Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer, 55 jaar oud, is ruim 10 jaar als administratief medewerker werkzaam bij de werkgever. De werkgever zegt de arbeidsovereenkomst op wegens bedrijfseconomische redenen zonder vergoeding, waarna de werknemer een vordering instelt gebaseerd op kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever weliswaar aan employability heeft gedaan, maar onvoldoende om de kansen op de arbeidsmarkt voor deze werknemer echt te verbeteren. Het ontslag is daarom kennelijk onredelijk. Voor de hoogte van de vergoeding kan niet meer analoge toepassing van de kantonrechtersformule worden gehanteerd. De kantonrechter stelt deze naar billijkheid vast op EUR 7500. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-282
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is rijexaminator en gedraagt zich – ondanks herhaaldelijke waarschuwingen – intimiderend richting collega’s en examenkandidaten. De werkgever verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer stelt dat de werkgever te weinig heeft gedaan in het kader van het verbetertraject en wil een vergoeding met C=4. De kantonrechter oordeelt dat het gedrag van werknemer niet is verbeterd ondanks de waarschuwingen van de werkgever, maar ziet tegelijkertijd dat door de werkgever niet een echt verbetertraject is gestart. De kantonrechter ziet verwijten aan beide kanten en ontbindt de arbeidsovereenkomst met C=1. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-267
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer heeft via haar werk bij Stichting Wonen Zuid (SWZ) voor een grote verbouwing in de woning van haar dochter gezorgd. Zij heeft daarbij de regels van SWZ overtreden, met name wat betreft de onjuiste facturering. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter stelt dat de aannemer voor meer dan 70% schuldig is aan de onjuiste facturering en niet de werknemer. Daarnaast had de werkgever beter toezicht op de werknemer moeten houden. De feiten rechtvaardigen volgens de kantonrechter geen ontbinding. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-256
Verzoek tot gedeeltelijke ontbinding afgewezen wegens strijd met wettelijk stelsel. Art. 7:685 BW
Gedeeltelijk ontslag van een werknemer om het aantal uren te reduceren, deeltijdontslag, is juridisch mogelijk. Maar, ook voor deeltijdontslag is een ontslagvergunning nodig. De beleidsregels van het UWV-WERKbedrijf voor afgifte van een ontslagvergunning verbieden echter deeltijdontslag. Daardoor is een deeltijdontslag niet mogelijk in de praktijk. De werkgever trachtte door een verzoek tot gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst via de Kantonrechter toch te komen tot deeltijdontslag. De werkgever verzocht te ontbinden en aangeboden werd de werknemer opnieuw, maar dan voor veel minder uren, in dienst te nemen. In deze zaak is de werknemer grotendeels arbeidsongeschikt, maar voor een aantal rest-uur nog wel voor arbeidsgeschikt en werkt die uren. De Kantonrechter Sittard-Geleen oordeelt dat een dergelijk verzoek de overduidelijke bedoeling heeft om de normale ontslagregels te ontgaan. De Kantonrechter meent dat hij daaraan alleen kan meewerken als de verzoekende onderneming door weigering van ontbinding bijvoorbeeld in grote financiële moeilijkheden komt. Dat was in deze zaak niet het geval, de werkgever wilde alleen van het deel dat de werknemer arbeidsongeschikt was af. De Kantonrechter oordeelt dat door een dergelijk verzoek aan het stelsel van sociale zekerheid en ontslagbescherming wordt getornd. De Kantonrechter vindt de erg eenvoudige ontbindingsprocedure, waarin hoger beroep niet mogelijk is, niet de weg om dat te doen, dat hoort bij de wetgever thuis, niet de Kantonrechter. De Kantonrechter wees het verzoek daarom af. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-162
Ontbindingsverzoek werknemer na verkregen ontslagvergunning afgewezen. Art. 7:685 BW, art. 7:681 BW
De werknemer verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Ter onderbouwing van het verzoek voert hij aan dat hij al voorafgaand aan de aanvraag van de ontslagvergunning, verkregen wegens bedrijfseconomische redenen, lichamelijke klachten had waardoor ex. artikel 7:670 BW de overeenkomst niet beëindigd had mogen worden. De werknemer verwijt de werkgever dat hij in strijd met artikel 7:611 BW heeft gehandeld. Daarenboven betoogt hij dat zijn functie “voorman Timmerman I” niet inwisselbaar. Hij is bovendien van mening dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. De Kantonrechter wijst het verzoek af. Ten eerste omdat uit de processtukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht niet gebleken dat de arbeidsverhouding door het aanvragen van de ontslagvergunning verstoord is geraakt. Het enkele feit dat de werkgever wegens bedrijfseconomische redenen genoodzaakt was om een ontslagvergunning aan te vragen, maakt niet dat de arbeidsrelatie verstoord is geraakt. Ten tweede kan de Kantonrechter de stelling van de werknemer dat hij op 1 maart 2010 met vervroegd pensioen wenst te gaan en dat dit feit aangemerkt dient te worden als een verandering in de omstandigheden niet volgen, laat staan dat dit feit moet worden aangemerkt als een “zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen”. Ten derde wordt de stelling dat de onderhavige ontbindingsprocedure de enige mogelijkheid is om een vergoeding bij de kantonrechter te verzoeken, onjuist geacht. De vraag of de ontslagen werknemer aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de opzegging, dient immers te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art. 7:681 BW. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-131
Ontbindingsverzoek werkgever afgewezen. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt vanwege een reorganisatie de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer. Deze werknemer heeft in een klanttevredenheidsonderzoek laag gescoord. Als grondslag voor de ontbinding voert de werkgever aan dat de functie van de werknemer is komen te vervallen. De Kantonrechter overweegt dat vooropgesteld zij gesteld dat een reorganisatie zoals de onderhavige in beginsel volledig in de risicosfeer van de werkgever ligt. Van de werkgever mag dan ook verwacht worden dat zij een zorgvuldig en afgewogen traject heeft gevolgd om het intern genomen besluit om tot het onderhavige verzoek over te gaan te kunnen rechtvaardigen. De Kantonrechter toetst de stappen, zoals door de werkgever in de tijd gezet voor het maken van de afweging. Deze overwegend procedurele zorgvuldigheidstoets is temeer vereist, nu de werkgever gekozen heeft voor een ontbindingsprocedure, waarin de Kantonrechter slechts in beperkte mate inhoudelijk onderzoek kan verrichten, waar een UWV-procedure bij reorganisatie- problematiek wellicht meer voor de hand zou hebben gelegen. Het gehele traject beziende heeft de werkgever naar het oordeel van de Kantonrechter in de aanloop naar het onderhavige verzoek niet gehandeld met de nodige zorgvuldigheid, waardoor naar het oordeel van de Kantonrechter niet aannemelijk is geworden dat de werknemer niet in aanmerking kan komen voor de nieuwe Consultancy functie. Tevens heeft de werkgever zich onvoldoende gekweten van haar inspanningsverplichting om de werknemer te behouden. De werkgever heeft daarmee in strijd met de norm van goed werkgeverschap gehandeld. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt dan ook afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-132
Concurrentiebeding, geen schorsing vanwege verwijtbaarheid werknemer. Art. 7:653 BW
De werknemer is tot augustus 2010 voor bepaalde tijd in dienst bij werkgever. Bij beschikking van 22 december 2009 heeft de Kantonrechter zijn voornemen uitgesproken om op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 15 januari 2010, zonder toekenning van een vergoeding, daarbij oordelende dat de door de werknemer gewenste ontbinding bijna geheel in zijn risicosfeer lag. Hij kan zijn ontbindingsverzoek overigens nog intrekken vóór 9 januari 2010. In onderhavige kort geding procedure vordert de werknemer dat het concurrentiebeding wordt geschorst. De Kantonrechter wijst deze primaire vordering af met een eenvoudige verwijzing naar de beschikking in de parallelle ontbindingszaak tussen partijen. Niet is komen vast te staan dat de reden voor de door de werknemer verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst is te wijten aan de werkgever. Dat de Kantonrechter uiteindelijk toch het concurrentiebeding en het relatiebeding enigszins matigt, heeft te maken met de eigen relativering door de werkgever van haar belang bij handhaving van het beding. Uit haar akte valt immers af te leiden dat de bescherming van haar belangen niet per se een verboden gebied met een straal van 100 kilometer verlangt, maar dat een straal van 35 kilometer ook volstaat, en dat handhaving van het relatiebeding van mindere betekenis is indien zo’n straal zal worden aangehouden. De Kantonrechter neemt deze straal over. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-56
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is als manager in dienst bij de werkgever voor de duur van een jaar, nadat hij eerder al een contract voor zes maanden heeft gehad. Na een aanvaring met de werkgever heeft de werknemer zich ziek gemeld en vervolgens een ontbindingsverzoek ingediend wegens veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer te snel heeft besloten het overleg met de werkgever over de ontstane situatie te beëindigen, daar waar de werkgever – zelfs met behulp van een mediator – tot een oplossing wilde komen. Het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, maar zonder toekenning van een vergoeding, omdat de ontbinding nagenoeg geheel in de risicosfeer van de werknemer valt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-31
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst; eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Art. 7:611 en 7:685 BW
De werknemer is werkzaam als manager bij de vestiging van de werkgever in Maastricht. Wanneer de werknemer tijdelijk nodig is bij de vestiging in Arnhem, gaat de werknemer hier deels aan de slag. Na een jaar blijkt dat de vestiging in Maastricht wordt gesloten, maar de werknemer krijgt een baan aangeboden in Arnhem. De werknemer weigert deze functie in verband met de reistijd, waarna de werkgever een ontbindingsverzoek indient. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een redelijk voorstel dat de werknemer in redelijkheid moest aanvaarden, waardoor sprake is van ongeoorloofd werkverzuim. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en ken – vanwege de lange en goede staat van dienst van de werknemer – een vergoeding toe met C = 0,4. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-32
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:611 en 7:685 BW
De werknemer is voor twee dagen werkzaam als supervisor noodverlichting en voor drie dagen als accountmanager. Tijdens een functioneringsgesprek heeft hij te horen gekregen dat hij uitstekend functioneert als accountmanager, maar minder als supervisor. Vervolgens meldt de werknemer zich ziek. Bij hersteld verklaring krijgt de werknemer een functie als fulltime accountmanager aangeboden, welke hij weigert. Volgens de werkgever is er momenteel geen functie als supervisor vrij en de aangeboden functie wordt als redelijk voorstel aangemerkt. De werknemer weigert akkoord te gaan, waarna de werkgever een ontbindingsverzoek indient. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een redelijk voorstel dat in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd. Nu de werknemer de gewijzigde arbeidsovereenkomst heeft geweigerd komt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor diens risico. Volgt ontbinding met C = 0. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-33
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:665 en 7:685 BW
De werkneemster is arbeidsongeschikt en wil re-integreren bij de werkgever. De werkgever wordt vervolgens overgenomen, waarna de werkneemster in Maastricht moet gaan werken in plaats van in Sittard. Deze wijziging van arbeidsplaats is fysiek te belastend voor de werkneemster. De werkneemster verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van 7:665 jo. 7:685 BW. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever tekort is geschoten in de re-integratieverplichtingen en nooit een serieuze inspanning heeft gedaan de werkneemster – bijvoorbeeld via telewerken – terug te laten keren in het arbeidsproces. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen met een C=1,5. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-489
Ontslag op staande voet. Art. 7:677 en 7:678 BW
De werkgever heeft de werknemer op staande voet ontslagen wegens het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, omdat de werknemer onvoldoende zijn klantenkring heeft onderhouden en uitgebreid. De kantonrechter oordeelt dat duidelijk wel sprake is van een subjectief dringende reden, omdat deze werkgever de gedragingen een ontslag op staande voet vond rechtvaardigen. Er is echter niet voldaan aan de objectiviteit van de dringende reden, omdat de werknemer geen verbetertraject is aangeboden, Het ontslag op staande voet is derhalve onterecht verleend. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-488
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werkneemster is ruim 30 jaar in dienst bij de werkgever. De werkgever zegt vervolgens de arbeidsovereenkomst op met toestemming van het UWV-WERKbedrijf en met inachtneming van de opzegtermijn. De werkneemster vordert thans een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat sprake is van een voorgewende reden. Het ontslag is namelijk niet gelegen in bedrijfseconomische omstandigheden, maar in het functioneren van werkneemster. Daarnaast leidt toepassing van het gevolgencriterium tot kennelijk onredelijk ontslag, omdat de kansen op de arbeidsmarkt voor de werkneemster nihil zijn. De kantonrechter past vervolgens de Hof Den Haag-formule toe. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-470
Arbeidsovereenkomst aangemerkt als uitzendovereenkomst, beëindiging niet nietig. Art. 7:690 BW
De eisende werknemer vordert om voor recht te verklaren dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de gedaagde werkgever nietig is. Gaandeweg de procedure is duidelijk geworden dat er tussen partijen sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW. Op basis van de stellingen van partijen gaat de Kantonrechter uit van toepasselijkheid van de NBBU-cao. De inlenende werkgever heeft te kennen gegeven de werknemer niet langer te kunnen inlenen. Op grond van artikel 13 lid 3 van genoemde cao is de arbeidsovereenkomst om die reden van rechtswege geëindigd. Volgt afwijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-452
Ontbindingsverzoek toegewezen, vergoeding naar billijkheid; partijen hebben de problemen over zichzelf afgeroepen. Art. 7:685 BW
Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar titulair directeur. Er bestaan familiebanden tussen de directeur en bestuursleden. De Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding aan werknemer. Dit gelet op de mislukte mediation en de ter zittingen alsmede uit de processtukken blijkende verstandhouding van partijen op basis waarvan de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. Er is onvoldoende basis voor verdere samenwerking. Voor wat betreft de vergoeding. In deze zaak gaat de Kantonrechter voorbij aan de door de werknemer opgeworpen vraag of de oude of de nieuwe Kantonrechtersformule van toepassing is. Daarvoor wijkt deze zaak te veel af van de “gemiddelde arbeidszaak”. Partijen hebben de problemen in belangrijke mate over zichzelf afgeroepen. Om alle gemelde redenen wordt de vergoeding naar billijkheid vastgesteld. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-453