het te weinig werken van de werknemer in de risicosfeer van de werkgever komt te liggen. Er kan dus geen teveel betaald loon worden teruggevorderd. Daarnaast kunnen ook teveel opgenomen vakantie-uren niet worden teruggevorderd, omdat art. 7:641 lid 1 geen reflexwerking heeft, aldus de kantonrechter. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-189
Loonvordering op grond van CAO na beëindiging dienstverband. Art. 7:900 BW, 3 Wet AVV
De werknemer vordert na afloop van zijn dienstverband, waarbij een finale kwijtingclausule is opgenomen alsnog achterstallig loon op grond van een algemeen verbindend verklaarde CAO. De werkgever beroept zich op de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen finale kwijting. De kantonrechter meent dat de werkgever zich niet op de finale kwijting kan beroepen, nu het erop lijkt dat deze clausule onder dwang tot stand is gekomen. De vordering van de werknemer moet worden toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-186
Uitleg reglement dat onderdeel uitmaakt van CAO. Art. 79 RO; 447 Wetboek van Koophandel
Het gaat in deze zaak om de uitleg van een Reglement onderdeel van de CAO voor de Handelsvaart en in het bijzonder om de wijze waarop schepelingen volgens dat Reglement moeten worden ingeschaald in het geval dat zij worden geplaatst op een groter schip waar voor dezelfde functie een hogere gage geldt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-150