Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbindingsverzoek werkgever afgewezen. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt vanwege een reorganisatie de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer. Deze werknemer heeft in een klanttevredenheidsonderzoek laag gescoord. Als grondslag voor de ontbinding voert de werkgever aan dat de functie van de werknemer is komen te vervallen. De Kantonrechter overweegt dat vooropgesteld zij gesteld dat een reorganisatie zoals de onderhavige in beginsel volledig in de risicosfeer van de werkgever ligt. Van de werkgever mag dan ook verwacht worden dat zij een zorgvuldig en afgewogen traject heeft gevolgd om het intern genomen besluit om tot het onderhavige verzoek over te gaan te kunnen rechtvaardigen. De Kantonrechter toetst de stappen, zoals door de werkgever in de tijd gezet voor het maken van de afweging. Deze overwegend procedurele zorgvuldigheidstoets is temeer vereist, nu de werkgever gekozen heeft voor een ontbindingsprocedure, waarin de Kantonrechter slechts in beperkte mate inhoudelijk onderzoek kan verrichten, waar een UWV-procedure bij reorganisatie- problematiek wellicht meer voor de hand zou hebben gelegen. Het gehele traject beziende heeft de werkgever naar het oordeel van de Kantonrechter in de aanloop naar het onderhavige verzoek niet gehandeld met de nodige zorgvuldigheid, waardoor naar het oordeel van de Kantonrechter niet aannemelijk is geworden dat de werknemer niet in aanmerking kan komen voor de nieuwe Consultancy functie. Tevens heeft de werkgever zich onvoldoende gekweten van haar inspanningsverplichting om de werknemer te behouden. De werkgever heeft daarmee in strijd met de norm van goed werkgeverschap gehandeld. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt dan ook afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-132
Ontbinding arbeidsovereenkomst; schizofrenie; cocaine gebruik. Art. 7:685 BW
Schizofrene werknemer die zich geregeld ziek is, meldt zijn werkgever dat hij cocaine gebruikt en daaraan verslaafd is. Druggebruik is in strijd met het beleid van werkgever. Het beleid is vastgelegd in een handboek overhandigd bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van niet meer bestaan van vertrouwen tussen partijen en kent werknemer een vergoeding toe. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-220
Pensioenpolis; redelijk handelend verzekeraar; overzetting door assurantietussenpersoon. Art. 6:248 BW
Werknemer wisselt van werkgever. Hij behoudt zijn pensioenregeling. Afgesproken is dat de nieuwe werkgever als verzekeringnemer in de plaats treedt van de oude werkgever – verzekeraar is AXA B.V. en werknemer, respectievelijk diens nabestaanden, zijn begunstigde voor het pensioen. Aan een assurantietussenpersoon is de opdracht gegeven de pensioenverzekering over te zetten. Per abuis is geen opdracht tot overzetten, maar tot opzeggen gegeven. Werknemer overleed nog voordat deze fout werd hersteld. Naar hofs oordeel is AXA niet gehouden tot uitkering van nabestaandenpensioen. AXA voert een beleid waarbij wijzigingen op een pensioenpolis slechts bij leven van de verzekerde worden doorgevoerd en waarbij uitkeringen uitsluitend worden gedaan op basis van de polisgegevens, zoals die op het moment van overlijden vastliggen. Niet gezegd kan worden dat AXA als een onredelijk handelend verzekeraar handelt door in een geval als het onderhavige aan dit beleid vast te houden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-204
Cao-bepaling na overgang onderneming niet meer van toepassing na instemming OR. Art. 7;662 BW
Een busmaatschappij heeft vervoersconcessie overgenomen en daarmee ook het personeel. Bij de oude werkgever had het personeel recht op een gemiddelde toeslag. De nieuwe werkgever heeft deze afgeschaft en de toeslagregeling gelijkgeschakeld met die voor het overige personeel. De ondernemingsraad heeft hiermee ingestemd. De vakbond stelt dat het afschaffen van de gemiddelde toeslag in strijd is met de Wet personenvervoer 2000 en met de CAO. De Kantonrechter is van oordeel dat de rechten en plichten van de oude werkgevers van rechtswege zijn overgegaan op de nieuwe werkgever. Eén van die rechten was de bevoegdheid om het besluit om een gemiddelde toeslag uit te betalen, terug te draaien. De bepalingen van de CAO staan hieraan niet in de weg. Van een eenzijdig wijzigingsbeding is evenmin sprake zodat de vordering van de vakbond wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-213
Studiekostenbeding. Art. 12 WCAO
De werkneemster heeft in opdracht en op kosten van de werkgever een opleiding gevolgd. Kort na het behalen van haar diploma besluit de werkneemster echter om elders in dienst te treden en de arbeidsovereenkomst met de werkgever op te zeggen. De werknemer stelt zich op het standpunt dat terugbetaling van de studiekosten in strijd zou zijn met de CAO. De werkgever meent echter dat op basis van de CAO de bevoegdheid bestaat om met de OR een terugbetalingsregeling overeen te komen, hetgeen is gebeurd. Deze terugbetalingsverplichting is ook in de arbeidsovereenkomst opgenomen. De kantonrechter oordeelt dat een objectieve uitleg van de CAO niet in de weg staat aan het opnemen van een terugbetalingsverplichting in de faciliteitenregeling. De werkneemster die eerder uit dienst is gegaan, dient dan ook een deel van de studiekosten aan de werkgever terug te betalen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-206
Uitleg cao; grammaticale uitleg
In de nieuwe cao van het UWV is een bepaling opgenomen waarin staat dat fulltime dienstverbanden vanaf 2003 bestaan uit 38 uur. De vraag is hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Worden alle fulltime dienstverbanden vanaf 2003 omgezet van 36 naar 38 uur, of zijn alleen nieuwe fulltime dienstverbanden 38 uur en blijven de oude dienstverbanden op 36 uur staan? Het hof oordeelt dat bij de uitleg van cao’s de grammaticale uitleg geldt, wat inhoudt dat de bewoordingen doorslaggevend zijn. In dit geval brengt de grammaticale interpretatie mee dat alle fulltime dienstverbanden vanaf 2003 worden omgezet naar 38 uur. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-162
Verhaal loon op personen achter niet bestaande rechtspersoon. Artikel 7:625 BW
Een medewerker vordert in beroep van zijn twee geïntimeerden in hun hoedanigheid van werkgever achterstallig loon. Het Hof beantwoordt de vraag of beide personen zijn aan te merken als werkgever, zoals de werknemer stelt. In beroep staat vast dat de werkgever geen rechtspersoon is. De onderneming is niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De arbeidsovereenkomst is getekend door geïntimeerde 1, niet door geïntimeerde 2. De omstandigheid dat geïntimeerde 2 aanwezig was bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst brengt niet zonder meer mee dat hij partij bij die overeenkomst was. Op basis van een beoordeling van de feiten komt het Hof tot de slotsom dat deze persoon niet is aan te merken als werkgever zodat de vordering jegens deze geïntimeerde niet toewijsbaar is. Tegen het oordeel van de Kantonrechter dat geïntimeerde 1 op grond van de omstandigheden van het geval voor eigen rekening en risico een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, is geen grief gericht zodat dit in stand blijft. Anders dan de Kantonrechter bepaalt het Hof de gevorderde boete ex. artikel 7:625 BW of 50% in plaats van de 10% van de Kantonrechter. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-98
Dwaling bij beëindigingsovereenkomst over hoogte VUT-uitkering niet aangenomen. Artikel 6:228 BW, artikel 7:611 BW
De werknemer vordert van de werkgever betaling terzake van door hem geleden schade als gevolg van dwaling. De werknemer stelt hiertoe dat de werkgever hem verkeerde informatie heeft gegeven over de hoogte van zijn VUT-uitkering door toe te zeggen dat hij 87,5% zou ontvangen van zijn laatst verdiende loon. De Kantonrechter wijst de vordering af. Het Hof bekrachtigt dit vonnis. In de eerste plaats omdat de werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet of niet onder gelijke voorwaarden zou hebben ingestemd met het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst, als de werkgever hem had geïnformeerd overeenkomstig de door pensioenuitvoerder gehanteerde rekensystematiek. En in de tweede plaats omdat de werknemer reden had tot nader onderzoek. Nu hij dat niet heeft gedaan, moeten de gevolgen van dit nalaten voor zijn rekening blijven. Een beroep op dwaling slaagt niet, en evenzo het beroep op artikel 7:611. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-99
Overgang van personeel in de vervoersector. Art. 37 WPV 2000
De werknemer vordert wedertewerkstelling, omdat de werkgever er ten onrechte vanuit is gegaan dat de werknemer is overgegaan naar een nieuwe werkgever bij overdracht van een deel van het bedrijf van de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat of sprake is van een overgang moet worden getoetst aan art. 37 lid 4 van de Wet op het Personenvervoer 2000 (WPV 2000). Voor overgang op grond van de WPV is volgens de kantonrechter vereist dat werkzaamheden worden verricht die betrekking hebben op het concessiegebied dat wordt overgedragen. De door de werknemer verrichte werkzaamheden kunnen onmogelijk onder de werkingssfeer van art. 37 WPV worden geschaard, nu het slechts ging om ondersteunende werkzaamheden voor chauffeurs die slechts marginaal werkzaamheden ten behoeve van de overgedragen concessie hebben verricht. De vordering tot wedertewerkstelling moet daarom worden toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-91
Uitleg Nederlandse arbeidsovereenkomst opgesteld door Duitse werkgever.
De Duitse werkgever en twee Nederlandse werknemers twisten over de uitleg van de arbeidsovereenkomst en de toepasselijkheid van de Nederlandse CAO. De arbeidsovereenkomsten zijn opgesteld in de Nederlandse taal door een Duitse werkgever. Door de werkgever is niet uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat de tekst van de arbeidscontracten is opgesteld door een werkgever die de Nederlandse taal niet, althans niet in voldoende mate, beheerste. Het Hof komt vervolgens toe aan de uitleg van de arbeidsovereenkomst mede door datgene wat in het oosten van Nederland algemeen bekend verondersteld mag worden over Duitse termen in de Duitse taal en verhoudingen, mee te laten wegen. Waar de bewoordingen van de contracten niet alleen verwijzen naar een CAO met landelijke gelding maar ook nadrukkelijk wijzen op de toepasselijkheid van Nederlands recht, mochten de werknemers bij gebreke van nadere vermeldingen of toelichtingen uit die van werkgeverszijde gebruikte bewoordingen evenwel in ieder geval begrijpen dat in de artikelen van hun arbeidscontracten werd gedoeld op enige Nederlandse CAO. Ook de uitleg van een latere arbeidsovereenkomst kan er niet aan afdoen dat de werknemers er op basis van de door de werkgever gebruikte bewoordingen bij het sluiten van hun arbeidsovereenkomsten gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat, gelet op artikelen van hun arbeidscontracten, in ieder geval enige Nederlandse CAO op hun arbeidsverhoudingen van toepassing is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-104
Loondoorbetaling tijdens ziekte. Art. 7:629 BW; 7:629a BW
De werknemer heeft zich tijdens zijn verblijf in Marokko ziek gemeld bij zijn werkgever en is gedurende enkele maanden geheel onbereikbaar geweest. De werkgever heeft in reactie hierop de loondoorbetaling opgeschort en is enkele maanden later overgegaan tot ontslag op staande voet. De werknemer is van mening dat de opzegging nietig is en eist alsnog de doorbetaling van loon. De rechter oordeelt dat de werknemer een verklaring van het UWV dient over te leggen, wil zijn vordering gebaseerd op art. 7:629a BW slagen. Het is te betwijfelen of een verklaring van een Marokkaanse met het UWV gelijk te stellen instantie, een vervangende verklaring oplevert. Verder oordeelt de rechter dat de werkgever gerechtigd was om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De werkgever had alle nodige moeite gedaan om in contact te komen met de werknemer en heeft in meerdere brieven duidelijke waarschuwingen gegeven. Dit zou anders zijn als de arbeidsongeschiktheid aangetoond kon worden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-85
Loondoorbetaling tijdens ziekte. Art. 7:628 BW en 7:629 BW
De werknemer heeft zich ziek gemeld, hetgeen door de werkgever wordt betwist. De werkgever staakt hierop de loondoorbetaling. Zodra de werknemer hersteld is verklaard door de arbodienst wordt hij niet op het werk toegelaten. Het loon wordt niet doorbetaald. Op grond hiervan neemt de werknemer ontslag op staande voet. De werknemer vordert betaling van achterstallig loon. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer pas niet meer als ziek kan worden aangemerkt wanneer dat door de arbo-arts is geconcludeerd. Het loon over de periode van ziekte moet dus worden doorbetaald ex art. 7:629 BW. Het feit dat de werknemer na hersteld verklaring niet wordt toegelaten op de werkplek komt voor risico van de werkgever. Ook over deze periode zal de werkgever dus het loon moeten betalen ex art. 7:628 BW. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-73
Afwijzing ontbindingsverzoek vanwege OR activiteiten werknemer. Art. 7:670 BW, artikel 7:685 BW
De werkgever verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer. In zijn verweer beroept de werknemer er zich uitdrukkelijk op dat het verzoek van de werkgever verband houdt met zijn vakbondactiviteiten en zijn voormalig lidmaatschap van de ondernemingsraad. De werknemer stelt dat het verzoek daarom moet worden afgewezen. De bepaling dat een ontbindingsverzoek moet worden afgewezen als dat verzoek verband houdt met een wettelijk opzegverbod, moet naar het oordeel van de Kantonrechter ruim worden uitgelegd. Niet slechts van belang is of het einde van het dienstverband wordt nagestreefd uitsluitend wegens een of meer van de wet genoemde omstandigheden, maar ook of die omstandigheden mede een rol spelen bij het besluit van de werkgever om het dienstverband te beëindigen. Op basis van de feiten en omstandigheden oordeelt de Kantonrechter dat het ontbindingsverzoek verband houdt met een opzegverbod en reeds daarom afgewezen dient te worden. Verder oordeelt de Kantonrechter dat er geen andere bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan die een gewichtige reden vormen voor ontbinding en wel zodanig dat die omstandigheden de ontslagbescherming opzij zetten. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-49
Geen strijdigheid met concurrentiebeding na belangenafweging. Art. 7:653 BW
De werkgever vordert in kort geding dat zijn gewezen werknemer - een servicemonteur - zich onthoudt van activiteiten die in strijd zijn met het beding. Na beëindiging van het dienstverband is de werknemer als zzp-er gaan werken. De Kantonrechter wijst de vordering af omdat onvoldoende duidelijk is of over het beding tussen partijen ooit serieus is onderhandeld en blijkt dat de werknemer bij de werkgever had willen blijven werken, maar hij na een conflict het veld heeft moeten ruimen en de werkgever niet adequaat heeft gereageerd om het conflict op te lossen. Verder acht de Kantonrecht van belang dat de werknemer bij gelegenheid van het einde van zijn dienstverband nog geen idee had dat hij als zzp-er voor een bedrijf kon gaan werken dat een concurrent zou worden van de werkgever en de werknemer niet beschikte over specifieke bedrijfsgeheimen van werkgever. Tenslotte oordeelt de Kantonrechter dat er een onevenredigheid aanwezig is in het belang van de werkgever om vast te houden aan het beding en het belang van werknemer als zelfstandige te kunnen gaan werken. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-47
Uitleg CAO bepaling over verhuizen op eigen initiatief
Met een beroep op de van toepassing zijnde CAO vordert een werknemer een hogere reiskostenvergoeding omdat zij onder verwijzing naar een CAO-bepaling stelt dat zij niet op ‘eigen initiatief’ is verhuisd in de zin van de CAO. Voorts beroept de werknemer zich op het gelijkheidsbeginsel en sociale gronden. Na een beoordeling van alle feiten en omstandigheden wijst de Kantonrechter haar vordering op alle gronden af. De Kantonrechter oordeelt dat er sprake is geweest van een vrije keuze voor woonplaats, zodat de verhuizing binnen de definitie ‘op eigen initiatief’ uit de CAO valt. En verder, het enkele feit dat de werkgever met andere medewerkers andersluidende afspraken maakt, niet met zich mee brengt dat hierdoor dus het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-48