Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Vrijdag 03 september 2010 - B7-10 1101

Rechtbank Roermond 18 augustus 2010, BN4053

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW 
   
De arbeidsovereenkomst van de werknemer (54 jaar oud en 13 dienstjaren) wordt door de werkgever opgezegd zonder toekenning van een vergoeding. De werknemer vordert een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt ten eerste dat de vordering niet is verjaard, nu de verjaring tijdig is gestuit. Voorts oordeelt de kantonrechter dat het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding is opgezegd niet leidt tot kennelijke onredelijkheid van het ontslag. In casu is de crisis in de bouwsector noch aan de werkgever noch aan de werknemer te wijten. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding het ontslag kennelijk onredelijk te beoordelen. Volgt afwijzing van de vordering. 

Lees hier de uitspraak.

 

JWB Rechtspraak 2010-434



Vrijdag 27 augustus 2010 - B7-10 1085

Rechtbank Roermond 5 augustus 2010, BN3623

Ontslag op staande voet voor voltrekking dringende reden. Art. 7:677 en 7:678 BW 
   
De werkgever heeft de verlofaanvraag van de werknemer tussen 3 mei 2010 en 14 mei 2010 niet gehonoreerd. De werknemer heeft vervolgens gezegd dat hij desondanks op vakantie zou gaan. De werkgever heeft hierop op 29 april 2010 direct ontslag op staande voet gegeven. Thans beroept de werknemer zich op de nietigheid van het ontslag op staande voet en stelt een loonvordering in. De kantonrechter oordeelt dat een ontslag op staande voet niet kan worden gegeven als de dringende reden nog niet is voltrokken. De werknemer had immers tot inkeer kunnen komen. Volgt toewijzing van de loonvordering. 

Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-419



Donderdag 26 augustus 2010 - B7-10 1084

Rechtbank Roermond 28 juli 2010, BN3625

Geldigheid proeftijdbeding; loondoorbetaling tijdens ziekte. Art. 7:652 en art. 7:629 BW 
   

De werknemer werkte als kok-productie en heeft een nieuwe functie gekregen als zelfstandig kok. In zijn nieuwe arbeidsovereenkomst stond een proeftijd. Gedurende de proeftijd wordt de werknemer ontslagen vanwege gebruik van harddrugs. De kantonrechter oordeelt dat het proeftijdbeding niet geldig is, omdat onduidelijk is wat de kenmerkende verschillen zijn tussen de twee functies. Een nieuwe kennismakingsperiode mocht daarom niet. De werkgever hoeft echter het loon niet door te betalen, omdat de werknemer had moeten melden dat hij verslaafd was aan harddrugs bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. De werkgever kan zich terecht beroepen op art. 7:629 lid 3 BW. 

Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-418



Donderdag 26 augustus 2010 - B7-10 1083

Rechtbank Roermond 28 juli 2010, BN3638

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW 
   
De werknemer is 43 jaar en wordt na een dienstverband van 22 jaar wegens bedrijfseconomische redenen ontslagen. De werknemer stelt dat het ontslag gezien zijn leeftijd, de lengte van het dienstverband en zijn gebrekkige kennis van het Nederlands kennelijk onredelijk is opgezegd, vanwege het ontbreken van een vergoeding. De kantonrechter oordeelt dat vanwege de economische crisis en de grote concurrentie vanuit Azië het belang van de werkgever bij opzegging groter was dan dat van de werknemer. De opzegging is daarmee niet kennelijk onredelijk. Volgt afwijzing van de vordering van de werknemer.

Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-417



Dinsdag 01 juni 2010 - B7-10 962

Rechtbank Roermond 12 mei 2010, BM4554

Schadeberekening bij werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW 
   
De werknemer heeft een arbeidsongeval gehad, waarbij zij rechterarm is geamputeerd. De schadevergoeding die vervolgens door de verzekeraar is uitgekeerd vindt de werknemer te laag, omdat rekening is gehouden met de schade tot de pensioengerechtigde leeftijd van 65, terwijl de werknemer stelt dat hij tot 67/68 jaar zou hebben doorgewerkt. De werknemer vordert aanvullende schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, maar dat partijen inmiddels hebben geschikt. Volgt afwijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-299  



Donderdag 18 februari 2010 - B7-10 777

Rechtbank Roermond 27 januari 2010, BL1876

Ontbindingsverzoek, dienstverbanden bij rechtsvoorganger werkgever tellen mee bij bepaling anciënniteit. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een disfunctionerende medewerker die in 1973 bij haar rechtsvoorgangers in dienst is getreden. De Kantonrechter oordeelt over het gestelde disfunctioneren dat getoetst dient te worden of (1) de werknemer op zijn vermeende tekortkomingen is gewezen en hij een reële kans heeft gehad zijn functioneren te verbeteren, (2) er verbeterdoelen zijn gesteld en deze doelen binnen een redelijk te achten termijn niet zijn gehaald en er sprake is van structureel disfunctioneren. Naar het oordeel van de Kantonrechter kan het onderhavige ontbindingsverzoek deze toets niet doorstaan. Toch wordt het verzoek toegewezen vanwege de verstoorde verstandhouding. Bij bepaling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding wordt uitgegaan van een anciënniteit van bijna 37 jaar. De werknemer is op 1 augustus 1973 op 18-jarige leeftijd in dienst getreden bij de Rabobankorganisatie en heeft sindsdien onafgebroken bij deze organisatie gewerkt. De organisatie heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot een zodanige samenhangende eenheid dat niet langer volgehouden kan worden dat de werknemer, die in de loop van zijn zich ontwikkelende loopbaan bij steeds een andere vestiging te werk wordt gesteld, daarmee geen anciënniteit zou hebben opgebouwd. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-112 



Vrijdag 22 januari 2010 - B7-10 708

Rechtbank Roermond 29 december 2009, BK8117

Beëindigingsovereenkomst; spanning tussen vrijheid om eigen rechtspositie te bepalen en goede zeden, ontslag op staande voet. Art. 7:685 BW, artikel 7:677 BW 
   
Nadat fraude door de werknemer is ontdekt, onderhandelen partijen eerst over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Als uiteindelijk de werknemer de instemming betwist en nieuwe onregelmatigheden van hem worden ontdekt, volgt een ontslag op staande voet dat vervolgens leidde tot onderhandelingen, waarvan in deze procedure in geding is of deze tot een overeenkomst hebben geleid of niet. De Voorzieningenrechter stelt ambtshalve aan de orde of de overeenkomst wel een geldige oorzaak heeft. De rechtbank overweegt dat de overeenkomst niet tegen de wet is; partijen zijn immers overeengekomen dat als zij wettelijk verplicht zijn informatie over de feiten te geven, zij daartoe gerechtigd zijn. Wat de goede zeden betreft, is ook verdedigbaar dat partijen vrij zijn hun rechtspositie naar eigen inzicht te bepalen ook bij een verdenking van een strafbaar feit de dader en gelaedeerde bevoegd zijn buiten het bevoegd gezag om de gevolgen daarvan onderling te regelen en af te spreken dat van aangifte wordt afgezien. Dit geeft een spanning tussen enerzijds de vrijheid om de eigen rechtspositie te bepalen en anderzijds de goede zeden die voorschrijven dat rechtsprekende- en uitkeringsinstanties niet misleid mogen worden. Evenzo verlangen de goede zeden dat strafbaar handelen van zekere omvang niet alleen civiel wordt geregeld, maar ook in de openbaarheid aan de orde wordt gesteld. Deze spanning vertaalt de Voorzieningenrechter juridisch aldus dat aan bezwaren tegen gevorderde nakoming meer ruimte toekomt dan in andere situaties. Waar in standaardgevallen een overeenkomst doorgang behoeft en een beroep op dwaling of onvoorziene omstandigheden doorgaans in later stadium in een bodemprocedure moet worden vastgesteld en alsdan, bij honorering, tot correctie op de uitgevoerde overeenkomst leidt, ziet de Voorzieningenrechter aanleiding in onderhavige overeenkomst deze spanning in het oordeel te laten meewegen dat aan vaststelling van deze bezwaren prioriteit wordt gegeven boven onverkorte uitvoering van het overeengekomene. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-34



Dinsdag 29 december 2009 - B7-10 663

Rechtbank Roermond 2 december 2009, BK6479

Uitleg sociaal plan conform cao-uitlegnorm 
   
De werknemer wordt door de werkgever ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. De werkgever geeft de werknemer een vergoeding mee conform het afgesloten sociaal plan. De werknemer meent dat de formule uit het sociaal plan door de werkgever verkeerd is toegepast. De letterlijke tekst van het sociaal plan lijkt erop te duiden dat het 40e levensjaar begint wanneer de werknemer 39 jaar oud wordt, aldus de werknemer. De werkgever meent dat is getracht aansluiting te zoeken bij de bestaande kantonrechtersformule bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding. De kantonrechter oordeelt dat wanneer de maatschappelijke duiding van de bewoordingen in het sociaal plan, alsmede de genoemde voorbeelden ertoe leiden dat partijen aansluiting wilden zoeken bij de bestaande kantonrechtersformule. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-602 



Donderdag 24 december 2009 - B7-10 648

Rechtbank Roermond 9 december 2009, BK6488

CAO-uitleg van het sociaal plan voor bepaling van een ontbindingsvergoeding 
   
De werknemer vordert een correctie van vergoeding volgens het Sociaal Plan waarbij is uitgegaan van een onjuist aantal dienstjaren. Er is uitgegaan van 46 dienstjaren, terwijl dit er 47 moeten zijn. Volgens de werknemer dient in casu aansluiting te worden gezocht bij de tekstuele uitleg van Sociaal Plan waarbij het 40ste levensjaar begint op het moment dat eiser 39 jaar oud wordt. De Kantonrechter oordeelt dat voor de wijze waarop dat CAO-bepalingen dienen te worden uitgelegd, het uitgangspunt geldt dat de bewoordingen van de CAO-bepalingen gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, maar op de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. De Kantonrechter gaat er in casu van uit dat in de CAO Sociaal Plan dan ook volledig aansluiting is gezocht bij de maatschappelijke praktijk van de berekening van ontbindings- en/of ontslagvergoedingen, zoals die ooit in de vorige eeuw door de Kantonrechters zijn bedacht en sindsdien over het algemeen zijn toegepast. De maatschappelijke duiding van de bewoordingen van het Sociaal Plan leidt tot toepassing van de Kantonrechtersformule 2008. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-587 



Vrijdag 17 juli 2009 - B7-10 334

Rechtbank Roermond 1 juli 2009, BJ1227

Conservatoir eigenbeslag vanwege toegekende ontbindingsvergoeding. Art. 7:685 BW, artikel 7:681 BW 
   
De werknemer is bij ontbindingsvonnis van 18 maart 2008 een vergoeding toegekend van € 360.000,00. Een dag ervoor ontslaat de werkgever de werknemer op staande voet. De werknemer heeft vervolgens op vermogensbestanddelen van de werkgever beslag laten leggen. De werkgever heeft daarna de voorzieningenrechter verzocht verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir eigenbeslag voor een bedrag van € 500.000,00 op grond van de gestelde vordering op de werknemer. Dit verlof is verleend. De werknemer heeft na inleidende dagvaarding van de werkgever tot betaling van schadevergoeding bij incidentele vordering opheffing van het eigenbeslag gevorderd. De Kantonrechter heeft overwogen dat het spoedeisend belang aanwezig is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Na een belangenafweging heeft de Kantonrechter geoordeeld dat het eigenbeslag voor een bedrag van € 100.000,00 wordt opgeheven. Daarbij heeft de Kantonrechter onder meer van belang geacht dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 20 juni 2008 voorlopig heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd is gegeven, het slechte werknemersgedrag verre van bewezen is, een onherroepelijke rechterlijke uitspraak met executoriale kracht niet te snel moet worden gebroken door een conservatoir beslag, de noodtoestand van de werknemer en de procedure lang nog lang kan gaan duren. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2009-269



Donderdag 14 mei 2009 - B7-10 240

Rechtbank Roermond 28 april 2009, BI2369

Uitleg vaststellingsovereenkomst aan de hand van Haviltex. Art. 7:685 BW 
   
Werkgever en werknemer hebben ter beëindiging van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn overeengekomen dat werknemer afstand zou doen van zijn bestaand tegoed aan 'verlofdagen'. In deze procedure zijn partijen verdeeld over de vraag of in die 'verlofdagen' eveneens begrepen zaten de aanspraak van werknemer op tijdspaarfondsdagen zoals opgenomen in de toepasselijke CAO voor de Bouwnijverheid. De Kantonrechter oordeelt aan de hand van de "Haviltex"-formule dat in de door werknemer gedane afstand van zijn tegoed aan 'verlofdagen' geen tijdspaarfondsdagen geacht kunnen worden begrepen te zijn geweest. Zijn vordering wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-165



RSS Feed