Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is slechts een jaar in dienst wanneer de werkgever een ontbindingsverzoek indient wegens disfunctioneren. De werknemer betwist het disfunctioneren en stelt dat hij hierop nooit is aangesproken. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat de werknemer disfunctioneert. Bovendien heeft de werkgever nagelaten een verbetertraject aan te bieden. Evenwel is een verstoorde arbeidsrelatie ontstaan, waardoor het verzoek wordt toegewezen. De kantonrechter laat de kantonrechtersformule buiten beschouwing, omdat toepassing daarvan gezien het korte dienstverband tot een onaanvaardbaar lage vergoeding zou leiden. Er worden daarom 6 maandsalarissen toegekend aan de werknemer.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-399
Nietigheid bepaling in arbeidsovereenkomst wegens strijd met CAO. Art. 12 WCAO
De werkgever en de werknemer hebben een afspraak gemaakt over te betalen reiskosten, waarbij werd uitgegaan van een fictieve woonplaats van de werknemer. De werknemer is hier mee akkoord gegaan, omdat hij anders niet in dienst kon blijven bij de werkgever. Toen de werknemer later hoorden dat collega’s wel volledige reiskosten kregen, heeft hij aangegeven niet meer met de afspraak te kunnen leven en gewoon de reiskostenregeling conform de cao wilde hebben. De kantonrechter is van oordeel dat de reiskostenregeling uit de cao voor gaat op de gemaakte afspraken in de arbeidsovereenkomst. De vraag is echter hoe de cao moet worden uitgelegd. De kantonrechter vraagt aan beide partijen om hierover een standpunt in te nemen. De zaak wordt aangehouden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-446
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever verwijt de werkneemster dat zij onder werktijd een kaartspel heeft gespeeld, terwijl zij wist dat dit verboden was en zij reeds gewaarschuwd was. Daarnaast heeft de werkneemster zich volgens de werkgever niet aan de nieuwe roostertijden gehouden. Volgens de werkgever levert dit een dringende reden op. De kantonrechter oordeelt dat de gedragingen van de werkneemster geen dringende reden opleveren en dat de werkgever zelf het geschil over de werktijden op de spits heeft gedreven. Wel is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met C=1,5. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-256
Toepassing ketenregeling bij overgang van onderneming. Art. 7:662; 7:663; 7:668a BW
De werknemer is als kapper werkzaam bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na een tweetal verlengingen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt de kapsalon overgenomen door de broer van de werkgever. De nieuwe werkgever biedt eveneens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan de werknemer aan. De werknemer claimt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap na overgang van onderneming. De nieuwe werkgever stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een overgang van onderneming, omdat een nieuw pand is betrokken en nieuwe spullen zijn aangeschaft. De voorzieningenrechter oordeelt dat wel degelijk sprake is van een overgang van onderneming en dus van toepassing van de ketenregeling van art. 7:668a. De werknemer is derhalve werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-257
Verrekening pensioenrechten bij echtscheiding; Boon/Van Loon
De man vordert te bepalen dat bij de vaststelling van pensioenaanspraken over en weer de waarde van het ouderdomspensioen en van het nabestaandenpensioen bij elkaar dienen te worden geteld waarbij degene die het pensioen heeft opgebouwd recht heeft op de helft daarvan en de wederpartij recht heeft op de (contante waarde van) de helft minus het opgebouwde nabestaandenpensioen.
Vast staat dat het echtscheidingsvonnis op 15 januari 1982 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor de verrekening van de pensioenrechten dient in beginsel te worden uitgegaan van de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest van 27 november 1981, NJ 1982, 503 (Boon/Van Loon). Het hof ziet in het onderhavige geval geen grond om in het kader van de verrekening van de pensioenrechten aansluiting te zoeken bij de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-244
Uitleg CAO-artikel
Onderhavige zaak gaat over de vraag of een onderneming valt onder de werking van een bepaalde CAO. Appellant, verwijst in beroep naar een bepaald artikel uit de desbetreffende CAO. Het Hof overweegt dat bij de uitleg van een CAO-bepaling beslissend is de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld, waarbij onder meer gelet kan worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de op zichzelf mogelijke interpretaties van de tekst zouden kunnen leiden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-239
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is ruim 39 jaar in dienst bij de werkgever, wanneer hij wegens een grootschalige reorganisatie wordt opgezegd met een vergoeding van 50.000 euro. De werknemer start een kennelijk onredelijk ontslag-procedure, waarbij hij bij de kantonrechter een vergoeding van 125.000 euro krijgt. De werkgever gaat vervolgens in hoger beroep. Het hof oordeelt dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen de werknemer de herplaatsen en dat het ontslag daarom kennelijk onredelijk is. Het hof wijst analoge toepassing van de kantonrechtersformule af en kent een vergoeding van 95.000 euro toe. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-226
Situatieve arbeidsongeschiktheid. Art. 7:628, 7:629, 7:677 en 7:678 BW
De werknemer heeft zich wegens een arbeidsconflict ziek gemeld bij de werkgever. Ondanks herhaaldelijke verzoeken van de werkgever heeft de werknemer geweigerd het werk te hervatten. De verzekeringsarts van het UWV heeft vastgesteld dat de werknemer niet situatief arbeidsongeschikt was, maar ook niet in staat was werkzaamheden te verrichten. Na dit oordeel van de verzekeringsarts heeft de werknemer geen gehoor meer gegeven aan de oproepen van de werkgever om informatie te verstrekken over de voortgang van zijn ziekte en daarnaast wel voor eigen rekening werkte. De loonvordering van de werknemer wordt door de kantonrechter afgewezen wegens het weigeren mee te werken aan zijn informatieplicht. Het ontslag op staande voet is terecht, aldus de kantonrechter. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en stelt daarbij dat het oordeel van de verzekeringsarts niet bindend is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-227
Misinformatie pensioenfonds; overbruggingsuitkering. Art. 6:162 BW
Pensioenfonds informeert deelnemers (appellanten) in een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenregeling onjuist. Het pensioenfonds heeft de indruk gewekt dat appellanten in aanmerking kwamen voor een overbruggingsuitkering, terwijl dat op basis van het pensioenreglement niet het geval was. Door het toezenden van brochures en pensioenoverzichten riep het pensioenfonds geen contractuele verplichtingen in het leven. Geen onrechtmatig handelen door pensioenfonds; er bleken geen feiten of omstandigheden waaruit afgeleid kan worden dat appellanten in een nadeliger positie verkeren dan het geval zou zijn geweest wanneer zij van meet af aan juist geinformeerd waren. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-218
Overgang van onderneming. Art. 7:662 BW; 7:663 BW
De werknemer is sinds 1974 in dienst bij de werkgever. De werknemer raakt in 2003 arbeidsongeschikt. In 2004 wordt de afdeling waar de werknemer werkt overgedragen aan een derde. In 2007 ontvangt de werknemer een brief waarin wordt gesteld dat hij ook mee is overgegaan in 2004 conform 7:662 en 7:663. De werkgever stopt daarop de loonbetaling. De werknemer stelt dat hij niet onder de overname valt, omdat hij feitelijk niet meer werkzaam was op de afdeling die is overgedragen, hij was immers arbeidsongeschikt. De kantonrechter oordeelt dat inderdaad sprake is van een overgang van onderneming, maar dat de werknemer niet onder het bereik van art. 7:663 BW valt, omdat de ratio van de Richtlijn (bescherming van de arbeidsongeschikte werknemer) zich hiertegen verzet. Te meer daar de werkgever zich tussen 2004 en 2007 feitelijk als werkgever is blijven gedragen, er is immers een re-integratieplan opgesteld, loon doorbetaald en zelfs een ontslagvergunning aangevraagd. Deze feitelijke situatie weegt zwaarder dan de formele status. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-208
Ontbinding op verzoek werknemer C=0,5. Artikel 7:685 BW
De werknemer verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met een vergoeding op basis van C=2. Zij stelt onder meer dat zij opeens andere werkzaamheden moest uitvoeren dan de bedongen werkzaamheden. Op basis van de processtukken oordeelt de Kantonrechter dat de arbeidsrelatie zo ernstig is verstoord, dat een vruchtbare samenwerking niet tot de mogelijkheden behoort. Er is sprake van een verandering van omstandigheden die een gewichtige reden vormt voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vergoeding. De Kantonrechter neemt alle omstandigheden in aanmerking en oordeelt dat aan de werkneemster wel enige vergoeding toekomt zij het zeker niet van de omvang die zij heeft gevraagd; te weten € 36.000,00.
Op grond van deze overweging en daarbij nog gevoegd de omstandigheden dat partijen in redelijkheid eerder tot een vergelijk hadden kunnen en moeten komen, dat niet aannemelijk is dat de positie van de werknemer op de arbeidsmarkt relatief slechter is dan die van anderen in vergelijkbare omstandigheden, en de Kantonrechter er niet van overtuigd is dat werknemer de afgelopen maanden niet al met meer inzet had kunnen en moeten zoeken naar een andere, nieuwe baan, wordt een vergoeding toegekend van € 9.000,00. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-201
Concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
Twee werknemers hebben in hun arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding in de vorm van een relatiebeding staan. Zij willen graag bij de concurrent in dienst treden en hebben de werkgever verzocht om ontheffing van het concurrentiebeding. De werkgever heeft deze ontheffing geweigerd. De werknemers hebben hierop vernietiging van het concurrentiebeding gevorderd, omdat de werkgever geen zwaarwichtig belang zou hebben bij het handhaven van het concurrentiebeding. Daarbij komt dat de werkgever de werknemers zou hebben geschoffeerd en daarmee in strijd zou hebben gehandeld met het goed werkgeverschap. Het hof oordeelt dat onvoldoende is gebleken dat de werkgever geen zwaarwegend belang heeft. Het feit dat de werkgever de beide werknemers onheus heeft bejegend en het feit dat van een positieverbetering sprake was, doet hieraan niet af. De vordering wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-189
Ontslag niet kennelijk onredelijk. Art. 7:681 BW
De werknemer vordert na zijn ontslag betaling van zijn niet-genoten vakantiedagen en een schadevergoeding wegens een kennelijk onredelijk ontslag waartoe de werkgever een valse reden heeft gebruikt. De vordering vakantiedagen wordt toegekend, de voorgewende reden voor ontslag onderschrijft de Rechtbank op basis van de feiten niet. Volgt beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Gelet op het debat van partijen is alleen aan de orde of de werkgever een substantiële financiële voorziening voor de werknemer had behoren te treffen. Bij die beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval aan de orde te komen, zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van de opzegging voordeden. Nadien intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht. Na beoordeling van de omstandigheden komt de Rechtbank tot het oordeel dat geen voorziening getroffen had moeten worden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-171
Geldigheid ontslag op staande voet; onverwijldheidseis. Art. 7:677 BW
De werknemer heeft tegen de bedrijfsregels in klanten geholpen in haar eigen kleding en niet in de voorgeschreven bedrijfskleding. Na constatering van dit feit heeft de werkgever na drie dagen intern beraad de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer heeft in eerste aanleg terecht een beroep op vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet gedaan, omdat niet aan de onverwijldheidseis is voldaan. In hoger beroep wordt deze vraag aan het hof voorgelegd. Het hof oordeelt dat de drie dagen die de werkgever nodig had voor intern beraad te lang zijn om nog van onverwijldheid te kunnen spreken. De werkgever had in deze periode de werknemer moeten schorsen, ten einde duidelijk te maken dat het gedrag van de werknemer niet werd getolereerd. Nu de werkgever de werknemer gewoon heeft laten doorwerken, kan niet meer van onverwijlde opzegging worden gesproken. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-141
Geen wanprestatie door nieuwe werkgever wegens profiteren van schending concurrentiebeding, schorsing concurrentieBeding afgewezen omdat schorsing het beoogde rechtsgevolg mist. Artikel 7:653 BW
De voormalige werkgever stelt dat de nieuwe werkgever een wanprestatie pleegt wegens profiteren van de schending van het concurrentiebeding door de werknemer. De vordering wordt afgewezen omdat naar vaste jurisprudentie (laatstelijk HR 26 januari 2007, NJ 2007, 78) geldt dat het profiteren van andermans wanprestatie pas onrechtmatig is als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan: (1) de aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij wanprestatie pleegt jegens een derde en (2) er is sprake van bijkomende omstandigheden. In casu is aan deze voorwaarden niet voldaan. De door de werknemer gevraagde schorsing wordt eveneens afgewezen. Volgens de Kantonrechter leidt toewijzing voor hem tot een aanzienlijk procesrisico. Immers, als hij naar aanleiding van de voorziening, handelingen verricht die onder het bereik van het non-concurrentiebeding vallen en de bodemrechter later oordeelt dat geen aanleiding bestaat om het non-concurrentie beding te matigen of in duur te beperken, dient achteraf alsnog te worden geconcludeerd dat boetes zijn verbeurd. De gevraagde voorziening heeft dan ook niet het door de werknemer beoogde rechtsgevolg, namelijk dat gedurende de tijd dat de schorsing c.q. matiging (nog) niet is bevestigd c.q. terzijde is gesteld door een beslissing van de bodemrechter, geen boetes zullen kunnen worden verbeurd indien hij in strijd met het beding handelt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-139