Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontslag op staande voet, eerdere berisping werknemer meegewogen bij beoordeling dringende reden. Art. 7:677 BW
Een werknemer wordt op staande voet ontslagen omdat hij volgens de werkgever fysiek geweld heeft gebruikt tegen de bedrijfsarts, die daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie. De werknemer betwist dat hij fysiek geweld heeft gebruikt en vordert in kort geding wedertewerkstelling en doorbetaling loon. Gelet op de voorgeschiedenis van de werknemer, die kennelijk snel getergd reageert en die eerder een berisping heeft gehad, is de Kantonrechter voorshands van oordeel dat de werkgever meer gewicht heeft mogen toekennen aan de lezing van de bedrijfsarts dan aan die van de werknemer. Er bestaat daarom een gerede kans dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden. De vorderingen worden dan ook afgewezen. Zie ook LJN BK7501. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-109
Werkzaamheden strijdig met non-concurrentiebeding, dwangsom gematigd. Art. 7:653 BW, artikel 611a Rv
De voormalige werkgever vordert in kort geding dat de werknemer zich onthoudt van werkzaamheden die strijdig zijn met het tussen hen vigerende non-concurrentiebeding. Voor toewijzing van de door eiser gevorderde voorziening is van belang het antwoord op de vraag of er een gerede kans bestaat dat de bodemrechter zal oordelen dat het door partijen overeengekomen concurrentiebeding nog steeds geldig is zo ja, of gedaagde dat beding schendt of zal schenden door werkzaamheden te verrichten voor Noordhoek. De vragen beantwoordt de Kantonrechter op basis van de gepresenteerde feiten en omstandigheden en komt op basis van deze beoordeling tot het oordeel dat de werkzaamheden concurrerend zijn zodat de vordering wordt toegewezen. De dwangsom wordt ex. Artikel 611a Rv toegewezen, maar gemaximeerd ex. Artikel 611b Rv. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-599
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW
De werknemer is werkzaam als programmeur bij de werkgever. De werknemer zit in het kader van zijn werkzaamheden vrijwel de gehele dag achter zijn bureau. Wanneer de werknemer last krijgt van RSI stelt hij de werkgever aansprakelijk voor de geleden schade, omdat de werkplek niet voldeed aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Zo was het bureau van de werknemer te laag en voldeed de stoel niet aan de NEN-normen. Het Hof oordeelt dat de overtreding van het Besluit Beeldschermwerk ervoor zorgt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. Het is aan de werkgever om te bewijzen dat er geen causaal verband bestaat tussen de schending van de zorgplicht en de geleden schade. De zaak wordt aangehouden om de werkgever in de gelegenheid te stellen aan zijn bewijsplicht te voldoen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-393
Second opinion; uitleg cao . Art. 7:629a BW
De werknemer is als buschaffeur werkzaam voor de werkgever. Hij valt uit met rugklachten. Nadat hij door zowel de bedrijfsarts als de deskundige van het UWV weer arbeidsgeschikt is verklaard, meldt de werknemer zich toch opnieuw ziek, stellende dat het oordeel van de deskundige onjuist is. De werkgever staakt hierop de loondoorbetaling. Het Hof oordeelt dat de deskundige van het UWV een onafhankelijke deskundige is en dat diens oordeel niet zonder meer doorslaggevend is, maar dat de werknemer wel met goede argumenten moet komen waarom het oordeel onjuist is. Dat is in casu niet gebeurd en dus faalt het beroep van de werknemer.
Voorts stelt de werknemer dat zijn gewerkte overuren niet in de ‘tijd-voor-tijd-regeling’ uit de cao vallen, omdat die regeling slechts bedoeld zou zijn voor werken tijdens rustdagen en niet voor regulier overwerk. Het Hof oordeelt dat uitleg van de cao meebrengt dat ook overuren in de tijd-voor-tijd-regeling vallen. Het is niet aannemelijk dat zowel uren boven de normale werkweek van 40 uur als uren die minder gewerkt zijn, voor rekening van de werkgever zouden moeten komen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-394
Niet volgen protocol rechtvaardigt ontslag op staande voet vooralsnog niet. Art. 7:678 BW
In kort geding beoordeelt het Hof een ontslag op staande voet dat is gegeven omdat een werknemer meerdere malen het protocol van de werkgever niet heeft gevolgd. In kort geding dient beoordeeld te worden of voorshands voldoende aannemelijk is dat het ontslag op staande voet in een (eventuele) bodemprocedure zal standhouden. Hiertoe dient de opgegeven dringende redenen te worden beoordeeld. Het Hof stelt voorop dat, gelet op de ingrijpende gevolgen van een ontslag op staande voet voor de werknemer, de daarvoor door de werkgever opgegeven reden zodanig dringend moet zijn, dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst nog langer laat voortduren. Een dringende reden voor de werkgever bestaat ex. artikel 7:678 BW in ‘daden, eigenschappen of gedragingen’ van de werknemer die tengevolge hebben dat ‘van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren’. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. In casu is het Hof van oordeel dat thans niet voldoende aannemelijk is dat de rechter aan wie de onderhavige vordering in een bodemgeschil wordt voorgelegd, tot het oordeel zal komen dat de opgegeven dringende redenen het ontslag op staande voet kunnen dragen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-307
Beëindigingsovereenkomst uitgelegd op basis van Haviltex-criterium. Art. 7:653 BW, 7:900 BW
Tussen partijen is na beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een beëindigingsovereenkomst een geschil ontstaan over de geldigheid van het concurrentiebeding en over de uitleg van de beëindigingsovereenkomst. De werknemer heeft onder meer een verbod gevorderd voor de werkgevers om boetes op te leggen dan wel een schadevergoeding te eisen in verband met het overtreden van het concurrentiebeding. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. De werkgever handhaaft haar standpunt dat zij bij het sluiten van de beëindigingovereenkomst niet de intentie heeft gehad afstand te doen van het concurrentiebeding en de werknemer heeft dit ook niet zo mogen begrijpen. Het Hof oordeelt dat van belang is wat de inhoud en strekking is van de bepalingen in de beëindigingsovereenkomst. Deze uitleg moet plaatsvinden met inachtneming van de regel dat, hoewel de tekst van de overeenkomst een eerste aanknopingspunt is, waarbij de aard van de vaststellingsovereenkomst al meebrengt dat groot gewicht moet worden toegekend aan de bewoordingen daarvan, het uiteindelijk gaat om datgene wat partijen hebben bedoeld en wat zij over en weer omtrent elkaars bedoelingen redelijkerwijze hebben mogen begrijpen. Op basis van dit uitgangspunt bekrachtigt het Hof het vonnis van de Rechtbank. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-304
Eenzijdige wijziging werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering toegestaan. Art. 7:613 BW
Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet in werking getreden. Tot de invoering van deze wet vergoedde de werkgever aan haar werknemers, partners en kinderen de volledige premie voor de ziektekosten. Per voornoemde datum wijzigde de werkgever deze regeling eenzijdig. De vakbond heeft in eerste aanleg onverkorte toepassing van de regeling zoals die luidde vóór 1 januari 2006 gevorderd voor alle werknemers, vanaf 1 januari 2006 zolang die niet geldig is gewijzigd. De kantonrechter heeft die vordering van CNV afgewezen wegens gebrek aan belang. Het Hof bekrachtigt het vonnis ook omdat de vakbond de regeling die geldt voor de inhouding door de werkgever van de verschuldigde wettelijke premies onjuist heeft geïnterpreteerd en de wijziging is toegestaan. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-305
Bevrijdende betaling van loon aan vader werknemer. Art. 150 BRv
De werkgever en werknemer twisten over de vraag of de werkgever bevrijdend loon van de werknemer heeft betaald aan de vader van de werknemer. Het Hof wijst een tussenarrest en oordeelt dat nu de werkgever zich beroept op een rechtsgevolg van haar stelling dat zij bevrijdend heeft betaald aan de vader die als gemachtigde optrad, en deze stelling door de werknemer is gemotiveerd betwist, op de werkgever de bewijslast van haar stelling rust. Gezien de gemotiveerde betwisting dient de werkgever naar het oordeel van het Hof haar stelling te bewijzen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-286
Ontslag op staande voet; feitencomplex voor dringende reden staat niet geheel vast. Art. 7:677 BW
De werknemer bestrijdt in hoger beroep het voorlopig oordeel van de Kantonrechter dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet op goede gronden is verleend. Het Hof stelt voorop dat bij vraag of het ontslag terecht is gegeven, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking dienen te worden genomen. Daarbij wordt beschouwd de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en de duur van de dienstbetrekking, de staat van dienst alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. De toetsing kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van wat feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten en omstandigheden. In het geding komt vast te staan dat datgene wat de werknemer is medegedeeld een dringende reden is die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat, als een aan de werknemer medegedeeld feitencomplex, na zijn betwisting, slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, het ontslag niettemin kan gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde, reden als (1) het gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, (2) de werkgever heeft gesteld en aannemelijk is dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen als hij daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en (c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest (HR 16 juni 2006, NJ 2006/340). Daarvan is, naar het voorlopig oordeel van het Hof, in het onderhavige geval sprake. Volgt bekrachtiging van het vonnis. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-285
Kwalificatievraag. Art. 7:610 BW
Aan de orde is de vraag of tussen partijen al dan niet sprake was van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter besliste dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst wegens het ontbreken van een gezagsverhouding. De ‘werknemer’ komt tegen dit oordeel op in hoger beroep. Het hof overweegt ten aanzien van de tussen partijen gesloten managementovereenkomst dat, hoewel deze niet door werknemer is ondertekend, partijen wel de bedoeling hadden om een managementovereenkomst aan te gaan. De overeenkomst bepaalt onder meer dat werknemer niet in loondienst is van werkgever en tussen partijen geen gezagsverhouding bestaat. Het hof concludeert uit deze feiten dat partijen niet de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Vervolgens gaat het hof in op de vraag of partijen een zodanige uitvoering aan de bestaande rechtsverhouding hebben gegeven, dat deze als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Vast staat dat er een managementfee in rekening werd gebracht door werknemer, wat niet zonder meer gelijk is te stellen met het betalen van loon. Ook was de cao niet op werknemer van toepassing en kon hij zelf zijn werktijden indelen. Volgens het hof is voorts niet gebleken van een gezagsverhouding, waardoor het hof tot de eindconclusie komt dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-288
Schending zorgplicht. Art. 7:658 BW
De werknemer vordert schadevergoeding van de werkgever wegens schending van de zorgplicht van art. 7:658 BW. De werknemer stelt daartoe dat hij tijdens of door de uitoefening van zijn werkzaamheden psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van een structurele overbelasting en grievende bejegening door de werkgever. Ten aanzien van de structurele overbelasting wijst de werknemer met name op overmatig overwerk. De rechter oordeelt dat door werknemer niet zodanige feiten en omstandigheden zijn gesteld die tot de conclusie moeten leiden dat sprake was van structurele overbelasting. Ook ten aanzien van de grievende bejegening komt de rechter tot het oordeel dat dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De rechter oordeelt vervolgens dat, al zou sprake zijn geweest van structurele overbelasting of grievende bejegening, hier nog niet uit volgt dat het psychische letsel daardoor is veroorzaakt. Het hof wijst de vordering van werknemer af. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-287
Beëindigingovereenkomst. Art. 3:44 lid 4 BW
De werknemer werd beschuldigd van diefstal van goederen van de werkgever. De werkgever heeft hierop door haar advocaat een beëindigingovereenkomst op laten stellen en heeft deze ter ondertekening aangeboden aan de werknemer. Als de werknemer de overeenkomst niet zou tekenen, zou ontslag op staande voet volgen en aangifte bij de politie. De werknemer heeft slechts geringe tijd gekregen om over deze keuze na te denken, waardoor hij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om over de gevolgen van het al dan niet ondertekenen na te denken en eventueel juridisch advies in te winnen. Het hof is op grond van deze omstandigheden voor oordeel dat de overeenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en dat derhalve met succes een beroep op de vernietigbaarheid van deze overeenkomst is gedaan door de werknemer. De werkgever is als gevolg hiervan over de periode vanaf de beëindigingovereenkomst tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, loon verschuldigd. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-265
Geen ontbinding indien al opgezegd, onregelmatige opzegging. Art. 7:677, 7:685, 7:681, 3:13 BW, 6 BBA
De werkgever heeft een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV Werkbedrijf en heeft vervolgens toestemming gekregen om de arbeidsovereenkomst de werkneemster op te zeggen. In de tussentijd heeft werkneemster een verzoek tot ontbinding ingediend bij de kantonrechter. De behandeling van dit verzoek heeft plaatsgevonden nadat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. De werkneemster wordt door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek, omdat er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat tussen partijen. De werkneemster stelt echter dat het ontslag vernietigbaar is, omdat primair de geldende opzegtermijn niet in acht is genomen en subsidiair vanwege misbruik van de bevoegdheid van werkgever. De werkgever heeft volgens werkneemster onregelmatig opgezegd om haar ontbindingsverzoek te frustreren.
De rechter oordeelt dat er geen sprake is van een vernietigbaar ontslag, nu is opgezegd met toestemming van het UWV Werkbedrijf. Tevens is er volgens de rechter geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de werkgever, omdat de wet zelf voorziet in een sanctie voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn. Vanwege de gelaagde structuur dienen de artikelen 7:677 lid 2 jo. lid 4 en 7:681 BW voor te gaan op art. 3:13 BW. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-268
Uitleg art. 22 lid 2 WOR. Art. 22 lid 2 WOR
De eisende partij in deze zaak is benaderd door de OR van een onderneming om als deskundige diverse werkzaamheden te verrichten en de OR advies en ondersteuning te geven. De onderneming weigert echter te betalen voor de werkzaamheden van de eisende partij. De OR heeft de onderneming niet voor aanvang van de werkzaamheden op de hoogte gesteld van de kosten van de werkzaamheden, waardoor strikt genomen niet in overeenstemming met de WOR is gehandeld. De rechter oordeelt dat de onderneming desondanks niet aan de eisende partij kan tegenwerpen dat zij niet tijdig op de hoogte is gesteld van de te verwachten kosten. De omstandigheden die hierbij naar het oordeel van de rechter een rol spelen zijn onder andere dat de deskundige op korte termijn een advies moest uitbrengen, de onderneming wel wist van de inschakeling van de deskundige en tegen deze inschakeling geen bezwaar is gemaakt, dat na bekendmaking van de kosten ook hiertegen geen bezwaar is gemaakt en dat de onderneming onvoldoende heeft onderbouwd dat de kosten van de deskundige niet redelijk zouden zijn geweest. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-266
Geschil over arbeidstijden; ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 2 lid 6 WAA; 6:248; 7:685 BW
De werkgever en de werkneemster hebben een geschil over werkdagen en –tijden. De werkneemster wil graag 4x4 uur werken en de werkgever wil dat de werkneemster 2x8 uur werkt. De werkgever en de werkneemster hebben een afspraak gemaakt dat de werkneemster 2x8 uur zou gaan werken. Volgens de werkneemster moet de gemaakte afspraak worden getoetst aan de regeling van art. 2 lid 6 WAA. Volgens de kantonrechter is de norm van art. 2 lid 6 WAA niet van toepassing, omdat partijen reeds een afspraak hebben gemaakt. Of nakoming van die afspraak van de werkgever gevergd kan worden moet worden getoetst aan de norm van art. 6:248 lid 2 BW. Nu niet is gesteld of gebleken dat nakoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, heeft de werkgever het gelijk aan zijn zijde. De enorme weerstand van de werkneemster tegen deze werktijdenafspraak heeft gezorgd voor een verstoorde relatie, waardoor ontbinding van de arbeidsovereenkomst noodzakelijk is. Er wordt geen vergoeding toegekend. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-263