Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Uitleg concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werkgever en de werknemer zijn een concurrentiebeding overeengekomen waarin is opgenomen dat de werknemer niet in dienst mag treden bij een andere onderneming in heiwerk, waaronder begrepen funderingswerkzaamheden en bijbehorende laswerkzaamheden. De werknemer stelt dat hij overal in dienst mag treden, behalve bij een onderneming in heiwerk. De werkgever stelt dat het concurrentiebeding ruimer moet worden uitgelegd, namelijk ook ondernemingen in funderingswerkzaamheden en laswerkzaamheden. De voorzieningenrechter oordeelt met een beroep op de contra proferentem-regel dat onduidelijkheden in de interpretatie van het concurrentiebeding voor rekening van de werkgever komen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-387
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkneemster is werkzaam bij een asielzoekerscentrum en heeft aldaar een intieme relatie met een van de asielzoekers gekregen. De werkneemster heeft haar relatie direct kenbaar gemaakt aan haar direct leidinggevende. Na zeven maanden heeft de werkgever geoordeeld dat de intieme relatie met de asielzoeker reden is voor ontslag en verzoekt ontbinding van de arbeidovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster door tijdig haar relatie te melden niet in strijd heeft gehandeld met de gedragscode. Dat de werkgever eerst zeven maanden gedoogd en vervolgens pas actie onderneemt, maakt dat geen goede grond voor ontbinding is aan te wijzen. Volgt afwijzing van het verzoek.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-380
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer. De werkgever stelt alles in het kader van re-integratie te hebben gedaan. De werknemer meent dat de werkgever zich te weinig heeft ingespannen, zowel in het eerste als in het tweede spoor. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, en dat van de werkgever in het kader van re-integratie meer mag worden verwacht, zowel in het eerste als het tweede spoor, zodat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-278
Werkgeversaansprakelijkheid; zorgplicht. Art. 7:658 BW
De werkneemster is werkzaam als docente bij de werkgever. Tijdens de pauze krijgt zij als pleinwacht een voetbal tegen haar hoofd, waardoor zij schade oploop. De werkneemster stelt de werkgever aansprakelijk voor de schade, nu zij als enige pleinwacht voor 120 kinderen stond ingeroosterd, waardoor zij geen adequaat toezicht kon houden op het (verboden) voetballen op het plein. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever inderdaad zijn zorgplicht heeft geschonden. De norm is een pleinwacht per 20 kinderen, dus kond e werkneemster als enige pleinwacht geen adequaat toezicht houden op 120 kinderen. De werkgever wordt aansprakelijk gesteld voor de schade, nader op te maken bij staat. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-276
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
Nadat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer eerder had ontbonden onder toekenning van een vergoeding van EUR 20.000 aan de werknemer heeft de werkgever zijn verzoek ingetrokken. Sindsdien is het conflict verergerd en nu verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer arbeidsongeschikt is en de werkgever te weinig aan re-integratie heeft gedaan sinds de vorige ontbindingsbeschikking. De arbeidsovereenkomst wordt nu ontbonden onder toekenning van een vergoeding van EUR 27.500. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-223
Loondoorbetaling bij ziekte. Art. 7:629 en 7:629a BW
De werkgever heeft het loon van de werkneemster opgeschort vanwege het feit dat de werkneemster haar re-integratieverplichtingen niet zo nakomen. De werknemer vordert thans loondoorbetaling en legt daarbij een second opinion van het UWV over. De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster weliswaar een second opinion heeft overgelegd voor wat betreft haar arbeidsongeschiktheid, maar niet voor wat betreft het voldoen aan haar re-integratieverplichtingen. De vordering van de werkneemster moet daarom worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-222
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever beweert dat de werknemer, die als chauffeur werkzaam is, fraude heeft gepleegd door het onjuist registreren van het aantal gewerkte uren en verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat uit de discrepantie tussen de tijden van de tachograafschijf en de dagstaten van de werknemer niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de werknemer heeft gefraudeerd. De arbeidsovereenkomst wordt echter wel ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie onder toekenning van een vergoeding van EUR 20.000. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-224
Recht op toetreding vakbond tot onderhandeling over nieuwe cao.
De vakbond NVLT vertegenwoordigt engineers in de luchtvaartbranche. Werkgever CHC heeft NVLT niet toegelaten tot de cao-onderhandelingen, omdat al met drie andere bonden wordt onderhandeld. NVLT vordert in kort geding toelating tot de onderhandelingen. De voorzieningenrechter oordeelt dat NVLT de engineers vertegenwoordigt, welke als aparte beroepsgroep moeten worden aangemerkt. NVLT vertegenwoordigt ruim 700 van de 2000 engineers en is daarmee representatief. NVLT moet als representatieve vakbond worden toegelaten tot de onderhandelingen conform HR 8 juni 2007, NJ 2007, 464. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-153
Ontbindingsverzoek werknemer toegewezen nadat werkgever een ontslagvergunning heeft verkregen. Art. 7:685 BW
De Kantonrechter wijst een ontbindingsverzoek van de werknemer toe. Zij had de ontbinding verzocht nadat de werkgever een ontslagvergunning had verkregen. De Kantonrechter beantwoordt eerst de vraag of de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden billijkheidshalve behoort te eindigen op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd. Pas als dat het geval is, komt de Kantonrechter toe aan de vraag of een vergoeding aan de werknemer moet worden toegekend. Die vergoeding zal dan betrekking hebben op de periode gelegen tussen de ontbindingsdatum en de datum waartegen is opgezegd. Voor een vergoeding die betrekking heeft op de periode vóór de ontbindingsdatum en ná de datum waartegen is opgezegd, is in deze procedure geen plaats. Daarvoor zal de werknemer de weg van artikel 7:681 BW moeten bewandelen. Nu vaststaat dat de werknemer per 1 februari 2010 een nieuwe baan heeft gevonden, dient de arbeidsovereenkomst op die grond billijkheidshalve eerder te eindigen dan de datum waartegen is opgezegd. De ontbinding zal daarom worden toegewezen per 1 februari 2010. Over de vergoeding overweegt de Kantonrechter dat de werknemer een nieuwe tijdelijke baan heeft gevonden voor ruim € 300,00 bruto minder salaris per maand. Anderzijds spaart de werkgever in ieder geval twee maandsalarissen uit, die zij aanvankelijk gehouden was aan de werknemer te betalen. Onder deze omstandigheden dient de werknemer in relatie tot de werkgever geen negatieve gevolgen te ondervinden van het feit dat zij twee maanden voor het einde van haar dienstverband een nieuwe baan heeft geaccepteerd onder voor haar minder gunstige arbeidsvoorwaarden. De vergoeding wordt vastgesteld op € 3.000,00. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-143
Ontslag kennelijk onredelijk ondanks slechte financiële situatie werkgever omdat werkgever geen voorziening voor de werknemer heeft getroffen. Art. 7:681 BW
De werknemer vordert een verklaring voor recht dat het haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. De werknemer stelt hiertoe, dat de opzegging kennelijk onredelijk is, gezien de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. De Kantonrechter is van oordeel dat de noodzaak voor de werkgever om tot opzegging over te gaan, gezien de financiële resultaten, evident is. De vraag is daarom, of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, waarbij de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden in aanmerking genomen moeten worden. Behalve het aanbieden van een vergoeding ad € 2.028,-- heeft de werkgever geen noemenswaardige voorzieningen getroffen. Dat aanbod is echter vervallen. Nu verder aannemelijk is dat de positie voor de werknemer op de arbeidsmarkt niet rooskleurig is, leidt dat tot het oordeel dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Dat de werknemer langer loon heeft ontvangen dan in het geval een regeling was getroffen, maakt dat niet anders. Zij heeft in die periode immers ook gewerkt. Volgt toewijzing van de vordering. De vergoeding wordt afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer en vastgesteld op € 2.028,00. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-142
Loonvordering wegens feitelijk andere functie afgewezen
De werkneemster is als kapster werkzaam in een kapsalon. Zij meent echter dat zij feitelijk de werkzaamheden verricht die krachtens de CAO onder de functie van bedrijfsleider vallen. De werkneemster vordert daarom een extra toeslag krachtens de CAO. De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster weliswaar ten dele de werkzaamheden verrichtte die onder de functie van bedrijfsleider vallen, maar dat de werkneemster niet de uitvoering en toezicht op (I) naleving van de hygiene- en milieumaatregelen, (II) het opmaken van de kas en (III) het opmaken van de computeruitdraaien die voor de rapportage werden gebruikt. Omdat de werkneemster niet alle taken uitvoert die de bedrijfsleider krachtens de cao behoort te doen, wordt de vordering van de werkneemster afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-23
Vordering achterstallige zorgverzekeringspremie
De verzekeringsmaatschappij heeft een vordering ingesteld wegens het niet betalen van de basiszorgverzekeringspremie. In de dagvaarding was de vordering door de verzekeringsmaatschappij nauwelijks toegelicht, maar in repliek heeft de verzekeringsmaatschappij haar vordering meer onderbouwd. De verzekerde heeft echter slechts formele verweren gevoerd en is niet inhoudelijk op de vordering ingegaan. De kantonrechter kent de vordering daarom toe vanwege het niet voeren van inhoudelijk verweer. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-24
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever heeft zonder instemming van het personeel een nieuw beleid gevoerd met betrekking tot het onderwerpen van werknemers aan urinetests en een strenger alcohol en drugsbeleid. Voor de werknemers die hiermee niet akkoord zijn gegaan dient de werkgever thans een ontbindingsverzoek in wegens schending van het goed werknemerschap. De kantonrechter oordeelt dat nu de werkgever heeft verzuimd het nieuwe beleid eerst aan de OR voor te leggen, het niet in strijd is met het goed werknemerschap dat de werknemers weigerden akkoord te gaan met het nieuwe beleid. Het ontbindingsverzoek moet daarom worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-25
Ongedaanmaking nieuw beleid werkgever wegens schending instemmingsrecht OR. Art. 27 WOR
De werkgever heeft zonder instemming van het personeel een nieuw beleid gevoerd met betrekking tot het onderwerpen van werknemers aan urinetests en een strenger alcohol en drugsbeleid. De werknemers die hiermee niet akkoord zijn gegaan, zijn gedegradeerd en/of geschorst. In kort geding vorderen de werknemers ongedaanmaking van de sancties wegens schending van art. 27 WOR. De voorzieningenrechter oordeelt dat de werkgever – ondanks dat ruim 600 werknemers werkzaam zijn – geen OR heeft ingesteld. De werkgever heeft art. 27 WOR geschonden en daarom moeten de gevolgen van het ten onrechte gevoerde beleid worden teruggedraaid. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-22
Kennelijk onredelijke opzegging. Art. 7:681 BW
De werknemer is uitgevallen vanwege een burn-out. Na drie jaar arbeidsongeschiktheid zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst rechtmatig op. De werknemer start een kennelijk onredelijk ontslag-procedure, zowel tegen zijn laatste werkgever als tegen diens voorganger, nu er gedurende de periode van ziekte een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. Het hof oordeelt dat nu de werkgever zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden, de werknemer een lang dienstverband heeft en de kansen op de arbeidsmarkt voor de werknemer (60jr) klein zijn, sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Nu sprake is geweest van een overgang van onderneming in de periode van arbeidsongeschiktheid, waarin de re-integratieverplichtingen zijn geschonden, zijn zowel de oude als de nieuwe werkgever hoofdelijk verbonden voor de nakoming van deze verplichting. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-411