Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Maandag 02 augustus 2010 - B7-10 1039

Hof Den Haag 22 december 2009, BN1982

Werkgeversaansprakelijkheid. Artikelen: Art. 7:658 BW 

De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade opgelopen en is kort daarna ontslagen. Sindsdien zit de werknemer thuis. Thans stelt de werknemer zijn voormalig werkgever aansprakelijk voor de geleden schade. De werkgever stelt dat de werknemer onvoldoende zijn schade heeft beperkt door niet te solliciteren of anderszins te re-integreren. Het Hof oordeelt dat de werknemer inderdaad in beginsel tekort is geschoten in zijn schadebeperkingsplicht, maar dat het gebrek aan re-integratiepogingen kan zijn veroorzaakt door een dysthyme-stoornis welke zou kunnen zijn terug te voeren op het ongeval. Mocht dit het geval zijn, dan valt het schenden van de schadebeperkingsplicht de werknemer niet aan te rekenen. Volgt aanhouding van de zaak om te onderzoeken in hoeverre de dysthyme-stoornis is te wijten aan het ongeval. 

Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-373



Dinsdag 01 juni 2010 - B7-10 954

Rechtbank Middelburg 21 december 2009, BM4389

Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW 
   
De werknemer is werkzaam bij werkgever A en tewerkgesteld bij werkgever B. Als gevolg van gladheid komt hij op het bedrijfsterrein ten val en loopt schade op. De werknemer stelt beide werkgevers aansprakelijk. De kantonrechter oordeelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het bij vorst glad kan worden. De werkgever B had dus maatregelen moeten treffen op zijn terrein teneinde ongevallen te voorkomen. Nu de werkgever B dat niet heeft gedaan is hij aansprakelijk. Ook werkgever A is als formele werkgever aansprakelijk voor de schade. De zaak wordt aangehouden ter begroting van de schade. Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2010-298



Dinsdag 11 mei 2010 - B7-10 925

Hof ’s-Gravenhage 22 december 2009, BM2994

Werkgeversaansprakelijkheid bij beroepsziekte. Art. 7:658 BW 
   
De werknemer ondervindt vanaf 2001 RSI-klachten, welke steeds erger worden. De werknemer stelt vervolgens de werkgever aansprakelijk. In hoger beroep oordeelt het Hof dat de werknemer moet bewijzen dat sprake is van causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade. Nu de werknemer met de overgelegde medische rapportages dit verband niet voldoende heeft aangetoond, moet de werknemer een bewijsopdracht worden verstrekt. Na de bewijsopdracht oordeelt het Hof dat de werknemer niet aannemelijk moet maken dat de schade het gevolg is van de werkzaamheden, maar dit daadwerkelijk moet aantonen. Om meer duidelijkheid te krijgen gelast het Hof een comparitie van partijen. Volgt aanhouding van de zaak. Lees hier de uitspraak.  
   
JWB Rechtspraak 2010-258 



Dinsdag 13 april 2010 - B7-10 881

Hof Amsterdam 29 december 2009, BL4230

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst; doorbreking appelverbod. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever heeft toestemming bij het UWV gevraagd, waarna de werknemer een ontbindingsprocedure start. Zodra de werkgever toestemming heeft gekregen zegt hij direct schadeplichtig op. Na deze opzegging ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst. De werkgever stelt bij het Hof dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik is getreden van art. 7:685 BW, omdat ten tijde van de ontbinding feitelijk geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Het Hof oordeelt dat de stelling van de werkgever juist is, omdat de arbeidsovereenkomst reeds door opzegging was geëindigd. De werkgever heeft bovendien geen misbruik van bevoegdheid gemaakt omdat hij schadeplichtig heeft opgezegd. Volgt vernietiging van de beschikking van de kantonrechter. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-215 



Vrijdag 09 april 2010 - B7-10 874

Gerechtshof Amsterdam 22 december 2009, BL9317

Uitleg van bonusregeling 
   
De werknemer heeft in zijn arbeidsovereenkomst een bonusregeling, waarbij op het moment van vertrek wordt gekeken naar zijn handelsresultaat. Wanneer dat negatief is, wordt zijn bonus gekort. De werknemer wordt vanaf 18 december 2006 vrijgesteld van werkzaamheden en in januari eindigt de arbeidsovereenkomst. De werkgever meent dat de peildatum voor het vaststellen van de bonus is de dag van feitelijk vertrek, terwijl de werknemer meent de dag van formele beëindiging. In januari wordt het handelsresultaat weer op 0 gezet, hetgeen voor de werknemer gunstiger zou zijn. Het hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat een redelijke uitleg meebrengt dat moet worden gekeken naar de formele datum van beëindiging. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-200



Donderdag 08 april 2010 - B7-10 873

Gerechtshof Amsterdam 22 december 2009, BL9318

Concurrentiebeding. Art. 7:653 BW 
   
De werkgever en de werknemer zijn bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding en een relatiebeding overeengekomen. Wanneer de werknemer zich sterk kan verbeteren qua positie schendt hij het concurrentiebeding. De werkgever vordert de boetes. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat de werknemer slechts over die algemene kennis beschikte waarover alle werknemers bij de werkgever beschikten. De werkgever heeft dus onvoldoende belang bij het houden van de werknemer aan het concurrentiebeding. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-199 



Donderdag 08 april 2010 - B7-10 872

Gerechtshof Arnhem 15 december 2009, BL9028

Wederindiensttredingsvoorwaarde. Art. 4:5 Ontslagbesluit 
   
De werknemer is ontslagen onder een wederindiensttredingsvoorwaarde. De werkgever heeft vervolgens een zelfstandige handelsagent de functie van de werknemer laten uitvoeren. De werknemer vordert wederindiensttreding wegens het schenden van de voorwaarde door de werkgever. De kantonrechter heeft de vordering van de werknemer toegewezen. Het Hof vernietigt echter het oordeel van de kantonrechter, omdat de uitelg van art. 4:5 Ontslagbesluit meebrengt dat het slechts ziet op het in dienst nemen van een ander voor dezelfde functie. Nu de werkgever niemand in dienst heeft genomen, maar met een zelfstandige werkt is de voorwaarde niet vervuld en moet de vordering van de werknemer worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-208



Donderdag 08 april 2010 - B7-10 871

Gerechtshof Arnhem 15 december 2009, BL9006

Toepasselijk recht op de arbeidsovereenkomst. Art. 6 EVO 
   
De werknemer is in dienst van een Duitse werkgever maar verricht zijn werkzaamheden in Nederland. Er is geen expliciete rechtskeuze gemaakt. De werkgever stelt dat sprake is van een impliciete rechtskeuze voor Duits recht, de werknemer betwist dit. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat geen impliciete rechtskeuze valt af te leiden uit de arbeidsovereenkomst. De werkzaamheden hebben een nauwere verbondenheid met Nederland, daarom moet krachtens art. 6 EVO het Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst worden toegepast. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-204   



Donderdag 08 april 2010 - B7-10 870

Gerechtshof Amsterdam 15 december 2009, BL8496

Ontslag op staande voet. Art. 7:677 en 7:678 BW 
   
De werknemer heeft zonder directe aanleiding een restant koffie in de nek van een collega gegooid. Toen deze collega hiervan iets zei, heeft de werknemer zijn collega geslagen. De werkgever ontslaat de werknemer vervolgens op staande voet vanwege het gebruik van herhaaldelijk lichamelijk geweld. De werknemer vecht het ontslag op staande voet aan. Het Hof oordeelt dat weliswaar is komen vast te staan dat de werknemer zijn collega heeft geslagen, maar niet dat hij dit herhaaldelijk heeft gedaan. Hierdoor is de door de werkgever gestelde dringende reden onvoldoende komen vast te staan en wordt het ontslag op staande voet vernietigd. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-201



Woensdag 07 april 2010 - B7-10 869

Gerechtshof Arnhem 1 december 2009, BL9037

Werkgeversaansprakelijkheid voor OPS; bewijslastverdeling. Art. 7:658 BW 
   
De werknemer is tijdens zijn dienstverband bij de werkgever blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Hij heeft OPS gekregen en is overleden. De ervan van de werknemer stellen thans de werkgever aansprakelijk. De werknemer heeft gesteld dat hij aan schadelijke stoffen is blootgesteld en dat vervolgens conform de HR-rechtspraak de bewijslast zou moeten worden omgekeerd. Het Hof oordeelt dat voor omkering van de bewijslast moet worden aangetoond dat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen zodanig is, dat daardoor de gezondheidsklachten kunnen zijn veroorzaakt. Dit blijkt echter niet uit de stukken van de werknemer. De bewijslast moet daarom voor de werknemer blijven. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-207



Woensdag 07 april 2010 - B7-10 868

Gerechtshof Arnhem 1 december 2009, BL9137

Naheffing loonbelasting verhalen op werknemer. Art. 27 Wet LB 1964 
   
De werknemer heeft tijdens zijn dienstverband deelgenomen aan verschillende optieregelingen waarover de werkgever geen loonbelasting heeft betaald. De werkgever heeft van de belastingdienst een naheffingsaanslag gehad en wil deze nu verhalen op de werknemer. Het Hof oordeelt dat de werkgever conform art. 27 Wet LB 1964 het voorgeschoten bedrag aan loonbelasting op de werknemer mag verhalen. Het beroep van de werknemer op verjaring faalt, nu de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-206



Woensdag 07 april 2010 - B7-10 867

Gerechtshof Arnhem 1 december 2009, BL9122

Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW 
   
De werknemer is ontslagen zonder toekenning van een vergoeding en doet een beroep op kennelijk onredelijk ontslag. Hij meent dat sprake is van een valse reden, nu de CWI niet onpartijdig zou zijn geweest vanwege overleg met de werkgever. Daarnaast beroept de werknemer zich op het gevolgencriterium. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat geen sprake is van een valse reden, nu overleg tussen de CWI en de werkgever niet ongebruikelijk is. Daarnaast is het enkele feit van het niet meegeven van een ontslagvergoeding geen reden om het ontslag kennelijk onredelijk te achten. Volgt afwijzing van de vordering van de werknemer. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-205



Woensdag 07 april 2010 - B7-10 866

Gerechtshof Arnhem 1 december 2009, BL9132

Opschorting van loon wegens het niet hebben van een voor de functie vereist rijbewijs. Art. 7:628 BW 
   
De werknemer is als chauffeur in dienst bij de werkgever. Vanaf 2006 heeft hij een verblijfsvergunning, op basis waarvan hij een Nederlands rijbewijs en een chauffeursdiploma moet halen. Wanneer blijkt dat de werknemer niet over de diploma’s beschikt wordt de werknemer op non-actief gesteld en wordt het loon opgeschort. De werknemer vordert thans het loon. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat nu de werknemer niet over de voor de functie vereiste papieren beschikt, dit in zijn risicosfeer valt. De werkgever is daarom gerechtigd het loon op te schorten tot de werknemer over de vereiste papieren beschikt. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-203 



Dinsdag 16 maart 2010 - B7-10 817

Rechtbank Breda 18 december 2009, BL6655

Suppletie loondoorbetaling bij ziekte. Art. 7:629 BW 
   
De werkgever en de werknemer zijn overeengekomen dat tijdens ziekte een suppletie tot 100% zou plaatsvinden gedurende het eerste ziektejaar. De werknemer meent dat uit de cao de verplichting voortvloeit ook in het tweede ziektejaar tot 100% te suppleren. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet onder de werkingssfeer van de cao valt en dat uit de arbeidsovereenkomst ook niet blijkt dat de cao middels een incorporatiebeding van toepassing is. Het feit dat de wet is gewijzigd van 52 naar 104 weken loondoorbetalingsverplichting betekent niet dat voor de tweede 52 weken eveneens een suppletie gaat gelden wanneer dit niet (opnieuw) is overeengekomen. Hieruit volgt dat de werkgever slechts 70% van het loon hoeft door te betalen gedurende de tweede 52 weken van ziekte. Lees hier de uitspraak.
 
JWB Rechtspraak 2010-158 



Maandag 01 maart 2010 - B7-10 799

Rechtbank Groningen 15 december 2009, BL3954

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek afgewezen. Art. 7:685 BW 
   
Zie ook LJN BL1163. Nadat de Rechtbank in kort geding had geoordeeld dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, behandelt de Kantonrechter in casu het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Dit verzoek wordt afgewezen. De werkgever verzoekt om de arbeidsovereenkomst met de werknemer, die redacteur is, te ontbinden, zodat er op de redactie nog één redacteur in eenzelfde functie als de werknemer overblijft. Vast staat dat de enige redacteur die zou overblijven inmiddels op vrijwillige basis is vertrokken. De Kantonrechter oordeelt dat zonder nadere financiële onderbouwing, welke ontbreekt, niet valt in te zien waarom de werknemer de plaats van de inmiddels vertrokken redacteur niet zou kunnen innemen. De enkele stelling dat er überhaupt geen werk meer voor een redacteur aanwezig is, is daartoe onvoldoende. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2010-130