Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW en Aanbeveling 3.5 Kring van Kantonrechters
De werknemer (60jr) is werkzaam als directrice op een basisschool. Na een arbeidsconflict tussen de werknemer en het bestuur van de school verzoekt de werknemer thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst, nu het bestuur heeft aangegeven dat de werknemer niet in haar oorspronkelijke functie kan terugkeren. De kantonrechter stelt dat beide partijen een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het conflict. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden met toepassing van Aanbeveling 3.5 van de Kring van Kantonrechters. De vergoeding bestaat daardoor uit een aanvulling op de uitkering tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-435
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer (51 jaar, 3 jaar in dienst) wordt ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen zonder toekenning van een vergoeding. De werknemer vordert thans een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever zijn verplichtingen als goed werkgever heeft geschonden door geen outplacementtraject aan te bieden, hierdoor is het ontslag kennelijk onredelijk. De hoogte van de schadevergoeding wordt begroot op EUR. 9500, de kosten van een outplacementtraject.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-437
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer (34 jaar, 14 jaar in dienst) wordt ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen onder toekenning van een zeer kleine vergoeding (EUR 700). De werknemer vordert thans een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat nu het afspiegelingsbeginsel onjuist is toegepast sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding wordt aangesloten bij een variant op de kantonrechtersformule.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-436
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is kort na zijn indiensttreding uitgevallen voor een korte periode. Hij heeft aan de werkgever kenbaar gemaakt dat deze zich kan beroepen op de no risk-polis van art. 29b ZW. Wanneer de werknemer ruim een half jaar na de eerste korte periode van uitval opnieuw uitvalt wegens ziekte, verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat de werknemer zou hebben verzwegen dat hij arbeidsongeschikt was ten tijde van de sollicitatie. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer hierover niets had hoeven zeggen en dat de werkgever een beroep kan doen op de no risk-polis. De reflexwerking van het opzegverbod leidt vervolgens tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-421
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever heeft de werknemer op staande voet ontslagen wegens seksuele intimidatie en verzoekt thans voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever slechts zeer summier onderzoek naar het voorval heeft gedaan en dat allerminst is komen vast te staan dat inderdaad sprake is van seksuele intimidatie. Er is daarom onvoldoende grond om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Volgt afwijzing van het verzoek van de werkgever.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-420
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd door middel van ontslag op staande voet vanwege het feit dat de werknemer het geheimhoudingsbeding heeft overtreden. De werknemer vordert een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat de door de werkgever aangevoerde reden niet is aangetoond, waardoor sprake is van een valse reden voor opzegging. Het ontslag is daarmee kennelijk onredelijk. De vergoeding bedraagt een deel gefixeerde schadevergoeding en een deel extra vergoeding vanwege het onbehoorlijk handelen van de werkgever.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-407
Werkgeversaansprakelijkheid inlener. Art. 7:658 lid 4
De werknemer is door zijn formele werkgever uitgeleend aan X. Bij X krijgt de werknemer een arbeidsongeval wanneer hij in een gat valt. De werknemer loopt ernstig letsel op. De formele werkgever is reeds aansprakelijk gehouden, maar nu stelt de verzekeraar – in naam van de werknemer – ook de inlener aansprakelijk. De kantonrechter oordeelt dat nu de arbeidsinspectie een boete heeft opgelegd de inlener zijn zorgplicht heeft geschonden. Van bewuste roekeloosheid is geen sprake, ondanks dat de werknemer in strijd met de werkinstructies heeft gehandeld. Volgt toewijzing van de vordering.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-396
Werknemersaansprakelijkheid. Art. 7:661 BW; 157 en 158 Rv
De werknemer is op heterdaad betrapt bij het wegnemen van EUR 700 uit de kassa van de werkgever. De werkgever laat de werknemer direct een schuldbekentenis opschrijven en tekenen, waarin de werknemer verklaart ruim EUR 12.000 te hebben gestolen. De werkgever vordert een verklaring voor recht dat de werknemer de schade moet vergoeden. De werknemer vordert voor recht dat zijn verklaring buitengerechtelijk is vernietigd en dat hij zodanig onder druk is gezet dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat nergens blijkt dat de werknemer onder druk is gezet de verklaring op te stellen en te ondertekenen. De verklaring levert bewijs op in de zin van art. 157 lid 2 en 158 Rv waardoor de verklaring voor recht dat de werknemer gehouden is de schade te vergoeden, dient te worden toegewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-397
Loondoorbetaling bij ziekte; re-integratie; passende arbeid. Art. 7:629 en 7:658a BW
De werkneemster is al sinds 2005 arbeidsongeschikt, maar re-integreert wel bij de werkgever in haar eigen functie voor 50%. De werkgever meent dat te weinig vorderingen in het re-integratietraject worden gemaakt, en heeft de re-integratie eenzijdig stopgezet zonder overleg met de bedrijfsarts. De werkgever heeft vervolgens een ontslagvergunningsprocedure gestart. De werkneemster vordert thans wedertewerkstelling in haar passende functie en doorbetaling van het loon. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever door eenzijdig de re-integratie te stoppen zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden. De werkneemster moet weer tewerk worden gesteld in haar passende functie en het loon moet worden betaald. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-371
Uitleg sociaal plan conform CAO-norm
De werkneemster is werkzaam geweest op basis van een min-max-contract. Nadat haar arbeidsovereenkomst is geëindigd maakt zij aanspraak op een ontslagvergoeding conform het sociaal plan. De werkneemster meent dat bij het vaststellen van de juiste hoogte van de vergoeding rekening moet worden gehouden met het feit dat zij in de laatste vijf maanden van het dienstverband veel meer heeft gewerkt. De werkgever stelt dat een representatieve referteperiode moet worden genomen, zodat deze vijf maanden buiten beschouwing moeten blijven. De kantonrechter oordeelt dat de uitleg van het begrip ‘representatieve referteperiode’ moet geschieden aan de hand van de CAO-norm. Deze uitleg brengt met zich dat de vordering van de werkneemster moet worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-369
Vordering nakoming CAO Railinfrastructuur door vakbonden
De vakbonden en de werkgever hebben een geschil over de vraag of de situatie dat een werknemer in de avond- of nachturen op de werkplek moet wachten tot werk voorhanden is valt onder het begrip ‘arbeid verrichten’ uit de cao, waardoor de werknemers recht zouden hebben op een extra toeslag. De kantonrechter stelt dat aan de CAO-norm voor uitleg moet worden getoetst en concludeert dat met de regeling is beoogd nadeel de compenseren dat werknemers lijden door niet hun tijd naar eigen inzicht te besteden. Het feit dat zij niet daadwerkelijk arbeid verrichten maar wel beschikbaar zijn, valt daarom onder de reikwijdte van de CAO en dus zal de werkgever de extra toeslagen moeten betalen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-368
Betaling uitkering uit arbeidsongeschiktheidsverzekering na ontbinding van de arbeidsovereenkomst; exclusiviteit ontbindingsvergoeding. Art. 7:685 en 6:74 BW
De vraag is of een werknemer wiens arbeidsovereenkomst reeds is ontbonden nog aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die aan de werkgever is betaald. De kantonrechter beoordeelt de vordering naar maatstaven van de Baijingsleer en komt tot de conclusie dat deze uitkering geen verband houdt met de beëindiging van de dienstbetrekking, waardoor de vordering deels kan worden toegewezen. Deels wordt de vordering ook afgewezen vanwege verjaring.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-361
Uitleg van VUT-regeling in CAO
De werknemer heeft vanaf 1 januari 2000 een arbeidsovereenkomst met de werkgever waarop de CAO voor de Zorgverzekeraars van toepassing is. De VUT-regeling van de CAO is per 1 januari 2000 komen te vervallen, waarna een overgangsregeling van toepassing is. De werknemer beroept zich op die overgangsregeling. De kantonrechter oordeelt dat uitleg van de CAO aan de hand van de CAO-norm meebrengt dat de overgangsregeling alleen van toepassing is op gevallen die voor 1 januari 2000 onder de reikwijdte van de VUT-regeling vielen. Het kan in redelijkheid niet zo zijn dat een werknemer die pas op 1 januari 2000 in dienst is getreden gebruik kan maken van deze overgangsregeling.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-360
Aanvullende pensioentoezegging moet ook worden betaald bij vervroegde uitdiensttreding. Art. 7:611 BW
De werkgever heeft in de veronderstelling dat de bestaande VUT-regeling zou worden afgeschaft aan de werknemer aanvullende pensioentoezeggingen gedaan. Nu blijkt dat de VUT-regeling toch niet is afgeschaft weigert de werkgever de aanvullende pensioenafspraken na te komen. De kantonrechter oordeelt dat de afspraken tussen de werkgever en de werknemer duidelijk zijn en dat het enkele feit dat de VUT-regeling is blijven bestaan hieraan geen afbreuk doet, nu dat niet in de afspraak is opgenomen. De vordering van de werknemer wordt toegewezen.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-359
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW en 4:2 Ontslagbesluit
De werkgever heeft eerst toestemming verzocht bij het UWV WERKbedrijf, welke is geweigerd, omdat de werkgever onvoldoende had aangetoond dat de categorieën uitwisselbare functies juist waren weergegeven. Thans verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. De kantonrechter oordeelt dat bij ontbinding wegens bedrijfseconomische omstandigheden reflexwerking toekomt aan het Ontslagbesluit. Nu de werkgever nog steeds niet duidelijk heeft gemaakt dat de categorieën uitwisselbare functies juist zijn toegepast, volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-345