Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Dinsdag 26 januari 2010 - B7-10 712

Gerechtshof Arnhem 18 augustus 2009, BK8820

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW 
   
De werknemer is als statutair bestuurder werkzaam bij de werkgever als hij conform de afspraak in zijn arbeidsovereenkomst wordt ontslagen vanwege het feit dat hij twee jaar achter elkaar zijn targets niet haalt. De werknemer meent dat de afspraak was dat hij zeven jaar de tijd zou krijgen om de targets te halen en dat voorts het feit dat hij geen vergoeding heeft meegekregen het ontslag kennelijk onredelijk maakt. Voorts is de WOR niet nageleefd bij zijn ontslag. Het Hof oordeelt dat het enkele feit dat de WOR niet is nageleefd en dat geen vergoeding is meegegeven het ontslag niet kennelijk onredelijk maakt. Bovendien staat in de arbeidsovereenkomst dat de werknemer geen vergoeding meekrijgt wanneer hij wordt ontslagen omdat hij zijn targets niet haalt. Deze bepaling is volgens het Hof niet in strijd met art. 7:681 lid 4, dus volgt afwijzing van de vordering van de werknemer. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-41



Maandag 18 januari 2010 - B7-10 697

Rechtbank Amsterdam 13 augustus 2009, BJ8100

Adviesrecht OR. Art. 25 WOR 
   
De werkgever (Connexxion) wil de structuur van de onderneming aanpassen, maar heeft verzuimd hierover advies te vragen aan de OR. Wel is advies gevraagd aan de COR. De OR is echter van mening dat ook aan haar advies had moeten worden gevraagd en vordert opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit. De voorzieningenrechter oordeelt dat in casu de OR inderdaad een adviesecht ex art. 25 WOR toekomt en dat Connexxion eerst advies moet vragen alvorens de besluitvorming en de uitvoering daarvan door te zetten. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-28



Maandag 23 november 2009 - B7-10 569

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 augustus 2009, BK0617

Psychisch letsel als gevolg van overbelasting, beleid van werkgever nodig ter voorkoming van stelselmatige overbelasting. Art. 7:658 BW 
   
De vordering van de werknemer tot vergoeding van schade ontstaan door arbeidsongeschiktheid wijst de Kantonrechter in eerste aanleg af. De schade waarvan de werknemer vergoeding vordert, betreft psychisch letsel (een burn-out) als gevolg van overbelasting. Het Hof bespreekt de verdeling van bewijslast in dit soort zaken. Ten aanzien van de werkdruk oordeelt het Hof dat de werkgever in het geheel niet heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, hoe de op haar rustende zorgplicht, specifiek ten aanzien van de op de werknemer rustende werkdruk, vorm was gegeven. Het gaat immers niet aan de risico’s van een dergelijke min of meer permanente werkdruk geheel bij een werknemer te leggen zodanig dat pas wanneer deze klachten ontstaan, te reageren. Een deugdelijk beleid op dit punt dient erop gericht te zijn juist te voorkomen dat een werknemer door stelselmatige overbelasting klachten gaat ontwikkelen. Het Hof wijst een tussenarrest zodat de werknemer zich kan uitlaten over het gevorderde schadebedrag. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-505



Maandag 09 november 2009 - B7-10 547

Gerechtshof 's-Gravenhage 18 augustus 2009, BK1471

Pensioenrecht; verplichting deelname in bedrijfstakpensioenfonds en andere bedrijfstakfondsen; stelplicht en bewijslast. Art. 2 lid 1 Wet BPF 2000 
   
Pensioen-, opleidings-, sociaal en schadeverzekeringsfonds stellen zich op het standpunt dat geïntimeerde als werkgever valt onder de werkingssfeer van de verplichtstellingsbeschikking (voor Pensioenfonds) respectievelijk de avv's (voor Opleidingsfonds, Sociaal Fonds en Schade) vallen. Zij vorderen o.a. een verklaring voor recht dat geïntimeerde onder die reikwijdte valt, alsmede en veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een nader vast te stellen betalingsachterstand. Na bewijslevering heeft de kantonrechter de fondsen niet geslaagd geacht in het bewijs dat de werknemers van geïntimeerde vielen onder de verplichtstellingsbeschikking c.q. de avv's en heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof ziet geen reden om met betrekking tot de uitleg van de verplichtstellingsbeschikking en de avv's gewicht toe te kennen aan de indeling van geïntimeerde voor de wettelijke sociale werknemersverzekeringen. Voorts acht het hof de feitelijke toepassing van enige bedrijfstakregeling zoals deze heeft plaatsgevonden, dan wel is gewijzigd, in de periode voorafgaand aan die welke in de onderhavige procedure aan de orde is, niet van doorslaggevend belang. Geïntimeerde is een uitleen/detacheringsbedrijf; of diens werknemers binnen de werkingsfeer van de verplichtstelling en de avv’s vallen, beoordeelt het hof aan de hand van waar werknemers feitelijk werkzaam zijn. Stelplicht en bewijslast ter zake plaats werkzaamheden werknemers berust niet bij geïntimeerde. Bij gebreke van onderbouwing van de grondslag van de vorderingen van de fondsen wijst het hof deze af. Lees hier de uitspraak

JWBRechtspraak 2009-495



Maandag 09 november 2009 - B7-10 546

Gerechtshof 's-Gravenhage 18 augustus 2009, BK1474

Pensioenrecht; uitleg beschikking; reikwijdte verplichtstellingsbeschikking op grond Wet BPF.  Art. 2 lid 1 Wet BPF 2000 
   
In geding is of appellante als werkgever verplicht is zich, op grond van een beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken, aan te sluiten bij de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven (Bpf) en deswege voor zijn werknemers pensioenpremies aan Bpf af te dragen. Appellante houdt zich bezig met de productie en groothandel in bedden, lattenbodems, kussens en aanverwante artikelen op het gebied van slaapcomfort. 

Bpf stelt zich op het standpunt dat de onderneming van appellante in 2003 en 2004 onder de werkingssfeer van de verplichtstellingsbeschikking valt en heeft premienota’s verzonden en, nadat deze niet werden voldaan, een aan appellante een dwangbevel betekend. De kantonrechter heeft appellantes verzet tegen dat dwangbevel ongegrond verklaard en het dwangbevel bekrachtigd.

Naar ’s hofs oordeel houdt appellant zich vanaf november 2003 niet uitsluitend of in de hoofdzaak bezig met productie in de zin van de verplichtstellingsbeschikking. Bij uitleg van de beschikking gaat het hof uit van de ‘CAO-maatstaf’. Geen beoordeling op basis gegevens op jaarbasis, maar op maandbasis. Het dwangbevel kan naar ’s hofs oordeel niet in stand blijven en zal, evenals het vonnis van de kantonrechter, worden vernietigd. Het hof gelast comparitie van partijen en houdt iedere verdere beslissing aan. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-494



Vrijdag 06 november 2009 - B7-10 543

Rechtbank Zwolle 21 augustus 2009, BK0852

Proeftijd; schriftelijkheidsvereiste; bepaalde tijd contract. Art. 7:652 en 7:668 BW 
   
De werknemer is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij werkgever A en verrichte in opdracht van werkgever A ook werkzaamheden voor werkgever B. Na afloop van de arbeidsovereenkomst wordt besloten dat de werknemer in dienst treedt bij werkgever B, waarna ook voor een dag in de week werkzaamheden voor werkgever A worden verricht. In de arbeidsovereenkomst met werkgever B wordt een proeftijd opgenomen en in deze proeftijd wordt de werknemer ontslagen. De werknemer beroept zich op (I) stilzwijgende voortzetting van het dienstverband bij werkgever A en (II) op de wederzijdse kennismaking uit het arrest Dingler/Merkelbach bij werkgever B. De kantonrechter oordeelt dat nu een contract is gesloten met werkgever B niet kan worden gesproken van stilzwijgende voortzetting bij werkgever A. Ook het tweede verweer jegens werkgever B gaat niet op, omdat de functie wezenlijk verschilt van de werkzaamheden die de werknemer eerder voor werkgever B heeft uitgevoerd. De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2009-479



Maandag 19 oktober 2009 - B7-10 517

Rechtbank Almelo 25 augustus 2009, BJ9333

Werkgeversaansprakelijkheid; verjaring. Art. 7:658 BW, 3:310 BW 
   
De werknemer is in zijn werkzame leven blootgesteld aan asbest. Na ruim 30 jaar manifesteert zich deze blootstelling aan asbest in mesothelioom. De werknemer overlijdt kort daarna. Thans trachten de erven van de werknemer de beweerdelijk opvolger van de werkgever, Permess, aan te spreken. Permess verweert zich door te stellen dat hij niet de opvolger is van de werkgever, ondanks dat hij in hetzelfde pand is gevestigd. Bovendien zou de vordering zijn verjaard. De kantonrechter oordeelt dat Permess inderdaad niet kan worden gezien als rechtsopvolger van de voormalig werkgever. Bovendien is de vordering verjaard, omdat de (erven van) de werknemer te lang heeft gewacht met het starten van de juridische procedure na de constatering van mesothelioom. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-460 



Maandag 12 oktober 2009 - B7-10 507

Rechtbank Arnhem 5 augustus 2009, BJ9022

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever heeft van het UWV WERKbedrijf een ontslagvergunning gekregen en de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn. Vervolgens heeft de werkgever een tweede opzegging gedaan zonder inachtneming van de opzegtermijn, om te voorkomen dat de werknemer een ontbindingsverzoek zou indienen gedurende de opzegtermijn van de eerste opzegging. De werknemer dient vervolgens een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in, ten einde een vergoeding te realiseren. De werkgever bepleit niet-ontvankelijkheid wegens het feit dat de arbeidsovereenkomst door de tweede opzegging reeds is geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de tweede opzegging niet rechtsgeldig is en de werknemer dus wel ontvankelijk is. De werknemer heeft echter het verzoek slechts ingediend om een vergoeding te krijgen. Deze omstandigheid levert nog geen verandering in de omstandigheden op, dus wordt het ontbindingsverzoek afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-444



Woensdag 07 oktober 2009 - B7-10 499

Rechtbank Amsterdam 25 augustus 2009, BJ8579

Ontbindingsverzoek voor pas gepromoveerde werknemer toegewezen, C=1,75. Art. 7:685 BW 
   
Partijen verkeren in een patstelling verkeren: de werkgever wil hoe dan ook niet meer tewerk stellen, omdat de werknemer daartoe niet de geschikte persoon zou zijn. De werknemer wil zijn functie blijven vervullen omdat niet gebleken is dat hij niet geschikt is voor die functie. De Kantonrechter oordeelt dat voor het op een goede wijze kunnen uitoefenen van de functie, die op het niveau ligt van lid van het Managementteam, is het genieten van vertrouwen van de betreffende functionaris door de leiding van het concern onmisbaar. Dat vertrouwen ontbreekt bij de werkgever. Reeds om die reden is voortzetting van het dienstverband niet goed mogelijk. Een dergelijke voortzetting levert voor de werknemer bovendien het probleem op dat inmiddels een nieuwe medewerker in de functie van de werknemer is aangesteld. Partijen kunnen ook geen overeenstemming verkrijgen over het gaan vervullen van een andere functie. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden. Voor van de vraag of en welke vergoeding hierbij aan de werknemer moet worden toegekend, is van belang aan wie deze situatie te verwijten is, dan wel in wiens risicosfeer deze ligt. De Kantonrechter oordeelt daarover dat zonder deugdelijke grond het vertrouwen in de werknemer is opgezegd. Mede gezien de houding van de werkgever stelt de Kantonrechter de vergoeding vast met de correctiefactor C=1,75. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-438 



Dinsdag 06 oktober 2009 - B7-10 498

Rechtbank Maastricht 19 augustus 2009, BJ8247

Loondoorbetaling tijdens ziekte. Art. 7:629 BW 
   
De werkgever is gehouden het loon van de werknemer die valt onder de CAO voor de thuiszorg door te betalen tijdens diens ziekte. De werknemer ontvangt daarnaast een WW-uitkering, welke door de werkgever in mindering is gebracht op de loondoorbetaling. De werknemer stelt dat de WW-uitkering ten onrechte is uitgekeerd en dat de werkgever deze uitkering daarom niet in mindering had mogen brengen. De werkgever stelt dat een te laag bedrag aan WW-uitkering in mindering is gebracht en dat de werknemer het teveel betaalde moet terugstorten aan de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat het UWV nog geen herzieningsbesluit heeft genomen over de WW-uitkering en dat daarom niet vaststaat dat deze uitkering ten onrechte is verstrekt. De vordering van de werknemer wordt daarom afgewezen. De vordering van de werkgever wordt eveneens afgewezen, omdat de werknemer in de onderhavige complexe situatie niet had kunnen weten dat hij teveel loon kreeg. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-433



Dinsdag 06 oktober 2009 - B7-10 497

Rechtbank Amsterdam 18 augustus 2009, BJ8560

Bevoegdheid Nederlandse rechtbank inzake verzoek tegen Braziliaanse vennootschap met Nederlandse vestiging, vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW, artikel 18 EEX-Vo 
   
Een 53-jarige in Brazilië wonende Portugees vordert van de Nederlandse werkgever een schadevergoeding vanwege een kennelijk onredelijk ontslag. De werknemer baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van het geschil met TNT Brasil primair op artikel 18 lid 2 EEX-Vo en subsidiair op artikel 6 lid 1 EEX-Vo. De Kantonrechter stelt voorop, dat de EEX-Vo aan de bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst een specifieke afdeling heeft gewijd; afdeling 5 van hoofdstuk II (artikel 18 t/m artikel 21 EEX-Vo). Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in het arrest van 22 mei 2008, Glaxosmithkline vs Rouard, beslist dat toepassing van afdeling 5 van hoofdstuk II van de EEG-Vo het beroep op artikel 6 lid 1 EEX-Vo uitsluit. De Kantonrechter heeft derhalve na te gaan of de bevoegdheid van de kantonrechter kan worden gegrond op artikel 18 lid 2 van de EEX-Vo. Gezien de concernverhoudingen van de werkgever is de Kantonrechter van oordeel dat de Nederlandse vennootschap, niet als een vestiging van de Braziliaanse verweerder is te beschouwen. Dit leidt er toe dat de Kantonrechter zijn bevoegdheid ten aanzien van het geschil tussen de werkgever en TNT Brasil niet kan baseren op artikel 18 lid 2 EEX-Vo. Die bevoegdheid kan ook niet op enige andere bepaling in het EEX-Vo worden gebaseerd, zodat de Kantonrechter zich in het geschil onbevoegd verklaard. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-439



Dinsdag 06 oktober 2009 - B7-10 496

Rechtbank Arnhem 11 augustus 2009, BJ8094

Opzegging; wederindiensttredingsvoorwaarde. Art. 4:5 Ontslagbesluit; 9 BBA; 7:628 BW 
   
De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer rechtsgeldig opgezegd na toestemming van het UWV WERKbedrijf. Aan de toestemming van het UWV WERKbedrijf was een wederindiensttredingsvoorwaarde verbonden. Na de opzegging van de arbeidsovereenkomst van de werknemer trekt de werkgever toch een zelfstandige aan om de werkzaamheden van de werknemer over te nemen. De werknemer beroept zich vervolgens op de vernietigbaarheid van de opzegging. De kantonrechter oordeelt dat nu de werkgever in strijd heeft gehandeld met de wederindiensttredingsvoorwaarde sprake is van een vernietigbare opzegging. De vordering tot wederindiensttreding van de werknemer wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-429



Woensdag 30 september 2009 - B7-10 488

Gerechtshof ’s Gravenhage 18 augustus 2009, BJ5643

Baijingsleer: contractuele afvloeiingsregeling. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever en de werknemer zijn bij aangaan van de arbeidsovereenkomst een contractuele opzegtermijn van 12 maanden overeengekomen. De werkgever besluit de arbeidsovereenkomst echter niet op te zeggen, maar te laten ontbinden. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding van 12 maandsalarissen, waarbij wordt aangehaakt bij de overeengekomen opzegtermijn. De werknemer ziet echter de contractuele opzegtermijn als een soort afvloeiingsregeling en vordert nakoming in een afzonderlijke procedure. Het Hof oordeelt dat een contractuele opzegtermijn niet gelijk staat aan een afvloeiingsregeling en dat de werknemer dus niet in een nieuwe procedure nakoming van de opzegtermijn kan vorderen.  Lees hier de uitspraak

JWB Rechtspraak 2009-424



Donderdag 24 september 2009 - B7-10 480

Rechtbank Haarlem 31 augustus 2009, BJ7385

Dringende reden voor ontslag op staande voet kan ook een gedraging zijn die de werknemer niet te verwijten is. Art. 7:677 BW 
   
De werknemer, een piloot is op staande voet ontslagen na misdragingen tijdens een 'stop over'. De werknemer vordert in kort geding doorbetaling van loon en wedertewerkstelling. De werknemer stelt dat zijn gedrag hem niet kan worden verweten, omdat het zich heeft voorgedaan onder invloed van een (eerst op een later tijdstip gediagnosticeerde) bipolaire stoornis. De Kantonrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de werknemer van de gedraging geen verwijt valt te maken, niet zonder meer voldoende is om een ontslag op staande voet wegens die gedraging te blokkeren. Ook zonder verwijtbaarheid kan een gedraging van de werknemer dus een dringende ontslagreden opleveren, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. De Kantonrechter is van oordeel dat het gedrag de werknemer niet kan worden verweten, omdat hij heeft gehandeld onder invloed van een psychische stoornis die zijn gedrag zodanig heeft bepaald dat hij daar zelf geen normale kijk op heeft gehad. Ook levert het gedrag geen dringende reden voor ontslag op staande voet op, omdat de werknemer op het moment dat het gedrag zich voordeed, nog niet kon weten dat hij aan een ernstige psychische stoornis leed. De loonvordering wordt toegewezen, de wedertewerkstellingsvordering wordt gezien de wettelijke functie-eisen afgewezen. Lees hier de uitspraak. 

JWB Rechtspraak 2009-416



Woensdag 23 september 2009 - B7-10 479

Rechtbank Haarlem 28 augustus 2009, BJ7378

Ontbinding op eigen verzoek werknemer toegewezen C=2. Art. 7:685 BW 
   
De werknemer verzoekt de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst omdat de werkgever toezeggingen die zijn gedaan bij aanvang van het dienstverband niet worden nagekomen. Ook de werkgever verzoekt de ontbinding. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De Kantonrechter kent op verzoek van de werknemer een vergoeding toe. Dit omdat de werkgever haar toezeggingen niet is nagekomen en een handelen als goed werkgever de Kantonrechter in de omstandigheden niet kan zien. Net zomin als in het indienen van een verzoek om een ontslagvergunning zonder gelijktijdige mededeling daarvan aan de werknemer. Ook de mededeling van de gemachtigde van de werkgever ter zitting dat zodra de ontslagvergunning ontvangen is, de werkgever de arbeidsovereenkomst zal opzeggen zonder daarbij de opzegtermijn in acht te nemen, valt niet te rijmen met het begrip goed werkgeverschap. De vergoeding wordt vastgesteld op basis van correctiefactor 2. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-417