Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Toepasselijkheid normeringsregel uit CAO Beroepsgoederenvervoer.
De werknemer is werkzaam in de transportsector en krijgt betaald op basis van werkelijk gewerkte uren op basis van zijn urenregistratie. De werkgever heeft echter de mogelijkheid deze uren te corrigeren op basis van de tachograafschijf. De werknemer vordert niet uitbetaalde uren waarop hij wel recht zou hebben conform de CAO, nu de correcties van de werkgever feitelijk neerkomen op betaling conform een normeringsregeling, waarvoor krachtens de CAO toestemming van de werknemer voor nodig is. De werkgever stelt dat hij zijn bevoegdheid niet te buiten is getreden. De kantonrechter oordeelt dat de feitelijke hantering van de correctiebevoegdheid door de werkgever neerkomt op betaling conform een normeringsregeling. Hiermee wordt de toepasselijke CAO geschonden. Volgt toewijzing van de vordering van de werknemer.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-427
Kennelijk onredelijke opzegging. Art. 7:681 BW
De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd na toestemming. De Ontslagcommissie oordeelde dat het ontslag kon worden verleend wanneer daarbij een vergoeding van C=1,5 zou worden toegekend. Uiteindelijk zegt de werkgever op zonder toekenning van een vergoeding. De werknemer vordert thans een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag vanwege het gevolgencriterium inderdaad kennelijk onredelijk is, maar stelt dat de kantonrechtersformule geen leidraad is bij het bepalen van de vergoeding. Op grond van de omstandigheden van het geval wordt vervolgens een schadevergoeding van EUR 200.000 toegekend.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-357
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd, wanneer de werknemer een ontbindingsverzoek indient. Als reactie hierop zegt de werkgever voor een tweede keer, maar nu schadeplichtig op. De werknemer meent dat de werkgever enkel schadeplichtig opzegt om de ontbindingsprocedure te frustreren, zodat sprake is van misbruik van bevoegdheid en de ontbindingsprocedure toch doorgang moet vinden. De werkgever beroept zich op niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt onder verwijzing naar het arrest Van Hooff Elektra van 11 december 2009 (LJN: BJ9069) dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, zodat de werknemer niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-272
Onrechtmatige concurrentie. Art. 6:162 BW
In de arbeidsovereenkomst staat een concurrentiebeding opgenomen, waarin is bepaald dat het concurrentiebeding slechts geldt wanneer de werknemer ontslag neemt. De werkgever heeft vervolgens ontbinding verzocht en beroept zich nu op het concurrentiebeding en op onrechtmatige concurrentie. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen beroep kan worden gedaan op het concurrentiebeding, omdat de werkgever ontbinding heeft verzocht. Van onrechtmatige concurrentie is evenmin sprake nu de werknemer geen stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van de werkgever. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-250
Schadevergoeding bij arbeidsongeval. Art. 7:658 BW
De werknemer is na een ernstig bedrijfsongeval komen te overlijden. De werkgever heeft aansprakelijkheid erkend, maar er wordt door de nabestaanden van de werknemer geprocedeerd over de hoogte van de schadevergoeding. De nabestaanden vorderen een aanvullende smartengeldvergoeding van EUR 50.000. De kantonrechter ziet in de feiten en omstandigheden aanleiding om aan de nabestaanden een vergoeding van EUR 35.000 toet te kennen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-251
Gebondenheid werkgeversvereniging aan principeakkoord CAO
De werkgeversvereniging VBKO heeft een principeakkoord gesloten met de FNV en de CNV over een CAO. De VBKO wil echter het principeakkoord niet ondertekenen, omdat wordt gesteld dat nog over de werkingssfeer moet worden onderhandeld. De vakbonden menen dat vooraf duidelijk was dat de werkingssfeer dezelfde zou zijn als in de voorafgaande CAO en dat de VBKO gehouden is het principeakkoord te ondertekenen, hetgeen nu als verklaring voor recht wordt gevorderd. De kantonrechter oordeelt dat van te voren informeel was afgesproken dat over de werkingssfeer niet opnieuw onderhandeld zou worden. Daarnaast hebben partijen de teksten goedgekeurd en dus is de VBKO gehouden de CAO te ondertekenen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-21
Executiegeschil ontbindingsvergoeding. Art. 7:685 BW
De werkgever heeft besloten de arbeidsovereenkomst met de werknemer op te zeggen. Nadat de werknemer hiervan op de hoogte is gesteld dient hij een ontbindingsverzoek in, ten einde een vergoeding te verkrijgen. Op 27 augustus zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst (onregelmatig) op per 1 september. Op 28 augustus ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 16 september onder toekenning van EUR 135.000. De werknemer heeft vervolgens beslag laten leggen op de rekeningen van de werkgever, waarna de werkgever een executiegeschil is gestart om de beslaglegging op te heffen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de kantonrechter de ontbinding heeft uitgesproken terwijl hij wist dat de arbeidsovereenkomst via opzegging tot een einde zou komen. De toegekende vergoeding is daarom door de werknemer te executeren. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2010-11
Payroll-constructie; vervaltermijn. Art. 3:52, 3:53 en 7:677 BW
De werkneemster is vanaf 1996 werkzaam in de Horeca. De werkgever besluit in 2008 al zijn personeel onder te brengen bij een payroller. De werkneemster sluit hierop een arbeidsovereenkomst met de payroller. Wanneer de werkneemster in 2009 vervroegd wil uittreden wordt haar aanvullende uitkering geweigerd door Stichting SOHOR, omdat zij niet 13 jaar onafgebroken voor een horeca-onderneming heeft gewerkt, zij is immers vanaf 2008 werkzaam bij een payroller. De werkneemster meent dat sprake is van dwaling en vernietigd de arbeidsovereenkomst met de payroller met terugwerkende kracht en stelt al die tijd in dienst te zijn gebleven bij de werkgever. Stichting SOHOR blijft echter de uitkering weigeren. De werkneemster dagvaart vervolgens de Stichting SOHOR. De kantonrechter oordeelt dat nu de werkneemster de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst met de werkgever met terugwerkende kracht heeft vernietigd op grond van 3:52 en 3:53 BW voldaan is aan alle vereisten van de aanvullende uitkering en deze uitkering niet geweigerd mag worden. De vervaltermijnen uit art. 7:677 BW zijn niet van toepassing, omdat een beroep wordt gedaan op dwaling en de vervaltermijn dus gewoon 3 jaar is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-13
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is vanaf maart 2009 arbeidsongeschikt en de werkgever verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens primair bedrijfseconomische redenen en subsidiair een verstoorde arbeidsrelatie. De werknemer weerspreekt dat sprake is van een slechte financiële situatie en/of een verstoorde arbeidsrelatie en stelt dat het verzoek slechts voortkomt uit zijn arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer voldoende heeft weersproken dat er een financiële noodzaak is voor het ontslag. Het ongenoegen over het functioneren van de werknemer is pas geuit nadat hij arbeidsongeschikt is geworden en mocht er al sprake zijn van een verstoorde relatie, dan is deze door de werkgever veroorzaakt. Het verzoek wordt daarom door de kantonrechter afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-12
Bepalen datum indienstreding bij ontbindingsvergoeding; doorwerking opvolgend werkgeverschap
De werkgever verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een disfunctionerende werknemer. De Rechtbank wijst het verzoek toe. Bij het bepalen van de hoogte van de ontbindingsvergoeding rijst de vraag wanneer de werknemer bij de werkgever in dienst is getreden, en of de periode waarin de werknemer gedetacheerd was bij de werkgever meetelt als diensttijd. De Rechtbank overweegt dat bij het bepalen van de vergoeding is de datum van indiensttreding relevant is. Naar het oordeel van de Kantonrechter kan de werkgever, gelet op de werkzaamheden die de werknemer op detacheringsbasis verrichtte, niet als opvolgend werkgever worden beschouwd. Zodat deze periode niet meetelt voor de duur van het dienstverband. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-9
Werkzaamheden strijdig met non-concurrentiebeding, dwangsom gematigd. Art. 7:661 BW
Tijdens de pauze is de portefeuille met geld en strippenkaarten uit de bus gestolen. De vervoerder heeft de geleden schade gevorderd van de buschauffeur welke schade zij heeft betaald. In deze procedure vordert de chauffeur het geld terug. De chauffeur stelt dat zij niet aansprakelijk is jegens Connexxion ter zake van de schade, die door de diefstal is veroorzaakt. De portefeuille was in de bus, achter de deur in een vak uit het zicht geplaatst. Het uit het zicht achterlaten van waardepapieren en geld in een afgesloten ruimte dient niet beschouwd te worden als gedrag, waaruit de intentie kan worden afgeleid dat er opzettelijk of bewust roekeloos schade wordt veroorzaakt. De Rechtbank weegt de feiten en omstandigheden. De Rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de chauffeur er niet op wijzen dat zij bewust de kans aanvaardde dat de portefeuille gestolen zou worden en haar werkgever schade zou lijden.
Dit brengt met zich mee, dat de werknemer terecht stelt dat zij het door Connexxion berekende schadebedrag ad € 923,31 onverschuldigd heeft vergoed. Het door de chauffeur betaalde bedrag dient daarom door Connexxion te worden terugbetaald. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-8
Kwalificatie van een oproepovereenkomst. Art. 7:610, 7:610b en 7:629 BW
De werknemer is in dienst getreden bij de werkgever op basis van een 0-urencontract. Nadat de werknemer arbeidsongeschikt is geraakt vordert hij doorbetaling van loon op grond van art. 7:629 met een beroep op het rechtsvermoeden van art. 7:610b. De werkgever oordeelt dat slechts sprake is van een voorovereenkomst en dus niet van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake was van vrijblijvendheid om aan de oproep gehoor te geven van de werknemer. Er was dus sprake van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht, waardoor de werknemer wel een beroep kan doen op het rechtsvermoeden van 7:610b en op basis daarvan doorbetaling van het loon kan vorderen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-572
Wet Arbeid Vreemdelingen, zelfstandige verplichting inlener. Art. 1 Wet Arbeid Vreemdelingen
Een uitzendbureau heeft bij een kweker uitzendkrachten zonder tewerkstellingsvergunningen ingezet. In casu wordt beoordeeld deze wanprestatie leidt tot ontbinding van de overeenkomst of een verplichting tot schadevergoeding. De Rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Ex. artikel 1 Wet arbeid vreemdelingen (Wav) wordt onder ‘werkgever’ verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. Meerdere personen kunnen dezelfde vreemdeling dus arbeid kunnen laten verrichten en als werkgever worden aangemerkt. Iedere werkgever heeft volgens de Wav een eigen verplichting om de identiteit van een werknemer te controleren en zich er van te vergewissen of een werknemer gerechtigd is 'arbeid' te verrichten. Dit betekent ook dat meer dan één werkgever ex. de Wav voor hetzelfde feit kan worden beboet. Het feit dat de Wav voor iedere werkgever een eigen verplichting inhoudt en deze voor het niet naleven daarvan kan worden beboet, betekent echter niet dat een werkgever de ingevolge de Wav opgelegde bestuurlijke boetes niet op een andere werkgever zou kunnen verhalen. Daartoe is evenwel vereist dat partijen zijn overeengekomen dat het risico voor de gevolgen van overtreding van de regelgeving exclusief bij de uitlener is gelegd (Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31 maart 2009, LJN BI3328 én Gerechtshof 's-Gravenhage 31 maart 2009, LJN BI3416). Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-371
Antilliaanse zaak; opheffing executoriaal bankbeslag. Art. 26 lid 2 Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht
De werknemer is van mening dat hij nog ruim EUR 40.000 tegoed heeft van de werkgever (de Nederlandse Antillen). Nu de werkgever niet wil betalen heeft de werknemer executoriaal bankbeslag laten leggen op de rekening van de werkgever. De werkgever eist in kort geding dat het executoriaal bankbeslag wordt opgeheven. De voorzieningenrechter oordeelt dat nu het hoger beroep nog loopt en de door de werkgever gestelde bankgarantie is er geen reden het executoriale beslag te handhaven. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-350
Zelf ontslagname statutair bestuurder; overeenstemming vrijwillig aftreden
Partijen houdt in de eerste plaats verdeeld of de eisende bestuurder zelf ontslag heeft genomen als statutair bestuurder van de vennootschap, het zij door middel van een eenzijdige rechtshandeling, het zij na wilsovereenstemming met de gedaagde vennootschap. Voor de beantwoording van die vraag overweegt de Rechtbank, dient als uitgangspunt te worden genomen dat de eisen van de goede trouw in verband met de ingrijpende gevolgen die een eenzijdige ontslagneming in beginsel voor een bestuurder heeft, kunnen meebrengen dat een werkgever, hoezeer hij de betreffende uitingen als een ontslagneming heeft opgevat en mocht opvatten, zich ervan moet vergewissen of de werknemer werkelijk onvoorwaardelijk ontslag wilde nemen. De omstandigheid dat hier de bestuurder een vennootschap is die, naar de Rechtbank aanneemt, haar diensten verricht uit hoofde van een managementovereenkomst, leidt niet tot een ander toetsingskader. De vennootschap wordt in haar feitelijke uitvoering immers vertegenwoordigd door haar enig bestuurder, die tevens alle aandelen houdt. De ontslagneming raakt deze bestuurder daarom persoonlijk. Daarnaast is het aan de gedaagde vennootschap om in ieder geval aannemelijk te maken dat de bestuurder werkelijk onvoorwaardelijk ontslag heeft genomen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-311