Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Vrijdag 03 september 2010 - B7-10 1100

Rechtbank Leeuwarden 18 augustus 2010, BN4491

Vennootschapsrechtelijk ontslag als bestuurder betekent ook arbeidsrechtelijk ontslag.

   
De werknemer is als bestuurder werkzaam geweest bij de werkgever. In een vaststellingsovereenkomst is de overeenkomst met de vennootschap beëindigd. De bestuurder meent dat met deze vaststellingsovereenkomst niet tevens de arbeidsrechtelijke overeenkomst is geëindigd. De rechtbank oordeelt dat de 15 april-arresten (HR 15 april 2008, Unidek en Bartelink) ook van toepassing zijn op beëindiging middels een beëindigingovereenkomst. Met het eindigen van de vennootschapsrechtelijke betrekking eindigt daarmee tevens de arbeidsrechtelijke band tussen bestuurder en vennootschap.

Lees hier de uitspraak.
 
JWB Rechtspraak 2010-433



Donderdag 19 augustus 2010 - B7-10 1072

Rechtbank Leeuwarden 3 augustus 2010, BN3231

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
    
De afdeling waar de werknemer werkt wordt per 1 maart 2011 naar het buitenland verplaatst, waardoor de werknemer boventallig is verklaard. De werknemer dient hierop een ontbindingsverzoek in en vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van het feit dat zij vanwege de boventallig verklaring onvoldoende gemotiveerd is. De kantonrechter vindt dat van de werknemer kan worden gevraagd het dienstverband voort te zetten ondanks de boventallig verklaring. Er volgt ontbinding zonder toekenning van een vergoeding. Het sociaal plan is namelijk niet van toepassing nu de arbeidsovereenkomst eerder eindigt dan de datum van boventallig verklaring. 

Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-406



Donderdag 19 augustus 2010 - B7-10 1071

Rechtbank Leeuwarden 3 augustus 2010, BN3237

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
   
De afdeling waar de werknemer werkt wordt per 1 maart 2011 naar het buitenland verplaatst, waardoor de werknemer boventallig is verklaard. De werknemer dient hierop een ontbindingsverzoek in en vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van het feit dat zij vanwege de boventallig verklaring onvoldoende gemotiveerd is. De kantonrechter vindt dat van de werknemer kan worden gevraagd het dienstverband voort te zetten ondanks de boventallig verklaring. Er volgt ontbinding zonder toekenning van een vergoeding. Het sociaal plan is namelijk niet van toepassing nu de arbeidsovereenkomst eerder eindigt dan de datum van boventallig verklaring. 

Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-405



Dinsdag 08 juni 2010 - B7-10 973

Rechtbank Leeuwarden 12 mei 2010, BM5493

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst 
    
De werknemer is strafrechtelijk veroordeeld wegens het bezit van kinderporno op zijn privécomputer. De werkgever vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen. Er is onrust binnen het bedrijf ontstaan en de werkgever vreest reputatieschade. De kantonrechter oordeelt dat de handelingen zich in de privésfeer van de werknemer hebben afgespeeld en er geen raakvlak is met zijn werk. De imagoschade is niet komen vast te staan. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2010-310



Vrijdag 23 april 2010 - B7-10 896

Rechtbank Leeuwarden 7 april 2010, BM0505

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW 
   
De werknemer is 42 jaar oud en slechts 4 maanden in dienst als statutair directeur wanneer hij door de AVA wordt ontslagen wegens disfunctioneren. De werknemer vordert thans een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever heeft verzuimd de werknemer een verbetertraject aan te bieden. Bij disfunctioneren is de werkgever hiertoe wel verplicht, ook als het gaat om een statutair directeur. Het ontslag is daardoor kennelijk onredelijk. Er wordt een vergoeding van EUR 20.000 toegekend. Lees hier de uitspraak.
 
JWB Rechtspraak 2010-225 



Woensdag 10 maart 2010 - B7-10 812

Rechtbank Leeuwarden 17 februari 2010, BL5837

Onjuiste toepassing van de CAO Wonen door de werkgever 
   
De werknemer stelt zich op het standpunt dat de werkgever niet de loonsverhogingen conform de CAO heeft betaald. De werknemer heeft sporadisch salarisspecificaties ontvangen. Daarnaast vordert de werknemer een bedrag aan vakantiedagen en betaling van extra gewerkte uren. Tussen partijen is niet in geschil dat naleving van de CAO ertoe dient te leiden dat de CAO-loonsverhogingen doorgevoerd moeten worden. De vraag is echter welk salaris daarbij als uitgangspunt dient te gelden. Op basis van de feiten en omstandigheden beantwoordt de Kantonrechter deze vraag. Ten aanzien van de door de werknemer gevorderde vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen overweegt de Kantonrechter als volgt. Partijen verschillen van mening over het aantal aan de werknemer toegekende en door hem opgenomen vakantiedagen. Nu de werkgever heeft aangegeven zelf geen registratie van de vakantie-uren te hebben bijgehouden - welke verplichting wel op de werkgever als werkgever rustte - acht de Kantonrechter de vordering toewijsbaar. De vordering tot betaling van de extra gewerkte uren wordt afgewezen op basis van de uitleg die aan het CAO-artikel wordt gegeven. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-144

 



Dinsdag 09 maart 2010 - B7-10 811

Rechtbank Leeuwarden 16 februari 2010, BL5712

Overgang van onderneming. Art. 7:662 BW 
   
De werknemer is als schoonmaker werkzaam bij de werkgever. Hij is situatief arbeidsongeschikt voor het werken op een bepaald object waar hij normaal gesproken tewerk werd gesteld maar arbeidsgeschikt voor schoonmaakwerkzaamheden op een ander object. De werkgever draagt het schoonmaakonderdeel van zijn onderneming over aan GOM. De werknemer vordert loon van de werkgever omdat hij meent niet mee over te zijn gegaan naar GOM. De werkgever stelt dat sprake is van overgang van onderneming. De kantonrechter oordeelt onder verwijzing naar HR 11 februari 2005 (Memedovic/Asito) dat de werknemer feitelijk niet meer werkzaam was op het moment van de overdracht van het bedrijfsonderdeel en daarom niet mee overgaat. De loonvordering op de werkgever is dus toewijsbaar.  Lees hier de uitspraak.
   
JWB Rechtspraak 2010-145 



Donderdag 25 februari 2010 - B7-10 794

Rechtbank Leeuwarden 8 februari 2010, BL2844

Ontbinding wegens een dringende reden, werkgever benadeeld door bevoordeling werknemer. Art. 7:677 BW 
   
De werkgever, het VVV, verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van haar werknemer die haar eigen accommodaties heeft bevoorrecht boven andere via het VVV aangeboden accommodaties. Nadat zij hiermee werd geconfronteerd heeft zij tevens onjuiste informatie verschaft. Naar het oordeel van de Kantonrechter is het al met al voldoende aannemelijk geworden dat de werknemer bij het presenteren van accommodaties aan potentiële gasten meerdere malen haar eigen accommodaties heeft trachten te bevoordelen. Zij heeft daarmee naar het oordeel van de Kantonrechter niet alleen zichzelf op een niet toelaatbare wijze trachten te bevoordelen, maar heeft zij tevens de positie van VVV, gelet op de op VVV rustende verplichtingen jegens haar leden, benadeeld. Voldoende staat vast dat zij heeft gehandeld in strijd met de door de werkgever gegeven instructies. Daarnaast heeft zij gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichting als goed werkneemster. Dat er bij VVV geen schriftelijk protocol is waarin gedragsregels zijn vastgelegd, is daarom naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval niet doorslaggevend. VVV heeft de handelwijze van de werknemer in redelijkheid kunnen aanmerken als een dringende reden. Het dienstverband zal op grond daarvan worden ontbonden zonder toekenning van een vergoeding. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-120



Vrijdag 19 februari 2010 - B7-10 781

Rechtbank Leeuwarden 3 februari 2010, BL2315

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek toegewezen zonder vergoeding na diefstal pakje shag, zie ook BL2328. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever verzoekt de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer die is ontslagen op staande voet na het wegnemen van een pakje shag. In kort geding is de vordering van de werknemer tot wedertewerkstelling afgewezen. De werknemer had een pakje shag in de rokersruimte gevonden en dit bij zich gestoken, waarna hij is betrapt. Hij heeft toegegeven dat hij dit vaker heeft gedaan, zonder dat hij ooit geprobeerd heeft de shag terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaar. De Kantonrechter is van oordeel dat het voorstelbaar is dat de werkgever hierdoor het vertrouwen in de werknemer is kwijtgeraakt, zodat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet goed denkbaar is. Te meer niet, nu het hier een uitzendkracht betreft die door zijn handelwijze zijn werkgever in diskrediet heeft gebracht bij de inlener. De Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, voor zover die nog niet is geëindigd door het ontslag op staande voet, met onmiddellijke ingang, zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-111 



Vrijdag 19 februari 2010 - B7-10 780

Rechtbank Leeuwarden 3 februari 2010, BL2328

Diefstal pakje shag gerechtvaardigd vanwege kenbaar beleid werkgever, zie ook BL2315. Art. 7:677 BW 
   
De werknemer vindt een pakje shag in de rokersruimte en steekt dit bij zich. Naar eigen zeggen doet hij dit als een "rokersautomatisme". Nadat hij is betrapt, geeft de werknemer toe dat hij dit vaker heeft gedaan, zonder dat hij ooit geprobeerd heeft de shag terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaar. De volgende dag is het voorval met hem besproken op het hoofdkantoor van de werkgever. Daarna is hij is door zijn werkgever op staande voet ontslagen. De werkgever heeft een beleid op basis waarvan kenbaar is dat na diefstal ontslag op staande voet volgt. In onderhavig kort geding vordert de werknemer wedertewerkstelling en loon. De Kantonrechter acht het ontslag een juiste maatregel. Op grond van zijn eigen verklaringen is duidelijk dat de werknemer wist dat hij fout zat. Dat de pakjes shag van betrekkelijk geringe waarde zijn, doet er niet af aan dat de werknemer deze verduisterd heeft. Bovendien wist de werknemer dat in het reglement van de werkgever staat dat diefstal tot ontslag op staande voet kan leiden. Door zijn handelwijze heeft hij ook zijn werkgever, een uitzendbureau, ook in diskrediet gebracht bij de inlener. Volgt afwijzing van de vorderingen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-110



Donderdag 11 februari 2010 - B7-10 757

Rechtbank Leeuwarden 20 januari 2010, BL0363

Ontslag op staande voet nietig, wegnemen plakje kaas geen dringende reden, ontslag op staande voet een ultimum remedium. Art. 7:677 BW 
   
Een werknemer van een fastfood restaurant vordert loon nadat zij is ontslagen op staande voet vanwege het weggeven van een niet-besteld product. De Kantonrechter overweegt dat in de huisregels staat vermeld dat bij het niet-naleven van de daar genoemde verboden ontslag kan volgen. Eén van die regels is het weggeven van producten. De werknemer heeft een plakje kaas gegeven aan een collega. Dit betekent echter niet dat er daarmee direct sprake is van een dringende reden en dat de enige te treffen maatregel het geven van ontslag op staande voet is. Gelijk de huisregels vermelden kan ontslag volgen. Anders dan de werkgever kennelijk meent, dient voor de beoordeling van het handelen van de werknemer te worden gekeken naar de gang van zaken, waarbij de exacte gang van zaken niet eens bepalend is. In dat kader acht de Kantonrechter onder meer van belang dat onweersproken is gesteld dat het initiatief voor het weggeven van het plakje kaas niet is uitgegaan van de medewerker, maar van haar collega. Mede gelet op overige omstandigheden was het daadwerkelijk geven van een ontslag op staande voet naar het oordeel van de Kantonrechter een te vergaande maatregel. Ontslag op staande voet dient immers een ultimum remedium te zijn. Dat de werkgever hier niet had kunnen volstaan met een minder zware sanctie, zoals een schriftelijke waarschuwing, is niet gebleken. Dat de werknemer al eerder was gewaarschuwd wegens te laat komen en wegens het eten van friet op de werkvloer maakt het bovenstaande niet anders, te meer nu het hier gaat om algemene en veiligheidsregels en niet om "verboden" gedragingen. Volgt toewijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-93



Donderdag 11 februari 2010 - B7-10 756

Rechtbank Leeuwarden 18 januari 2010, BL0374

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek afgewezen na ontslag op staande voet gezien omstandigheden van het geval. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend na een gegeven ontslag op staande voet. De werknemer, een elektricien, verkocht koper dat toebehoorde aan werkgever en beheerde het daarmee verdiende geld ten behoeve van zijn afdeling. Op een gegeven moment laat de werkgever een onderzoek in naar herkomst van de "koperpot" door een recherchebureau en ontslaat vervolgens de werknemer op staande voet. In deze procedure vraagt de werkgever de arbeidsovereenkomst -voor zover die nog bestaat- te ontbinden wegens het bestaan van een dringende reden. De Kantonrechter wijst het verzoek af en doet dat vanwege de omstandigheden van het geval. De Kantonrechter heeft immers vastgesteld dat uit diverse verklaringen blijkt dat de voormalig leidinggevende van de werknemer van de "koperpot" af wist en hier impliciet mee heeft ingestemd. Bovendien handelde de werknemer niet alleen, heeft de werkgever in het gebruik van een vrachtwagen om het koper te vervoeren nimmer aanleiding gezien voor het instellen van een onderzoek, en is de werknemer al meer dan 38 jaar in dienst van de werkgever en is hij niet eerder aangesproken op verduistering van goederen van de werkgever. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-92



Donderdag 28 januari 2010 - B7-10 721

Rechtbank Leeuwarden 8 januari 2010, BK8755

Ontslag op staande voet, gefixeerde schadevergoeding; loonbegrip. Art. 7:680 BW 
   
In de bodemprocedure houdt het gegeven ontslag op staande voet stand. De werkgever vordert ex. Artikel 7:680 BW een fixeerde schadevergoeding. Voor berekening van die schadevergoeding is bepalend de termijn waarop de schadeplichtige de arbeidsovereenkomst mocht opzeggen. Onbestreden is dat in casu een opzeggingstermijn voor de werknemer van één maand geldt. Gezien deze periode strekt de schadevergoeding zich uit over de periode 25 november 2008 t/m 31 december 2008. De schadevergoeding ziet dus op het geldelijke bedrag aan loon over deze periode. Onder ‘loon’ is te verstaan brutoloon te vermeerderen met de vakantietoeslag. Uit de tekst van artikel 7:680 lid 1 BW blijkt namelijk niet dat hier om een ander loonbegrip zou gaan dan het algemene loonbegrip zoals dat in het Burgerlijk Wetboek genoemd wordt in artikel 7: 610 BW en in artikel 7: 617 lid 1 onder a BW. Ook gezien de aard van een gefixeerde schadevergoeding waarbij het juist niet gaat om een schadeberekening in concrete zin, valt niet in te zien waarom dat algemene loonbegrip hier niet dient te worden gehanteerd; onder loon in die betekenis pleegt ook de vakantietoeslag te worden begrepen als (geldelijke) vergoeding voor bedongen arbeid. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-49



Woensdag 06 januari 2010 - B7-10 678

Rechtbank Leeuwarden 9 december 2009, BK7541

Kwalificatie arbeidsovereenkomst; concurrentiebeding. Art. 7:610 en 7:653 BW 
   
De werknemer geeft eerst een franchiseovereenkomst gehad met de werkgever, alvorens partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Onderdeel van die overeenkomst was dat de werkgever zich zou inspannen om de schulden van de werknemer weg te werken. Het is de werkgever niet gelukt de schulden van de werknemer weg te werken en dus beroept de werknemer zich op vernietiging van de arbeidsovereenkomst en stelt nog steeds op basis van een franchiseovereenkomst werkzaam te zijn, waardoor hij niet is gebonden aan het concurrentiebeding. De voorzieningenrechter oordeelt dat in het contract slechts een inspanningsverplichting stond voor de werkgever en dat niet is aangetoond dat de werkgever hierin is tekortgeschoten. De arbeidsovereenkomst blijft derhalve bestaan en de werknemer is gehouden het concurrentiebeding na te leven. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-17



Vrijdag 11 december 2009 - B7-10 615

Rechtbank Leeuwarden 30 november 2009, BK4843

Ontbindingsverzoeken wegens bedrijfseconomische redenen afgewezen. Art. 7:685 BW 
   
De Kantonrechter beoordeelt de verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van 10 personen wegens bedrijfseconomische redenen. De financiële noodsituatie is niet aannemelijk gemaakt. Het verlies over 2009 is niet doorslaggevend omdat 2008 een goed jaar was en de cijfers over 2009 worden vertroebeld door de aanschaf van een dure machine. Er is verder geen plan van aanpak overgelegd waarin wordt aangegeven op welke manier het bedrijf de economische omstandigheden het hoofd wil bieden. Hierdoor is onduidelijk hoe tot de voorgestelde personeelsreductie met 10 werknemers is gekomen. Een deugdelijke onderbouwing van de prognose 2010-2011 ontbreekt, waardoor het onduidelijk is waarop de exploitatiebegroting is gebaseerd. Bovendien is gebleken dat op dit moment sprake is van een stijging in het werkaanbod, als gevolg waarvan met drie ploegen wordt gewerkt en uitzendkrachten zijn aangetrokken. De verzoeken worden dan ook afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-552