Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Vordering tot vergoeding van overwerk; verjaring; onrechtmatige concurrentie. Art. 3:307, 3:308 en 6:162 BW
De arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is op 1 maart 2009 beëindigd. De werknemer is hierna voor zichzelf begonnen. De werknemer vordert thans uitbetaling van overuren over de periode 2001-2007. De werkgever vordert in reconventie een vergoeding voor onrechtmatige concurrentie. De kantonrechter oordeelt dat de vordering van de werknemer voor een deel is verjaard, omdat langer dan 5 jaar is gewacht met het instellen van de vordering. Voor het overige deel stelt de kantonrechter dat sprake is van rechtsverwerking. De loonvordering wordt dus afgewezen. Ook de vordering van de werkgever in reconventie wordt afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de werknemer onrechtmatig zou hebben gehandeld. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-219
All-in salaris, vakantiedagen, loonvordering. Art. 7:640 en 7:645 BW; 7 lid 2 Richtlijn 2003/88
De werknemer is in zijn arbeidsovereenkomst een all-in uurloon van 55 euro overeengekomen, waarin tevens een vergoeding voor vakantiedagen was opgenomen. Na de beëindiging van het dienstverband vordert de werknemer vergoeding van niet-genoten vakantiedagen. De werkgever stelt zich op het standpunt dat de vakantiedagen bij het loon inbegrepen zaten. De kantonrechter oordeelt dat art. 7:640 jo. 7:645 BW bepalen dat niet van het minimumaantal vakantiedagen kan worden afgeweken, omdat sprake is van dwingend recht. Ook art. 7 lid 2 van EG Richtlijn 2003/88 zegt dit met zoveel woorden. De werknemer heeft aldus nog recht op uitbetaling van het minimumaantal vakantiedagen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-608
Vermoeden omvang arbeidsduur, loonbetaling bij ziekte. Art. 7:610b BW, artikel 7:629 BW
De werknemer die structureel overwerkte, wordt ziek en ontvangt van zijn werkgever nog slechts zijn basisloon uitbetaald. Hij spreekt zijn werkgever aan tot doorbetaling van de gemiddelde overwerkvergoeding. De Kantonrechter wijst die vordering af omdat de toepasselijke CAO die de bovenwettelijke aanvulling op de loondoorbetaling bij ziekte regelt, daarvoor geen steun biedt en het beroep op artikel 7:629 BW moet worden verworpen. Dit om reden dat de werknemer - vóór hij ziek werd - een ander, lichter takenpakket had geaccepteerd. Hij zou daarom, als hij niet ziek was geworden, niet meer hebben hoeven overwerken. Aan de werknemer komt geen beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW toe. Volgt afwijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-529
Geldelijke vergoeding roostervrije uren/ATV-dagen
Eiser 1 en eiser 2 zijn beiden in dienst geweest bij verweerster. Eiser 1 als vertegenwoordiger; eiser 2 was werkzaam in de winkel. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Slijterijen van toepassing (hierna: de CAO). Eisers hebben tijdens hun dienstbetrekking geen roostervrije uren, ook wel aangeduid als ATV-dagen, genoten. Zij vorderen, voorzover in cassatie van belang, in deze procedure een geldelijke vergoeding daarvoor. Het hof heeft, na een tussenarrest, geoordeeld dat noch uit de wet noch uit de CAO een recht op zo'n vergoeding volgt. Tegen de arresten van het hof hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. Rechtsvraag: Volgt uit de wet of de CAO een recht op vergoeding van roostervrije uren/ATV-dagen?
Beslissing: ATV-regelingen zijn in het algemeen in het leven zijn geroepen om het verlies van arbeidsplaatsen tegen te gaan en nieuwe arbeidsplaatsen te creëren (HR 6 feb. 1998, LJN ZC2572, NJ 1998, 351). Het oordeel van het hof
dat dit ook de strekking is van de onderhavige ATV-regeling, is in cassatie niet bestreden. Het voorgaande brengt mee, overweegt de Hoge Raad, dat de onderhavige regeling niet, zoals de vakantieregeling, ten doel heeft de werknemer in verband met de werkbelasting die op hem drukt, betaald verlof te verschaffen. De in de wet opgenomen bepalingen betreffende vakantiedagen zijn derhalve op de onderhavige ATV-regeling niet van toepassing, ook niet naar analogie.
Voor het antwoord op de vraag of de werknemer op wie zo'n ATV-regeling van toepassing is, aanspraak kan maken op een geldelijke vergoeding voor niet genoten ATV-dagen, is derhalve in beginsel bepalend wat partijen te dien aanzien zijn overeengekomen, dan wel wat te dien aanzien is bepaald in een op hun arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst. Uit de in de CAO opgenomen regeling volgt dat de werknemer geen aanspraak heeft op een geldelijke vergoeding voor niet genoten roostervrije uren/ATV-dagen. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-441
Uitbetaling overuren. Art. 7:635 BW
De werknemer van wie de arbeidsovereenkomst reeds is ontbonden vordert uitbetaling van zijn overuren. De werkgever stelt dat geen overuren verschuldigd zijn, omdat de werknemer feitelijk werkzaam was in een leidinggevende functie, voor welke geen overwerkvergoeding hoeft te worden uitbetaald conform de CAO. Volgens de kantonrechter was de werknemer feitelijk werkzaam als leidinggevende. Dat in zijn arbeidsovereenkomst een andere functie was overeengekomen doet hieraan niet af. Bovendien ontving de werknemer twee keer zoveel loon als bij zijn functie hoorde, waardoor hij moest begrijpen dat hierin de overwerkuren waren verrekend. De vordering van de werknemer wordt derhalve afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-434
Opname verlofuren. Art. 7:638 BW
De werkneemster heeft door de jaren heen een groot aantal verlofuren opgebouwd. Thans wil zij die uren achtereen opnemen, waardoor zij een lange periode vrijaf heeft. De werkgever verzet zich hiertegen en wil dat de werkneemster de uren gespreid opneemt. De kantonrechter oordeelt dat art. 7:638 BW als uitgangspunt hanteert dat de verlofuren moeten worden opgenomen in overeenstemming met de wensen van de werkneemster, tenzij er een gewichtige reden is om dit te weigeren. De werkgever heeft geen gewichtige redenen aangedragen, dus zullen de verlofdagen moeten worden vastgesteld conform de wens van de werkneemster. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-357
Uitleg vaststellingsovereenkomst aan de hand van Haviltex. Art. 7:685 BW
Werkgever en werknemer hebben ter beëindiging van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn overeengekomen dat werknemer afstand zou doen van zijn bestaand tegoed aan 'verlofdagen'. In deze procedure zijn partijen verdeeld over de vraag of in die 'verlofdagen' eveneens begrepen zaten de aanspraak van werknemer op tijdspaarfondsdagen zoals opgenomen in de toepasselijke CAO voor de Bouwnijverheid. De Kantonrechter oordeelt aan de hand van de "Haviltex"-formule dat in de door werknemer gedane afstand van zijn tegoed aan 'verlofdagen' geen tijdspaarfondsdagen geacht kunnen worden begrepen te zijn geweest. Zijn vordering wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-165
Stopzetten extra toeslag in strijd met goed werkgeverschap. Art. 7:611 BW
De werknemer heeft gedurende zes achtereenvolgende jaren telkenmale een toeslag gekregen voor extra verrichte werkzaamheden. De werkgever houdt in het zevende jaar op met het betalen van deze toeslag, waarna de werknemer een verklaring voor recht vordert dat de werkgever gehouden is de extra toeslag te continueren. De kantonrechter oordeelt dat het plotseling stopzetten van de toeslag door de werkgever in strijd is met het goed werkgeverschap. Dit betekent echter niet dat de werkgever hiermee tot in lengte van dagen hoeft door te gaan. De verklaring voor recht wordt dus afgewezen. In een overweging ten overvloede geeft de kantonrechter aan dat wanneer een gedeeltelijke toekenning van de toeslag zou zijn betaald, wel conform de eisen van het goed werkgeverschap zou zijn gehandeld. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-155
Verlofregeling. Artikel 81 RO
Verweerder is (ex-)voorzitter van het College van Bestuur (CvB) van een door (een rechtsvoorganger van) de Stichting (eiseres tot cassatie) in stand gehouden hogeschool. Het geschil tussen partijen gaat hoofdzakelijk over de uitleg van een 'wijzigingsovereenkomst' in verband met (aanzienlijke) uitkeringen inzake verlofregelingen, waarbij verweerder uitbetaling van de resterende zgn. verlofdagen claimt, en de Stichting terugbetaling van reeds uitbetaalde verlofdagen verlangt. Zowel de rechtbank als het hof hebben verweerder merendeels in het gelijk gesteld.
Beslissing: De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-115