Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is als docent werkzaam bij de werkgever. Hij is reeds bij verschillende vestigingen van de werkgever werkzaam geweest, maar telkens doen dezelfde problemen zich voor, namelijk conflicten met collega’s en leidinggevenden. De werkgever verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever alles heeft geprobeerd om het functioneren van de werknemer te doen verbeteren, maar dat de werknemer dit niet heeft opgepikt. De kantonrechter ziet daarom aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toekenning van een vergoeding.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-381
Schending geheimhoudingsbeding. Art. 10 EVRM
De werknemer heeft een geheimhoudingsbeding staan in de arbeidsovereenkomst. De werknemer wordt vervolgens in de proeftijdontslagen. Thans vordert de werkgever een verbod op het negatief uitlaten over de werkgever in de media. De voorzieningenrechter oordeelt dat nu de werknemer vertrouwelijke documenten naar zijn privéadres heeft gestuurd, gegronde vrees bestaat dat de werknemer het geheimhoudingsbeding zal overtreden. Het gevraagde verbod wordt daarom toegewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-358
Onverschuldigde betaling. Art 6:203 BW
De werknemer is op 11 juni 2008 op staande voet ontslagen. Door een administratieve fout heeft de werkgever echter nog loon doorbetaald tot december 2008. De werkgever vordert nu het loon terug wegens onverschuldigde betaling. De kantonrechter oordeelt dat het loon vanaf oktober 2008 in elk geval onverschuldigd is betaald, omdat de arbeidsovereenkomst per oktober 2008 zou eindigen. Voor de periode juni 2008 – oktober 2008 geldt dat de werknemer waarschijnlijk stappen zou hebben ondernomen indien de loonbetaling zou zijn gestaakt. Hiervoor geldt dat de werknemer daarom slechts 40% hoeft terug te betalen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-191
Bevoegdheidsincident; pensioenrecht. Art. 216 Pensioenwet
In de hoofdzaak vordert eiser o.a. dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het Pensioenfonds veroordeelt tot betaling WAO-hiaat en WAO-excedent pensioen. Het Pensioenfonds heeft in het bevoegdheidsincident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rol van de rechtbank Rotterdam sector kanton, locatie Rotterdam. Omstandigheden wijzen erop dat de regelingen die aan de vordering ten grondslag liggen betrekking hebben op een arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van artikel 1 Pensioenwet en niet (mede) op de werkeloosheidscomponent. De vordering heeft daarmee ook betrekking op een pensioenreglement in de zin van datzelfde artikel. Op grond van artikel 216 Pensioenwet dienen dergelijke zaken behandeld en beslist te worden door de
kantonrechter. Derhalve zal de rechtbank overeenkomstig artikel 71 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rol van de sector kanton van de rechtbank Rotterdam. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-140
Formeel werkgeverschap. Art. 3:40 BW, artikel 93 BRv
In casu gaat het over een geschil tussen een stichting die optreedt als uitvoerder van het werkgeverschap en een eenmanszaak die van de diensten van deze stichting gebruik maakt. In dat kader zijn tussen de stichting en de eenmanszaak drie overeenkomsten gesloten. Het verweer en daarmee samenhangende vordering in reconventie richten zich tegen twee van die drie overeenkomsten. De Rechtbank oordeelt dat de drie overeenkomsten in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Voorts oordeelt de Rechtbank dat er geen sprake is van nietigheid op grond van artikel 3:40 BW. Evenmin is sprake van dwaling, wanprestatie of onrechtmatige daad. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-133
Uitleg voorwaarden arbeidsongeschiktheidsverzekering
De werknemer vordert bij vonnis de werkgever te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst ter zake van arbeidsongeschiktheid. Volgens de werknemer is de werkgever tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit deze overeenkomst omdat zij een uitkering weigert. Partijen twisten over de betekenis van diverse artikelen van de polisvoorwaarden. De Rechtbank stelt voorop dat bij de uitleg van een beding in een overeenkomst het aankomt op wat partijen met dat beding hebben beoogd en, als niet van een gemeenschappelijke bedoeling blijkt, wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt. Daarbij moet worden gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de beantwoording van de vraag welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan een beding mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het beding is gesteld, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, is bij de uitleg van dat beding van belang. De verzekeringsvoorwaarden moeten ten opzichte van een niet-professionele verzekerde steeds duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Algemeen gezichtspunt is voorts dat in geval van twijfel over de uitleg van een voorwaarde de voor de verzekerde gunstigste interpretatie prevaleert. Op basis van dit uitgangpunt wijst de Rechtbank de vordering af. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2010-113
Ontbindingsverzoek na vaststellingsovereenkomst vanwege verdenking fraude werknemer, voorwaarden voor fraudeonderzoek door werkgever. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer met wie zij een vaststellingovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband had gesloten. De werkgever verdenkt de werknemer van fraude; het ten onrechte declareren van overuren. In deze procedure wordt onder andere de vraag behandeld aan welke eisen een onderzoek van een werkgever naar fraude door een werknemer moet voldoen en wat de consequenties zijn wanneer dit onderzoek niet voldoende is uitgevoerd. Voorafgaand aan de gehouden zitting heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. De dringende reden is niet komen vast te staan. Wel is er sprake van een verandering van omstandigheden. De Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding, waarbij de C-factor op 0,5 is gesteld. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-58
Ontbindingsverzoek vanwege reorganisatie afgewezen. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een reorganisatie. De Kantonrechter wijst het verzoek af. Volgens de Kantonrechter is het aannemelijk dat de werknemer binnen de reorganisatie valt. Voorts heeft de werkgever zich onvoldoende ingespannen om de werknemer te herplaatsen. En voorts is niet gebleken dat de werkgever werknemer in de gelegenheid heeft gesteld om aan de veranderde opleidingseisen te voldoen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-19
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is als haveninspecteur werkzaam bij de werkgever. Tijdens de sollicitatie heeft de werknemer verzwegen dat hij voor het betreden van terminals van zijn ex-werkgever voorafgaande toestemming nodig had. Wanneer duidelijk wordt dat de werknemer dit voor zijn nieuwe werkgever heeft verzwegen, verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het werken in zijn functie voor de werknemer onmogelijk wordt. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een dringende reden, omdat de werknemer een groter werkgebeid heeft dan alleen Rotterdam en in Rotterdam wel bij andere bedrijven dan zijn ex-werkgever de controles kan uitvoeren. De kantonrechter acht echter wel een verstoorde arbeidsrelatie aanwezig en ontbindt de arbeidsovereenkomst met een c-factor van 0,5. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-604
Collectief ontbindingsverzoek afgewezen. Art. 7:685 BW
De werkgever vraagt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met het voltallige productiepersoneel, om het werk in de toekomst met behulp van flexkrachten te gaan doen. De Kantonrechter wijst de ontbindingsverzoeken af en overweegt daarbij dat voldoende aannemelijk is dat snijden in het personeelsbestand onvermijdelijk is, maar dat de noodzaak van het ontslag van alle productiepersoneel onvoldoende is aangetoond. Dat werkgever voornemens is om voortaan nog slechts met tijdelijke- en uitzendkrachten te gaan werken, vormt ook geen grond voor de ontbinding. De Kantonrechter acht het in strijd met de geest van het Ontslagbesluit wanneer vaste krachten die in sommige gevallen kunnen bogen op een lang dienstverband het veld zouden moeten ruimen voor uitzendkrachten. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-588
Voorwaardelijk ontbindingsverzoek na ontslag op staande voet toegewezen zonder toekenning vergoeding. Art. 7:677 BW, art. 7:685 BW
Na een ontslag op staande voet wordt een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. De werknemer blijkt naast deze arbeidsovereenkomst een volledige ambtelijke aanstelling bij de Rijksoverheid te hebben. Deze omstandigheid is voor de Kantonrechter aanleiding de door de werknemer verzochte ontbindingsvergoeding af te wijzen. De billijkheid verzet zich tegen de toekenning van enige vergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-527
Uitleg concurrentiebeding, Haviltex-critium. Art. 7:653 BW
Een ex-werkgever, een Energiemaatschappij, vordert in kort geding naleving van het tussen partijen gesloten non-concurrentiebeding. De ex-werknemer stelt o.a. dat het beding onduidelijk is. Bij de beoordeling van de betekenis van het beding komt het volgens de Kantonrechter aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Na beoordeling van de feiten en omstandigheden oordeelt de Kantonrechter dat de werknemer in zijn nieuwe functie andere werkzaamheden heeft en het non-concurrentiebeding niet ziet op die werkzaamheden zodat de vordering in kort geding wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-526
Kan werknemer de schade die hij heeft veroorzaakt verhalen op werkgever? Art. 7:661 BW
De werknemer is een administratieve sanctie opgelegd, vanwege een te hoog geladen vrachtwagen. Hij heeft dit bedrag, 750 euro, betaald en vordert dit bedrag voorts terug van zijn werkgever. De werknemer baseert zijn vordering op artikel 7 lid 4b van de betreffende CAO. De kantonrechter overweegt dat de vordering niet gebaseerd kan worden op het genoemde artikel van de CAO. Wel kan de vordering volgens de kantonrechter gebaseerd worden op artikel 7:658 lid 2 BW. Partijen worden door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld zich over de toepasselijkheid van deze rechtsgrond uit te laten, waarbij tevens van belang is hoe de genoemde bepaling uitgelegd moet worden in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2008, JAR 2008/185 over de toepasselijkheid van artikel 7:661 BW bij verkeersboetes. Ook worden partijen verzocht in te gaan op artikel 7:611 BW als mogelijke grondslag. De kantonrechter houdt de zaak aan. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-538
Vordering tot afgifte stukken in het bezit van werknemer onder toekenning van een dwangsom toegewezen
De werkgever vordert in kort geding medische stukken die een werknemer onder zich heeft. Op de laatste zitting heeft de werknemer zich bereid verklaard te voldoen aan de vordering. Gelet op de omstandigheid dat op eerdere zittingen is gebleken dat de werknemer uiteindelijk vrijwillig voldoet aan de vorderingen, acht de Kantonrechter het passend deze vordering wel toe te wijzen, doch te bepalen dat de te maximeren dwangsommen pas gaan lopen vanaf 1 maand na betekening van het vonnis. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-420
Ontbindingsvergoeding minder dan Kantonrechterformule gezien bedrijfseconomische situatie werkgever. Art. 7:685 BW
Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De werkgever stelt dat zij slechts een geringe vergoeding kan betalen aan de werknemer. De kantonrechter acht dat niet helemaal aannemelijk omdat de werkgever vanwege een reorganisatie een kredietfaciliteit tot haar beschikking heeft. Het ontbindingsverzoek wordt toegewezen onder toekenning van een lagere vergoeding dan de Kantonrechterformule. De vergoeding is lager dan bij onverkorte toepassing van de Kantonrechterformule. De Kantonrechter acht dit gerechtvaardigd omdat het niet de bedoeling kan zijn dat de werknemer meer ontvangt dan hij zou hebben ontvangen wanneer de arbeidsrelatie tot het 65e zou zijn doorgelopen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-390