Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Vrijdag 26 februari 2010 - B7-10 796

Rechtbank Zutphen 9 februari 2010, BL3063

Ontslag op staande voet. Art. 7:677 BW 
   
Een vergadering van aandeelhouders heeft besloten een bestuurder met onmiddellijke ingang als bestuurder en als werknemer te ontslaan. De bestuurder vordert in kort geding de werkgever te veroordelen tot betaling vanwege een schadeplichtige opzegging. De werknemer legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de werkgever geen duidelijke reden heeft gegeven voor zijn ontslag en geen onderzoeksrapport heeft overgelegd. De Rechtbank overweegt dat de gevorderde voorzieningen strekken tot betaling van een geldsom als voorschot op schadevergoedingen. Volgens de Hoge Raad moet worden onderzocht of het bestaan en de omvang van die vordering voldoende aannemelijk is, en of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden, die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van belangen van partijen moet ook worden betrokken het risico van de onmogelijkheid van de terugbetaling waarbij terughoudendheid is geboden. In casu geldt dat de werkgever bevoegd was de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden. Is opgezegd zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige mededeling, dan is de werkgever schadeplichtig. ‘Onverwijld’ houdt in dat het ontslag zo snel mogelijk moet worden gegeven nadat de redenen ervan bekend zijn geworden. Dit betekent dat de werkgever met de nodige voortvarendheid moet handelen en door gelijktijdige mededeling van de dringende reden de werknemer direct in staat moet stellen zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen. De eis van onverwijldheid gaat niet zo ver dat ontslag op staande voet onmiddellijk moet volgen. Zo kan en mag, tijd worden genomen voor het uitvoeren van een onderzoek en om te kunnen voldoen aan andere formele vereisten, zoals het in acht nemen van de regels van het vennootschapsrecht voor het deugdelijk bijeenroepen van een Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA). De Rechtbank is in casu van oordeel dat de werkgever voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van dwingende redenen die het ontslag op staande voet rechtvaardigen. Hieruit vloeit voort dat er vooralsnog van wordt uitgegaan dat de rechter, oordelend in een bodemprocedure, het ontslag op staande voet in stand zal houden waardoor de dienstbetrekking is geëindigd zonder dat de werkgever schadeplichtig is geworden. De werknemer heeft zijn vordering om een voorschot op schadevergoeding derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt. De vorderingen worden dan ook afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-122 



Maandag 23 november 2009 - B7-10 572

Rechtbank Zutphen 16 september 2009, BK3018

Onrechtmatige concurrentie bij ontbreken concurrentiebeding. Art. 6:162 BW 
   
De werknemer is een ex-mededirecteur van werkgever die voor zichzelf is begonnen. Hoewel geen concurrentiebeding is overeengekomen stelt de ex-werkgever dat de werknemer onrechtmatige concurrentie pleegt door actief klanten en leveranciers te benaderen. De kantonrechter oordeelt dat eerst moet worden beoordeeld of de werknemer zijn ex-werkgever beconcurreerd en vervolgens of deze concurrentie een onrechtmatige daad oplevert. Hiervoor is vereist dat sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals het bewegen van klanten om geen zaken meer te doen met de ex-werkgever. De ex-werkgever heeft deze feiten onvoldoende gesteld, maar wordt door de kantonrechter alsnog in de gelegenheid gesteld om bewijst te leveren. Volgt aanhouding van de zaak. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2009-516



Donderdag 30 juli 2009 - B7-10 371

Rechtbank Zutphen 14 juli 2009, BJ2559

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
   
De werknemer is onderhoudscontroleur en heeft in het kader van het bijhouden van zijn weekstaven onjuiste informatie opgegeven. Na een controle door de werkgever heeft de werknemer een aangetekende brief gehad en heeft een gesprek plaatsgevonden met drie managers van de werkgever. De werknemer heeft daar bekend niet altijd eerlijk te zijn geweest met zijn weekstaven. De werknemer is vervolgens geschorst en thans verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat weliswaar de werknemer een aantal steekje heeft laten vallen, maar dat de werknemer wel 22,5 jaar een goede staat van dienst heeft. De wijze waarop de werkgever de werknemer heeft ‘overvallen’ door de werknemer een overdonderend gesprek aan te gaan met drie leidinggevenden druist zeer in tegen het goed werkgeverschap. Ontslag is volgens de kantonrechter in deze situatie buitenproportioneel. Niet valt in te zien waarom de werkgever niet kon volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-303



Donderdag 16 juli 2009 - B7-10 333

Rechtbank Zutphen 25 juni 2009, BJ0808

Eigengereidheid werknemer komt voor risico werkgever, ontbindingsvergoeding C=1,5. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer wegens een vertrouwensbreuk en eigengereid handelen. De Kantonrechter onderkent de vertrouwensbreuk en komt toe aan een oordeel over de ontbindingsvergoeding. De werknemer heeft ter zitting toegegeven dat eigengereidheid hem niet vreemd is, maar heeft benadrukt dat hij niet in strijd met het bedrijfsbeleid heeft gehandeld. De Kantonrechter sluit niet uit dat de werknemer te eigenmachtig of anderszins onvoorzichtig heeft gehandeld. De vraag in een geding als het onderhavige is echter niet of een werknemer of een werkgever ooit te eigengereid is opgetreden of anderszins een foutje heeft gemaakt, maar of er, ondanks adequate begeleiding, sprake is van zodanig ernstige en/of structurele vormen van eigengereidheid of andere fouten, dat de verstoring van de arbeidsverhouding daaraan geweten moet worden. De Kantonrechter oordeelt dat in casu de verstoring van de arbeidsverhouding hoofdzakelijk aan werkgever moet worden geweten. Er zijn dan ook geen termen af te wijken van de door werknemer gevraagde correctiefactor 1,5. Dat de werknemer al twee maanden op non-actief staat, is – anders dan werkgever heeft betoogd – geen reden voor vermindering, reeds omdat de schorsing zeer dubieus was en in elk geval voor risico van werkgeefster komt. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2009-271



RSS Feed