Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is 63 jaar oud en ruim 33 jaar in dienst van de werkgever wanneer zijn arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen wordt opgezegd. De werkgever biedt een WW-suppletie aan, maar dat vindt de werknemer te weinig en wijst dit af. De werknemer vordert thans een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op grond van het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is. De aangeboden vergoeding van de WW-suppletie wordt echter toereikend geacht als schadevergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-190
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer heeft zich bij een overgang van onderneming expliciet en uitdrukkelijk verzet tegen het mee overgaan naar de verkrijger. Na de overgang van onderneming verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu het uitdrukkelijk verzetten tegen het mee overgaan bij de overgang van onderneming ertoe heeft geleid dat geen arbeidsovereenkomst met de verkrijger tot stand is gekomen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-347
Loonvordering; kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:629; 7:681 BW
De werknemer is arbeidsongeschikt geworden en heeft in het kader van re-integratie passende arbeid verricht, maar is opnieuw uitgevallen wegens ziekte. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de wachttijd opgezegd. De werknemer vordert loondoorbetaling, omdat hij van mening is dat de passende arbeid inmiddels de bedongen arbeid was geworden en dat zijn uitval wegens arbeidsongeschiktheid daarom onder 7:629 BW zou moeten vallen. Het hof wijst deze vordering van de werknemer af, omdat niet is gebleken dat de werknemer zich bereid heeft verklaard deze ‘bedongen arbeid’ te verrichten, hetgeen volgens vaste jurisprudentie (HR 8 november 1985, NJ 1986/309) vereist is. Daarnaast vordert de werknemer een vergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag. Deze vordering wordt door het hof toegewezen, omdat van de zijde van de werkgever te lange tijd niets is ondernomen in het kader van de re-integratie. Het hof kent een vergoeding toe op grond van de k.o.o-formule met een c-factor van 0,5. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-193
Pensioen/vut; uitleg overeenkomst; redelijkheid. Art. 3:35 BW
Deelnemer in verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds ontvangt op zijn verzoek een opgave van pensioenaanspraken. Deze opgave vermeldde een twee maal te hoog uitkeringsbedrag. Dat bedrag keerde het fonds twee jaar uit en stelde het daarna naar beneden bij. De deelnemer vordert voortzetting van betaling van het hogere uitkeringsbedrag.
Zowel de kantonrechter als het hof wezen de vordering af. De deelnemer wist, althans had moeten naar het oordeel van het hof moeten weten, dat de opgave in het formulier te hoog was zodat hij aan die opgave geen rechten kon ontlenen. Zijn aanspraken worden naar het oordeel van het hof uitsluitend bepaald door het reglement. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-186
Eenzijdige functiewijziging. Art. 7:613 BW; 7:611 BW
De werknemer is in dienst getreden bij de werkgever in de functie van verkoopleider. In de arbeidsovereenkomst is geen eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. Na een aantal maanden zet de werkgever de werknemer uit zijn functie biedt hem een lagere functie aan. De werknemer vordert tewerkstelling in zijn oude functie. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever voorbarig heeft gehandeld door de werknemer onvoldoende kansen heeft gehad zich te bewijzen in zijn oorspronkelijke functie als verkoopleider. De vordering van de werknemer wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-145
Vergoeding kennelijk onredelijk ontslag gebaseerd op inkomensderving in plaats van Kantonrechtersformule. Art.7:680 BW
De werkgever heeft een ontslagvergunning gekregen vanwege de bedrijfseconomische omstandigheden. Anders dan de werknemer, oordeelt de Kantonrechter dat de opzegging op een geldige grond is gedaan. Evenwel is het ontslag kennelijk onredelijk. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding, oordeelt de Kantonrechter enerzijds dat de werkgever niet te verwijten is dat zij niet heeft bemiddeld bij het vinden van ander werk en wordt er van uitgegaan dat de werknemer op termijn weer werk kan vinden. Anderzijds ondervindt hij nu gevolgen van de opzegging in de vorm van een inkomensachteruitgang, waarvoor hij niet voldoende is gecompenseerd. Dat geeft redenen voor een schadevergoeding. Voor de bepaling daarvan wordt niet aangesloten bij de Kantonrechterformule, die in een ander wettelijk kader is opgesteld en die een forfaitair karakter heeft. Wel wordt rekening gehouden met de directe inkomstenderving van eiser gedurende (ruim) 1,5 jaar. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-105
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
Gedurende ziekte van de werkneemster komt haar functie te vervallen vanwege een reorganisatie. Wanneer de werkneemster hersteld is verklaard worden haar drie alternatieve functies aangeboden, welke door werkneemster worden geweigerd omdat het functies op een lager niveau betreft. De werkneemster verschijnt vervolgens niet meer op haar werk en meldt zich opnieuw ziek. De werkgever verzoekt hierop ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter concludeert dat de ontstane verhouding meebrengt dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. De oorzaak van het conflict is volgens de kantonrechter gelegen in een verschillende visie over wat als passende arbeid moet worden aangemerkt. De werkgever heeft onvoldoende uitgelegd waarom de functie van de werkneemster was komen te vervallen en de werkneemster had zich welwillender en realistischer moeten opstellen. Beide partijen valt dus een verwijt te maken, hetgeen tot uitdrukking wordt gebracht in de vergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-74
Kennelijk onredelijk ontslag mede vanwege niet van toepassing verklaring van geldend Sociaal Plan. Art. 7:681 BW
De 80 – 100% arbeidsongeschikte werknemer komt in beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter waarin zijn vordering wegens een kennelijk onredelijk ontslag is afgewezen. In beroep baseert de werknemer zijn vordering op het gevolgencriterium omdat hij stelt dat zijn definitieve uitval wegens rugklachten, uiteindelijk is terug te voeren op een bedrijfsongeval. Het Hof stelt onder verwijzing naar NJ 2008,111 voorop dat de rechter vanwege het gevolgencriterium alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking dient te nemen. Het Hof verwijst ook naar zijn op 14 oktober 2008 gewezen arresten; LJN BF7002, BF6720, BF6790, BF6960, BF7077, BF8122 en BF8136. In deze arresten wordt overwogen dat het Hof voortaan zal uitgaan van, kort gezegd, de uitkomst van de Kantonrechtersformule min 30%. Het Hof zal in deze zaak overeenkomstig de rov. 5.2 en 5.3. van het eerst genoemd arrest recht doen. Het Hof komt tot het eindoordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is waarbij tevens wordt geoordeeld dat ten onrechte niet het geldende Sociale Plan van toepassing is verklaard. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-53
Concurrentiebeding niet zwaarder gaan drukken na functiewijziging. Art. 7:653 BW
De werkgever vordert in kort geding nakoming van het concurrentiebeding dat geldt tussen hem en de werknemer. De werknemer stelt zich op het standpunt dat het concurrentiebeding zijn gelding heeft verloren, nu zijn functie een zodanig ingrijpende wijziging heeft ondergaan dat dit beding aanmerkelijk zwaarder op hem is gaan drukken. De Voorzieningenrechter stelt voorop dat een concurrentiebeding opnieuw schriftelijk moet worden overeengekomen als er sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging in de arbeidsverhouding dat dit concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. De Rechtbank is van oordeelt dat er wellicht een lichte accentverschuiving in de invulling van de werkzaamheden is opgetreden, maar niet zodanig dat voldaan is aan de voormelde eis van ingrijpendheid. Vervolgens dient de Rechtbank te beoordelen of de werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden. Volgens de Rechtbank is dat het geval zodat de vordering van de werkgever wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-50
Kennelijk onredelijk ontslag geen toepassing Kantonrechtersformule. Art. 7:681 BW
De werknemer is in beroep gekomen van het vonnis van de Kantonrechter waarin zijn vordering tot schadevergoeding na zijn ontslag is afgewezen. De werknemer meent dat zijn ontslag kennelijk onredelijk is omdat de werkgever hem geen enkele compensatie heeft verleend en zij tekort is geschoten in haar reintegratieverplichtingen. De werknemer heeft zijn vordering gebaseerd op de Kantonrechtersformule (C=1,5). Anders dan de Kantonrechter, oordeelt het Hof dat de werkgever niet correct is omgegaan met de arbeidsongeschiktheid waardoor het ontslag zonder toekenning van enige vergoeding wel kennelijk onredelijk is. Het Hof ziet, daargelaten of de Kantonrechtersformule maatstaf dient te zijn bij de vaststelling van schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag, in de omstandigheid dat de schade van werknemer uiteindelijk niet het gevolg is van het ontslag maar van de arbeidsongeschiktheid, reden een vergoeding toe te kennen die aanmerkelijk lager is dan het door hem gevorderde bedrag. Het Hof acht, gelet op hetgeen is overwogen over de duur van het dienstverband, het functioneren van de werknemer en de houding van de werkgever, een lagere schadevergoeding op haar plaats. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-40
Bewijslast bij werkgever als deze betwist dat werknemer arbeidsgeschikt is. Artikelen: Art. 7:629BW, 7:629a BW
Werknemer en werkgever zijn ex-echtgenoten. Nadat de werknemer ziek is geworden en haar verzoek om een WIA-uitkering is afgewezen, vordert zij wedertewerkstelling en loondoorbetaling. De werkgever richt een grief tegen het oordeel van de Kantonrechter dat als de werknemer stelt arbeidsgeschikt te zijn terwijl de werkgever de geschiktheid betwist, de visie van de werknemer als uitgangspunt geldt en de bewijslast voor de betwisting dat de werknemer in een dergelijk geval niet tot werken in staat is, bij de werkgever rust. Het Hof acht onder verwijzing naar diverse arresten, deze grief ongegrond. De werkgever’s grief tegen het oordeel dat de werknemer voor haar loonvordering een deskundigenoordeel had moeten overleggen, treft eveneens geen doel omdat het Hof de door de Kantonrechter gegeven uitleg van artikel 7:629a BW onderschrijft. De verplichting van de werknemer om een second opinion te overleggen heeft betrekking op de vorderingen ex. artikel 7:629 BW. De onderhavige situatie is daarvan veeleer een spiegelbeeld, waarbij de bewijslast op de werkgever ligt. De loonvordering wordt toegewezen, de wedertewerkstelling afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-39
Ontbindingsverzoek afgewezen, Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt de ontbinding van een arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden, zijnde schending van de gedragsregels. De Kantonrechter is van oordeel dat uit niets blijkt dat de werknemer disloyaal is geweest aan een besluit van de werkgever. Het is niet gezagondermijnend geweest van de werknemer om een notitie te versturen met zijn voorstellen ten aanzien van een door werkgever voorgenomen reorganisatie. Evenmin is gebleken dat werknemer in voorafgaande jaren zijn positie in de organisatie van werkgever zodanig heeft miskend, dat hij daarmee afwijkend gedrag heeft getoond. Het ontbindingsverzoek wordt daarom afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-32
Uitleg van een CAO-bepaling; zoeken naar de meest zinnige uitleg
Partijen verschillen van mening over de uitleg van een CAO-bepaling over de financiële aanvulling in geval van arbeidsongeschiktheid. De Kantonrechter overweegt dat nu een toelichting op de CAO ontbreekt, het bij de uitleg aankomt op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de betreffende bepaling is gesteld. Bij deze uitleg kan dan onder meer acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. In casu oordeelt de Rechtbank dat bij de taalkundige ongewisheid die de CAO-bepaling aankleeft, gezocht moet worden naar de meest zinnige strekking van de bepaling. Anders dan de werkgever ziet de Kantonrechter geen goede grond voor de conclusie dat de duur en de omvang van de WAO-aanvulling afhankelijk zou zijn van het tijdstip van de beeindiging van de arbeidsovereenkomst. Er is geen enkele grond waarom een CAO geen regelingen zou kunnen bevatten die betrekking hebben op de periode na afloop van een arbeidsovereenkomst. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-29
Niet meewerken reïntegratieverplichtingen geen grond voor stopzetten salaris nu de werknemer niet geschikt was werk te verrichten. Art. 7:629 lid 3 sub c BW, 7:660A, artikel 7:658 BW
De werkgever heeft de salarisbetaling van de zieke medewerker gestopt die volgens de werkgever niet meewerkt aan de reïntegratie ex. artikel 7:629 lid 3 sub c BW. In deze bepaling staat dat een werknemer geen recht heeft op loon gedurende de tijd dat hij hoewel daartoe in staat, zonder deugdelijke grond weigert passende arbeid te verrichten ex. artikel 7:658a BW. Daarom is volgens de Kantonrechter niet de vraag aan de orde of de werknemer heeft voldaan aan haar reïntegratieverplichtingen maar is de vraag aan de orde of zij op de dag dat zij volgens het plan van aanpak weer zou gaan werken, geschikt was om werk te verrichtten. De Kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval was zodat de werknemer recht had op loon. Ook is er geen strijdigheid met artikel 7:660a BW nu niet is gebleken dat enig redelijk voorschrift ex. artikel 658a lid 2 niet is opgevolgd. De enkele instructie om te verschijnen is niet voldoende, zeker niet als daar direct de sanctie van art. 7:629 lid 3 BW aan wordt verbonden. Aan de vraag of de werknemer passende arbeid is aangeboden kan niet worden toegekomen, nu zij niet in staat was om passende arbeid te verrichten. Volgt toewijzing van de loonvordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-34
Ontbindingsverzoek. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt de ontbinding van een arbeidsovereenkomst op grond van frequent ziekteverzuim. De Kantonrechter wijst het verzoek af omdat de werknemer al lang ziek is en er daarom sprake is van reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte zodat alleen op grond van bijzondere omstandigheden het verzoek kan worden toegewezen. In casu zijn deze omstandigheden niet aangetoond, waarbij als uitgangspunt geldt dat de werkgever als de reden frequent ziektverzuim is, tenminste aan dezelfde voorwaarden moet voldoen, die gelden in een CWI procedure, te weten aannemelijk maken dat er sprake is van een verstoring van het productieproces, onevenredige zware belasting van collega’s, er binnen 26 weken geen normaal ziektepatroon wordt verwacht en er geen passende arbeid binnen de onderneming aanwezig is. Naar het oordeel van de Kantonrechter is er geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. Opgemerkt wordt dat gezien de grootte van het bedrijf, in geval van een verstoorde arbeidsverhouding op de afdeling waar werknemer werkt, het mogelijk zou moeten zijn de werknemer te plaatsen op een andere werkplek. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-24