Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is als chauffeur werkzaam bij de werkgever. In 2005 is de helft van zijn arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding conform het sociaal plan. Vervolgens heeft de werkgever in 2008 zijn vervoersactiviteiten afgestoten en het contract met de werknemer volledig opgezegd zonder toekenning van een verdere vergoeding. Thans vordert de werknemer een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever heeft getracht de werknemer bij andere werkgevers onder te brengen, maar dat dit niet is gelukt. Voorts is het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder toekenning van een vergoeding niet per definitie kennelijk onredelijk. De vordering van de werknemer wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-281
Conversie arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Art. 7:667 en 7:668a BW
De werkgever heeft met de werknemer een voorovereenkomst gesloten voor de duur van 12 maanden, maar vervolgens twaalf keer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd laten ondertekenen. De werknemer werd fulltime ingeroosterd. Na twaalf maanden wordt de overeenkomst niet verlengd en beroept de werknemer zich op conversie ex art. 7:668a BW. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat de voorovereenkomst slechts een schijnconstructie was, en dat vanwege de twaalf contracten voor bepaalde tijd de werknemer werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-269
Werkgeversaansprakelijkheid voor OPS na overgang van onderneming. Art. 7:658 en 7:611 BW
De weknemer heeft OPS gekregen vanwege zijn werkzaamheden bij de rechtsvoorganger van zijn huidige werkgever. De werknemer spreekt hierop die rechtsvoorganger aan. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de werknemer zijn huidige werkgever had moeten aanspreken. De vordering is vanwege de overgang van onderneming namelijk mee overgegaan naar de nieuwe werkgever. De werknemer voert in hoger beroep aan dat hij te goeder trouw was bij het aanspreken van de rechtsvoorganger van de werkgever en dat daarom de vordering moet worden toegewezen. Het Hof oordeelt dat noch de goeder trouw noch de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de vordering van de werknemer moet worden toegewezen. Door de overgang van onderneming ligt de aansprakelijkheid thans bij de werkgever en niet bij diens rechtsvoorganger. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-271
Loonvordering na schending re-integratie; ontbreken deskundigenverklaring. Art. 7:629 en 7:660a BW
De werknemer heeft gedurende zijn arbeidsongeschiktheid zijn re-integratieverplichtingen niet nagekomen. Na twee jaar meldt hij zich weer op de werkplek, waarna de werkgever hem wegzendt. De werknemer stelt dat zijn aanbod tot het verrichten van werk meebrengt dat hij weer recht heeft op loon. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer voordat hij zijn vordering instelde een second opinion in de zin van art. 7:660a aan te vragen bij het UWV. Nu de werknemer dit niet heeft gedaan, is het enkel beschikbaar stellen voor het verrichten van passende arbeid onvoldoende om de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever aan te nemen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-255
Stilzwijgende verlenging arbeidsovereenkomst. Art. 7:668 en 7:668a BW
In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd staat opgenomen dat wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan, wordt overgegaan tot omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werknemer stelt nu dat de arbeidsovereenkomst door verloop van tijd stilzwijgend is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van art. 7:668 BW. Het Hof oordeelt dat art. 7:668 slechts ziet op verlenging van de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden. Conversie kan slechts plaatsvinden op grond van de ketenregeling van art. 7:668a BW. Hieraan is echter niet voldaan. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-249
Verrekening vorderingen opdrachtgever - opdrachtnemer
De opdrachtnemer meent dat hij voor het verrichten van zijn werkzaamheden een vergoeding van de opdrachtgever is verschuldigd. De opdrachtgever beroept zich daarentegen op verrekening met een vordering die hij heeft op de opdrachtnemer, nu deze onzorgvuldig zou hebben gehandeld, waardoor geld is gestolen. De kantonrechter oordeelt dat de opdrachtnemer onzorgvuldig heeft gehandeld door een grote som geld van de opdrachtgever in een schoudertas op de fiets te vervoeren. Door dit onzorgvuldig handelen mag de opdrachtgever de schade verrekenen met het bedrag aan verschuldigde vergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-242
Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW
De werker heeft een affectieve relatie gehad met een van de gedaagden en gedurende die periode op de manege van de gedaagde gewerkt tegen een vergoeding van EUR 600 en gratis kost en inwoning. Na de affectieve relatie stelt de werker dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat noch de partijbedoeling noch de feitelijke uitvoering leidt tot het oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bovendien al zou wel sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, dan is de EUR 600 en gratis kost en inwoning voldoende om aan het minimumloon te geraken. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-221
Eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Art. 7:613 BW
De werknemer heeft in zijn arbeidsovereenkomst een bepaling staan waarin is opgenomen dat op de arbeidsovereenkomst de door de werkgever op te stellen Uitvoeringsregels van toepassing zijn. Wanneer de werkgever de Uitvoeringsregels wijzigt, stelt de werknemer dat deze wijziging niet is geoorloofd, omdat de bepaling in de arbeidsovereenkomst niet als eenzijdig wijzigingsbeding kan worden aangemerkt. Het Hof oordeelt dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat de werkgever zich het recht heeft voorbehouden de Uitvoeringsregels te wijzigen. Vervolgens moet worden getoetst of de werkgever conform art. 7:613 BW een zwaarwichtig belang heeft. Volgens het Hof heeft de werkgever dit zwaarwichtig belang onvoldoende aangetoond. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-198
Goed werkgeverschap bij vervallen optiepakket wegens finale kwijting. Art. 7:611 BW
De arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer is met wederzijds goedvinden beëindigd. In de beëindigingsovereenkomst is een clausule van finale kwijting opgenomen. De werknemer vordert een vergoeding wegens het verlies van zijn optiepakket terwijl de werkgever zich beroept op de finale kwijting. De kantonrechter oordeelt dat het op de weg van de werkgever had gelegen om het optiepakket tijdens de onderhandelingen over de beëindiging ter sprake te brengen. Nu de werkgever dat niet heeft gedaan brengt het goed werkgeverschap met zich dat de werkgever alsnog een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid moet betalen voor het verlies van het optiepakket. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-184
Vergoeding voor vervallen optiepakket na beëindigingsovereenkomst. Art. 7:611 BW
De werkgever en de werknemer hebben middels een beëindigingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst beëindigd. In de beëindigingsovereenkomst is een vergoeding conform de kantonrechtersformule met C=1 overeengekomen. Er is echter niets gezegd over het optiepakket van de werknemer. Wel is finale kwijting over en weer verleend. De werknemer vordert thans een extra vergoeding voor het verlies van zijn optiepakket. De kantonrechter oordeelt dat het op de weg van de werkgever had gelegen om het optiepakket ter sprake te brengen. Nu dat niet is gebeurd moet de werknemer een extra vergoeding worden gegeven voor het verlies van zijn optiepakket, ondanks de finale kwijting. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-154
Ontslag niet kennelijk onredelijk. Art. 7:681 BW
De werknemer vordert schadevergoeding nadat het dienstverband is beëindigd na een verkregen ontslagvergunning. De Kantonrechter oordeelt dat langdurige arbeidsongeschiktheid op zich voldoende reden is voor ontslag. Het ontslag in casu is evenwel niet onredelijk volgens het gevolgencriterium. Verder oordeelt de Kantonrechter dat de causale relatie tussen de arbeidsongeschiktheid (burn-out) en het werk onvoldoende is onderbouwd. Gegeven de pogingen van de werkgever om de arbeidssituatie te verbeteren en gelet op het feit dat werknemer veelal zelfstandig werkte en geen hoge werkdruk werd opgelegd, kan de werkgever geen verwijt voor de arbeidsongeschiktheid worden gemaakt. Evenmin kan de werkgever worden verweten onvoldoende re-integratie-inspanningen te hebben verricht, nu de werkgever voortdurend pogingen heeft gedaan werknemer aan het werk te krijgen en hem zelfs een concreet aanbod in het kader van een tweede spoor-traject heeft gedaan. De leeftijd en de gezondheid van de werknemer zijn voorts niet doorslaggevend, gelet op de late indiensttreding en het korte dienstverband. Volgt afwijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-159
Ontbindingsverzoek werknemer toegewezen nadat werkgever een ontslagvergunning heeft verkregen. Art. 7:685 BW
De Kantonrechter wijst een ontbindingsverzoek van de werknemer toe. Zij had de ontbinding verzocht nadat de werkgever een ontslagvergunning had verkregen. De Kantonrechter beantwoordt eerst de vraag of de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden billijkheidshalve behoort te eindigen op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd. Pas als dat het geval is, komt de Kantonrechter toe aan de vraag of een vergoeding aan de werknemer moet worden toegekend. Die vergoeding zal dan betrekking hebben op de periode gelegen tussen de ontbindingsdatum en de datum waartegen is opgezegd. Voor een vergoeding die betrekking heeft op de periode vóór de ontbindingsdatum en ná de datum waartegen is opgezegd, is in deze procedure geen plaats. Daarvoor zal de werknemer de weg van artikel 7:681 BW moeten bewandelen. Nu vaststaat dat de werknemer per 1 februari 2010 een nieuwe baan heeft gevonden, dient de arbeidsovereenkomst op die grond billijkheidshalve eerder te eindigen dan de datum waartegen is opgezegd. De ontbinding zal daarom worden toegewezen per 1 februari 2010. Over de vergoeding overweegt de Kantonrechter dat de werknemer een nieuwe tijdelijke baan heeft gevonden voor ruim € 300,00 bruto minder salaris per maand. Anderzijds spaart de werkgever in ieder geval twee maandsalarissen uit, die zij aanvankelijk gehouden was aan de werknemer te betalen. Onder deze omstandigheden dient de werknemer in relatie tot de werkgever geen negatieve gevolgen te ondervinden van het feit dat zij twee maanden voor het einde van haar dienstverband een nieuwe baan heeft geaccepteerd onder voor haar minder gunstige arbeidsvoorwaarden. De vergoeding wordt vastgesteld op € 3.000,00. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-143
Ontslag kennelijk onredelijk ondanks slechte financiële situatie werkgever omdat werkgever geen voorziening voor de werknemer heeft getroffen. Art. 7:681 BW
De werknemer vordert een verklaring voor recht dat het haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. De werknemer stelt hiertoe, dat de opzegging kennelijk onredelijk is, gezien de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. De Kantonrechter is van oordeel dat de noodzaak voor de werkgever om tot opzegging over te gaan, gezien de financiële resultaten, evident is. De vraag is daarom, of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, waarbij de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden in aanmerking genomen moeten worden. Behalve het aanbieden van een vergoeding ad € 2.028,-- heeft de werkgever geen noemenswaardige voorzieningen getroffen. Dat aanbod is echter vervallen. Nu verder aannemelijk is dat de positie voor de werknemer op de arbeidsmarkt niet rooskleurig is, leidt dat tot het oordeel dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Dat de werknemer langer loon heeft ontvangen dan in het geval een regeling was getroffen, maakt dat niet anders. Zij heeft in die periode immers ook gewerkt. Volgt toewijzing van de vordering. De vergoeding wordt afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer en vastgesteld op € 2.028,00. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-142
Schadevergoeding bij onregelmatig ontslag directeur. Art. 7:677
De werknemer is statutair directeur bij de werkgever. De werkgever zegt de arbeidsovereenkomst op wegens disfunctioneren met een opzegtermijn van een maand. De werknemer stelt dat sprake is van een opzegtermijn van vier maanden en vordert in kort geding een gefixeerde schadevergoeding. Daarnaast vordert de werknemer een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag, omdat geen sprake zou zijn van disfunctioneren. De voorzieningenrechter oordeelt dat de werkgever een onjuiste opzegtermijn heeft gehanteerd en wijst de gefixeerde schadevergoeding toe. De ontslagvergoeding wordt afgewezen, omdat een voorlopige voorziening zich niet voor een dergelijke uitspraak leent, gezien de beperkte bewijsvoering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-139
Bevoegdheidsincident; pensioenrecht. Art. 216 Pensioenwet
In de hoofdzaak vordert eiser o.a. dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het Pensioenfonds veroordeelt tot betaling WAO-hiaat en WAO-excedent pensioen. Het Pensioenfonds heeft in het bevoegdheidsincident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rol van de rechtbank Rotterdam sector kanton, locatie Rotterdam. Omstandigheden wijzen erop dat de regelingen die aan de vordering ten grondslag liggen betrekking hebben op een arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van artikel 1 Pensioenwet en niet (mede) op de werkeloosheidscomponent. De vordering heeft daarmee ook betrekking op een pensioenreglement in de zin van datzelfde artikel. Op grond van artikel 216 Pensioenwet dienen dergelijke zaken behandeld en beslist te worden door de
kantonrechter. Derhalve zal de rechtbank overeenkomstig artikel 71 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rol van de sector kanton van de rechtbank Rotterdam. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-140