Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Maandag 04 januari 2010 - B7-10 653

HR 18 december 2009, BK1612

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Art. 81 RO 
   
Rechtsvraag: Heeft het hof miskend dat het had te beoordelen of de door eiser in de onderhavige procedure gestelde feiten en omstandigheden (al dan niet na bewijslevering voldoende) zijn komen vast te staan, en niet, althans niet
uitsluitend, of dat naar schatting in de verzuimde appelprocedure zo zou zijn geweest? Heeft het hof met zijn oordeel over de vraag of eiser in de appelprocedure zou zijn toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, een onjuiste maatstaf aangelegd ten aanzien van de vraag in welk geval een partij op wie krachtens art. 150 Rv de bewijslast niet rust, kan worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.



Donderdag 31 december 2009 - B7-10 668

Gerechtshof Leeuwarden 15 december 2009, BK6808

Aanneming van werk, bepaling redelijk loon. Art. 7:752 BW 
   
Tussen partijen is een aannemingsovereenkomst gesloten waarbij de opdrachtgever aan het bouwbedrijf opdracht heeft gegeven om op regiebasis een woning met loods te bouwen. Meteen na de oplevering ontstaat tussen partijen discussie over het antwoord op de vraag of het bouwbedrijf te veel in rekening had gebracht. Het Hof overweegt dat als zoals in casu geen bepaalde prijs is overeengekomen, de opdrachtgever dan een redelijke prijs verschuldigd is. Ingeval van een overeenkomst die onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het vaststellen van een redelijke prijs, kunnen in een procedure geen hoge eisen gesteld worden aan de stelplicht van de opdrachtnemer omtrent het redelijke loon en aan de motivering door de rechter van zijn oordeel daaromtrent. De rechter zal in het algemeen kunnen volstaan met te vermelden welke omstandigheden hij naar aanleiding van het debat tussen partijen in aanmerking heeft genomen en hoe hij met inachtneming van die omstandigheden tot de bepaling van het redelijke loon is gekomen (HR 19 december 2008, RvdW 2009,82). Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-595



Vrijdag 27 november 2009 - B7-10 589

HR 20 november 2009, BJ8840

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?; klokkenluider. Art. 81 RO; 7:611 BW; 6:162 BW 
   
Eiser was in loondienst bij verweerster 1, die deel uitmaakt van verweerster 2-groep, als hoofd van de financiële administratie en boekhouding. Eiser tekende, vijftien jaar later, een overeenkomst met verweerster die diende ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst met verweerster 1. In die overeenkomst staat dat eiser met verweerster 3 een overeenkomst met een looptijd van drie jaar aangaat en dat die overeenkomst tot doel heeft eiser in staat te stellen werkzaamheden te verrichten voor door de directie van verweerster 3 aan te wijzen ondernemingen. De intentie van zowel eiser en verweerster 3, zo staat in de beëindigingovereenkomst, is dat zij de tussen hen tot stand te komen overeenkomst vervangen door een overeenkomst tussen verweerster 3 en een door eiser op te richten management bv.
Eiser heeft verweerder c.s. gedagvaard voor de kantonrechter en o.a. gevorderd de beëindigingovereenkomst te vernietigen wegens de aanwezigheid bij de totstandkoming van die overeenkomst van een wilsgebrek, bestaande uit misbruik van omstandigheden, danwel wegens de aanwezigheid bij eiser van een geestelijke stoornis ex art. 3:34 BW en te verklaren voor recht dat verweerder c.s. heeft gehandeld in strijd met art. 7:611 BW. Verweerder c.s. hebben de vordering bestreden. De kantonrechter heeft de vorderingen voor het merendeel afgewezen. Tegen het vonnis heeft eiser hoger beroep ingesteld. Bij arrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het hof overweegt ondermeer dat voor de vraag of tussen verweerster 3 en eiser een arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, van belang is hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus inhoud hebben gegeven aan hetgeen overeengekomen, in welk verband mede tot uitgangspunt moet worden genomen dat voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst, niet één enkel kenmerk beslissend is maar dat de verschillende rechtsgevolgen die eiser en verweerster 3 aan hun respectieve verhoudingen hebben verbonden, in hun onderling verband moeten worden bezien, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden. Het hof stelt vast dat de overeenkomst tussen eiser en verweerster 3 niet als een arbeidsovereenkomst, maar als overeenkomst van opdracht, heeft te gelden. Tegen het arrest van het hof heeft eiser beroep in cassatie ingesteld. Verweerder c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Rechtsvraag: Gaf het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is haar oordeel onbegrijpelijk?
Beslissing: De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de  rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Lees hier de uitspraak.

Jurisprudentie @ctueel 2009-446 



Donderdag 05 november 2009 - B7-10 542

Rechtbank Utrecht 23 september 2009, BK0996

Beëindiging overeenkomst van opdracht. Art. 7:400 BW 
   
In deze zaak wordt een tussenvonnis gewezen in een procedure waarin een overeenkomst van opdracht centraal staat. De eisende thuiszorgmedewerker vordert betaling van haar facturen. Deze vordering wordt toegewezen omdat de Thuiszorginstelling de vordering erkent. In reconventie vordert laatstgenoemde partij schadevergoeding vanwege het overtreden van een concurrentiebeding dan wel vanwege onrechtmatig handelen. De Rechtbank formuleert een bewijsopdracht voor de zorginstelling. Zij dient zich uit te laten over de wijze waarop zij haar vordering gaat bewijzen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-478



RSS Feed