Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemer is met de werkgever een concurrentiebeding overeengekomen, maar vordert thans vernietiging van het concurrentiebeding, omdat hij bij een concurrent in dienst wil treden. De kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is overeengekomen, dat geen sprake is van onbillijke benadeling van de werknemer op grond waarvan het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk moet worden vernietigd, maar dat de werkgever ook geen belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Op grond hiervan matigt de kantonrechter het concurrentiebeding in zoverre het de werknemer belemmert bij de nieuwe werkgever in dienst te treden.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-429
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer heeft geweigerd haar werkplek te verplaatsen van een eigen kamer naar een bureau op de afdeling waar de werknemers waaraan zij leiding geeft. De werkgever verzoekt vanwege deze weigerachtige houding van de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever haar wensen voldoende gecommuniceerd en heeft de werknemer zich te weinig flexibel opgesteld. De verhouding is daardoor zodanig verstoord geraakt dat ontbinding op korte termijn noodzakelijk is, maar wel onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-403
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art.7:685 BW
De werkgever stelt dat zijn financiële situatie zodanig slecht is dat hij moet reorganiseren, daarom wordt een ontbindingsverzoek voor de werknemer ingediend. De werknemer stelt dat hij volgens de selectiecriteria van het UWV niet degene zou moeten zijn die moet worden ontslagen, waarop de werkgever zegt dat de werknemer tevens disfunctioneert. De kantonrechter stelt dat het disfunctioneren niet is gebleken en dat de werkgever niet zelf kan selecteren welke werknemers hij wil ontslaan, maar gebonden is aan de UWV Beleidsregels. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-402
Werknemersaansprakelijkheid; verrekening met vakantiedagen. Art. 7:661 en 7:625 BW
De werknemer heeft na het einde van zijn dienstverband van rechtswege nog niet genoten vakantiedagen tegoed en vordert uitbetaling. De werkgever wil deze vakantiedagen verrekenen met schade die de werknemer aan de werkgever heeft toegebracht, toen de werknemer als buschauffeur zijn bus met daarin een grote hoeveelheid geld van de werkgever onbeheerd en niet op slot achterliet in Parijs. Het geld is vervolgens uit de bus gestolen. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zijn dagen tegoed heeft, maar dat de werkgever deze mag verrekenen met de schade die hij heeft geleden vanwege het gestolen geld. Het onbeheerd en open achterlaten van een bus in Parijs is volgens de kantonrechter bewust roekeloos.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-393
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is overgegaan naar een andere werkgever wegens overgang van concessie. Enige maanden later treedt werknemer weer in dienst bij de eerdere werkgever, waarbij hem andere voorwaarden worden geboden. De werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in een verandering van omstandigheden. Werknemer stelt dat hem geen passende functie is geboden. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever de arbeidsrelatie heeft verstoord en dat de aangeboden functie niet passend is. Volgt ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding met C=1,2. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-307
Schending concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
Drie werknemer zijn door de werkgever op staande voet ontslagen, waarna twee ervan bij een directe concurrent in dienst treden. De werkgever vordert handhaving van het concurrentiebeding en schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat slechts met een van de drie werknemers een geldig concurrentiebeding is overeengekomen. Juist deze werknemer is niet bij de concurrent in dienst getreden. De overige werknemers hebben het concurrentieding niet geschonden, evenmin is onrechtmatige concurrentie aangetoond, nu het in dienst treden bij een concurrent op zichzelf niet onrechtmatig is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-293
Suppletie loondoorbetaling bij ziekte. Art. 7:629 BW
De werkgever en de werknemer zijn overeengekomen dat tijdens ziekte een suppletie tot 100% zou plaatsvinden gedurende het eerste ziektejaar. De werknemer meent dat uit de cao de verplichting voortvloeit ook in het tweede ziektejaar tot 100% te suppleren. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet onder de werkingssfeer van de cao valt en dat uit de arbeidsovereenkomst ook niet blijkt dat de cao middels een incorporatiebeding van toepassing is. Het feit dat de wet is gewijzigd van 52 naar 104 weken loondoorbetalingsverplichting betekent niet dat voor de tweede 52 weken eveneens een suppletie gaat gelden wanneer dit niet (opnieuw) is overeengekomen. Hieruit volgt dat de werkgever slechts 70% van het loon hoeft door te betalen gedurende de tweede 52 weken van ziekte. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-158
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd. Na deze opzegging, maar nog tijdens de opzegtermijn, dient de werknemer een ontbindingsverzoek in teneinde een vergoeding te verkrijgen. De kantonrechter oordeelt dat ondanks dat de werknemer een zwaarwegend belang heeft om op korte termijn zekerheid te krijgen omtrent zijn materiële en financiële gevolgen, dit niet kan worden aangemerkt als een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-30
Non-concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemer is als advocaat werkzaam bij de inmiddels ex-werkgever als hij een aanbod krijgt van een ander kantoor. De werknemer zegt vervolgens de arbeidsovereenkomst op om aan de slag te gaan bij zijn nieuwe werkgever. De werknemer verzoekt om schorsing van het bestaande concurrentiebeding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van zodanige omstandigheden dat onverkorte handhaving van het concurrentiebeding onbillijk zou zijn. De vordering tot schorsing wordt daarom slechts toegewezen voor zover het concurrentiebeding langer dan 1 jaar temporeel bereikt heeft. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-559
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst; sociaal plan. Art. 7:685 BW
De werknemer is ruim 37 jaar werkzaam bij de werkgever als zijn arbeidsovereenkomst in een reorganisatie wordt beëindigd. De werknemer krijgt een vergoeding conform het sociaal plan. In het sociaal plan wordt echter een onderscheid gemaakt tussen werknemers ouder dan 50 jr en jonger dan 50 jr. De werknemer stelt dat hij door dit onderscheid wordt benadeeld, omdat hij verplicht wordt met vervroegd pensioen te gaan. In de ontbindingsprocedure stelt de kantonrechter dat het sociaal plan in beginsel dient te worden gevolgd, maar dat in casu inderdaad sprake is van ongeoorloofd leeftijdonderscheid. De werknemer wordt door het verplichte vroegpensioen eigenlijk afgeschreven voor de arbeidsmarkt en heeft hij waarschijnlijk geen recht op een WW-uitkering. Ter compensatie dient een hogere vergoeding te worden meegegeven. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-533
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer vanwege verandering in de omstandigheden. Vanwege het feit dat partijen vooraf overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de vergoeding, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wens van partijen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-496
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer opgezegd na twee jaren van arbeidsongeschiktheid. De werknemer start een kennelijk onredelijk-procedure en vordert een vergoeding, omdat zijn arbeidsongeschiktheid volgens een deskundigenrapport is veroorzaakt door zijn werkzaamheden bij de werkgever. Opzegging zonder vergoeding zou in strijd zijn met het gevolgencriterium van art. 7:681 BW. De werkgever stelt dat het deskundigenrapport onjuist is. De kantonrechter passeert de bezwaren van de werkgever tegen het deskundigenoordeel en komt tot de conclusie dat een opzegging zonder financiële compensatie van een arbeidsongeschikte werknemer, waarbij de arbeidsongeschiktheid is gelegen in de werkzaamheden leidt tot een kennelijk onredelijke opzegging. Er wordt een vergoeding toegekend conform de XYZ-formule. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-318
Toepassing afspiegelingsbeginsel, uitwisselbare functies bij reorganisatie. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer o.g.v. bedrijfseconomische omstandigheden. De werknemer betoogt dat werkgever bij de reorganisatie het afspiegelingsbeginsel onjuist heeft toegepast. De Kantonrechter oordeelt dat er weliswaar sprake is van twee vennootschappen maar dat dit feitelijk alleen geldt voor salesactiviteiten. Voor het overige zijn alle afdelingen gecentraliseerd. Er is daarom geen sprake van twee in organisatorisch verband opererende zelfstandige eenheden, zodat deze vennootschappen in het kader van het Ontslagbesluit dienen te worden gezien als één bedrijfsvestiging. In zoverre is het afspiegelingsbeginsel juist toegepast. De afdeling Sales Benelux is echter niet bij de reorganisatie betrokken omdat deze afdeling al eerder zou zijn gereorganiseerd. De Kantonrechter oordeelt dat de werkgever bij deze reorganisatie al had moeten voorzien dat op korte termijn meerdere functies zouden komen te vervallen. Door kort na elkaar meerdere reorganisaties door te voeren, heeft de werkgever geen rekening gehouden met de CWI beleidsregels over de uitwisselbaarheid van functies, en is dus het afspiegelingsbeginsel genegeerd en is een onjuist herplaatsingsbeleid gevoerd. Evenwel ontbindt de Kantonrechter de arbeidsovereenkomst omdat een er geen andere passende functie voor werknemer beschikbaar is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-310
Loonvordering Poolse uitzendkracht. ABU-CAO
Een Poolse werkneemster is op basis van een uitzendovereenkomst in dienst bij werkgever. Door werkgever wordt gedurende een zekere periode wekelijks een bedrag van 200 euro ingehouden wegens door werkgever gestelde inwoning van de vriend van werkneemster. Op een gegeven moment heeft werkneemster zich ziek gemeld. Over een deel van de periode van ziekte is geen loon betaald, omdat op dat moment nog geen ziekte was vastgesteld. De werkneemster maakt in deze procedure aanspraak op haar reguliere salaris/ziekengeld. Op de uitzendovereenkomst is de ABU-CAO van toepassing. In deze cao is bepaald dat geen aanspraak kan worden gemaakt op loon indien niet daadwerkelijk uitzendarbeid is verricht, tenzij er sprake is van ziekte. De rechter beslist dat met betrekking tot de periode waarover geen salaris is betaald, dit terecht niet is gedaan, omdat de ziekte op dat moment nog niet was vastgesteld. Ten aanzien van de wekelijkse inhoudingen van 200 euro oordeelt de rechter dat deze onterecht hebben plaatsgevonden. De tussen partijen geldende bepaling ten aanzien van kosten van verhuur van de woonruimte die door werkgever aan werkneemster ter beschikking is gesteld, kan niet zo ruim worden uitgelegd dat een inhouding voor inwoning van een partner op grond van die bepaling gerechtvaardigd is. De rechter acht de loonvordering slechts toewijsbaar waar het de onterechte inhoudingen betreft. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-294
Niet in acht nemen opzegtermijn. Art. 7:672, 7:680 BW
De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd op 1 augustus. Gelet op het bepaalde in de arbeidsovereenkomst en art. 7:672 BW wordt deze opzegging geacht te hebben plaatsgevonden per eind augustus. De arbeidsovereenkomst zou derhalve eindigen per 1 oktober. De werknemer is per 1 september niet meer op zijn werk verschenen, omdat zijn chef mondeling zou hebben toegezegd dat het goed was dat de werknemer het bedrijf per 1 september zou verlaten. De werkgever betwist dit en voert hiertoe aan dat een brief is gestuurd naar werknemer, waarin het verzoek om per 1 september uit dienst te treden niet wordt goedgekeurd. De rechter beslist naar aanleiding van de feiten dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd per 1 september en dat derhalve de werknemer schadeplichtig is jegens werkgever wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn. De werkgever kan een aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding conform art. 7:680 BW. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-293