|
|
Vrijdag 13 februari 2009 - B7-10 102
Concurrentiebeding met boetebepaling voor concurreren tijdens dienstbetrekking. Art. 7:651 BW, artikel 7:653 BW
De werkgever vordert van de ex-werknemer onder meer betaling van een contractuele boete wegens overtreding van het concurrentiebeding. Het Hof overweegt dat in casu het concurrentiebeding niet uitsluitend een beding is ex. artikel 7:653 BW omdat het beding ook ziet op concurrentie tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft onder het oude recht al overwogen dat het boetebeding waarvoor het vereiste geldt dat het beding de bestemming van de boeten moet vermelden, niet van toepassing is op het concurrentiebeding (4 april 2003, NJ 2007, 351). Nu het in casu niet gaat om overtreding van het concurrentiebeding in voornoemde zin, oordeelt het Hof dat ten aanzien van het mondelinge boetebeding dat gaat over concurreren tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst, artikel 7:650 BW, derde lid, wel werking toekomt. Deze bepaling verbiedt dat de boete middellijk of onmiddellijk tot voordeel strekt van de werkgever. Nu niet nauwkeurig is bepaald wat de bestemming van de boete is en de boete aan de werkgever wordt verbeurd, komt dit artikel in strijd met artikel 7:650 BW, derde lid, zodat de werknemer terecht de nietigheid heeft ingeroepen ten aanzien van het boetebeding voor zover dat ziet op de concurrentie tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-41