Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Dinsdag 08 juni 2010 - B7-10 972

Rechtbank Utrecht 12 mei 2010, BM5659

Eenzijdige vaststelling opname vakantiedagen bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Art. 7:638 en 7:641 BW 
   
De werkgever heeft de werknemer, na een periode van ziekte en zwangerschapsverlof, verzocht haar resterende vakantiedagen op te nemen voor het einde van de arbeidsovereenkomst. Werkneemster weigert dit en vordert uitbetaling van de vakantiedagen. De kantonrechter oordeelt, onder verwijzing naar artikel 7:638 BW en kamerstukken, dat de werkgever werkneemster niet kon dwingen haar resterende vakantiedagen aan het einde van de arbeidsovereenkomst op te nemen. Volgt toewijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-312



Donderdag 01 april 2010 - B7-10 858

Rechtbank Haarlem 4 maart 2010, BL5607

Terugvordering loon en vakantie-uren. Art. 7:628 en 7:641 BW 
   
De werknemer heeft een gemiddeld urencontract van 33 uren per week. De werkgever stelt dat de werknemer in een jaar te weinig heeft gewerkt en vordert een deel van het uitbetaalde loon terug. Daarnaast wordt de waarde van teveel genoten vakantiedagen gevorderd. De kantonrechter oordeelt dat het de werkgever is die het rooster samenstelt, waarmee het te weinig werken van de werknemer in de risicosfeer van de werkgever komt te liggen. Er kan dus geen teveel betaald loon worden teruggevorderd. Daarnaast kunnen ook teveel opgenomen vakantie-uren niet worden teruggevorderd, omdat art. 7:641 lid 1 geen reflexwerking heeft, aldus de kantonrechter. Lees hier de uitspraak.

 JWB Rechtspraak 2010-189



Woensdag 20 januari 2010 - B7-10 702

Rechtbank Utrecht 16 december 2009, BK8474

CAO-bepaling over aanwijzing verlofdagen door werkgever niet in strijd met de wet. Art. 7:642 BW 
   
Namens de werknemers heeft de vakbond in casu de vraag aan de orde gesteld of de CAO-bepaling inhoudende dat de werkgever bevoegd is eenzijdig vakantiedagen vast te stellen in strijd met dwingend recht. De Rechtbank overweegt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de werknemer en werkgever meer ruimte te geven om in onderling overleg afspraken te maken over de (bovenwettelijke) vakantierechten en de wijze waarop deze worden ingezet. Terecht heeft de werkgever gesteld dat de wetgever daarbij niet alleen oog heeft gehad voor de werknemer die verlof voor bepaalde doeleinden wil kunnen sparen en verlof wil opnemen wanneer hem dat uitkomt, maar ook voor de werkgever die in het kader van de bedrijfsvoering belang heeft bij het jaarlijks opnemen door de werknemer van een deel van de vakantierechten. De onderhavige CAO-bepaling is zo’n onderlinge, schriftelijke afspraak tussen werkgever en werknemer die in casu met die wetgeving niet in strijd is. De bevoegdheid van de werkgever om eenzijdig verlofdagen aan te wijzen beperkt zich immers tot oud verlof, dat de werknemer niet heeft gespaard voor langdurend verlof en ook niet in het lopende jaar heeft opgenomen. De Kantonrechter overweegt dat de werkgever van haar bevoegdheid geen onredelijk gebruik maakt omdat vòòr de verlofdagen eenzijdig vast te stellen, de werknemers is gevraagd vrijwillig dagen op te nemen om de overcapaciteit terug te dringen. Alles afwegende kan niet worden geoordeeld dat de werkgever handelt in strijd met de vereisten van goed werkgeverschap dan wel met de CAO. De Kantonrechter concludeert dat de werkgever op basis van de CAO bevoegd is voor 1 mei van het lopend kalenderjaar niet opgenomen verlof uit een voorgaand kalenderjaar aan te wijzen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-35 



Dinsdag 08 december 2009 - B7-10 607

Gerechtshof Amsterdam 10 november 2009, BK4648

Loondoorbetaling tijdens ziekte; recht op vakantie tijdens ziekte; HvJ Schultz/Hoff-arrest. Art. 7:635 lid 4 BW 
   
De werknemer is arbeidsongeschikt, maar de werkgever heeft de loondoorbetaling gestaakt, omdat de werknemer passende arbeid zou weigeren. De werknemer stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van passende arbeid en dat de loonsanctie derhalve onterecht is opgelegd. Daarnaast vordert de werknemer uitbetaling van opgebouwde vakantiedagen. Het Hof oordeelt dat de werkgever inderdaad ten onrechte de aangeboden arbeid als passende arbeid heeft gekwalificeerd en dat de stopzetting van de loondoorbetalingsverplichting onrechtmatig is. De uitbetaling van de vakantiedagen ligt echter lastiger. Weliswaar heeft de werknemer volgens het Europees recht een aanspraak op de vakantiedagen, maar het Nederlands recht is niet in overeenstemming met het Europees recht. Aan de richtlijn komt geen horizontale werking toe en een richtlijnconforme interpretatie van art. 635 zou leiden tot contra legem. Deze bevoegdheid heeft het Hof niet, waardoor de vordering tot uitbetaling van vakantiedagen wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-542 



Woensdag 25 november 2009 - B7-10 580

Rechtbank Zwolle 13 oktober 2009, BK2768

Loonvordering en vordering niet genoten vakantiedagen bij situatieve arbeidsongeschiktheid. Art. 7:628 en 7:634 BW 
   
De werknemer heeft een arbeidsconflict bij de werkgever en heeft dientengevolge geen werkzaamheden verricht vanaf 25 maart 2008. De werkgever vordert terugbetaling van het loon. De werknemer vordert een vergoeding van de niet genoten vakantiedagen. De kantonrechter oordeelt dat bij situatieve arbeidsongeschiktheid het risico ten laste van de werkgever komt en dat de werknemer recht heeft op doorbetaling van loon conform 7:628 BW. De werknemer hoeft het loon dus niet terug te betalen. Daarnaast mag de werkgever de niet genoten vakantiedagen niet zelfstandig een eigen bestemming geven in de periode van situatieve arbeidsongeschiktheid, waardoor ook de niet genoten vakantiedagen moeten worden uitbetaald. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-518



Vrijdag 30 oktober 2009 - B7-10 538

Rechtbank Utrecht 14 oktober 2009, BK0017

Opbouw vakantiedagen tijdens ziekte. Art. 7:635 lid 4 BW 
   
De werkneemster is in 2006 uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid en in 2009 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. De werknemer vordert thans uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen die zij heeft opgebouwd en niet heeft opgenomen gedurende haar ziekte. Zij doet hierbij een beroep op de Schultz/Hoff-uitspraak van het HvJ EG. De werkgever meent dat aan deze uitspraak geen horizontale werking toekomt en dat de wettekst van 7:635 lid 4 ertoe leidt dat de vordering van de werkneemster moet worden afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat het beroep van de werkgever op 7:635 lid 4 gezien de uitspraak van het HvJ EG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat daarmee een beginsel van communautair sociaal recht zou worden geschonden. De werkneemster wordt derhalve in het gelijk gesteld. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-471



Vrijdag 25 september 2009 - B7-10 483

Rechtbank Groningen 14 september 2009, BJ7439

Afwijzing vordering tot uitbetaling vakantiedagen wegens opgewekt vertrouwen. Art. 7:641 BW 
   
De werknemer is een zoon van de werkgever. Wanneer een arbeidsconflict ontstaat, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding van ruim 213.000 euro. De werknemer vordert nu in een afzonderlijke procedure uitbetaling van niet genoten vakantiedagen en ATV-dagen, met een beroe op de CAO voor de Metalektro. De werkgever stelt dat niet de CAO voor de Metalektro van toepassing is, maar de CAO voor het Hoger Personeel in de Metalektro. Opgrond van die laatste CAO hoeven geen vakantiedagen te worden uitbetaald. De kantonrechter oordeelt dat de CAO voor het Hoger Personeel in de Metalektro van toepassing is, nu de werknemer ook deelde in de winst van het bedrijf. Bovendien was de relatie tussen werkgever en werknemer primair gelegen in de familiesfeer en niet in de arbeidsrelatie. Er werd daardoor informeel met vakantie- en ATV-dagen omgegaan. De vordering van de werknemer moet daarom worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-414 



RSS Feed