Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst; appelverbod. Art. 7:685 lid 11 BW
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie, terwijl door geen der partijen deze verstoorde arbeidsrelatie was aangevoerd in de procedure. De werkgever gaat in hoger beroep en stelt dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, omdat hij niet heeft kunnen reageren op het argument van de verstoorde arbeidsrelatie. Het Hof oordeelt dat de werkgever weliswaar ontvankelijk is, maar dat geen sprake is van schending van hoor en wederhoor, omdat de kantonrechter uit de mondelinge zitting heeft afgeleid dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. De werkgever heeft namelijk uitdrukkelijk aangegeven terugkeer dat terugkeer van de werknemer onmogelijk was. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-125
Overplaatsing valt niet binnen instructiebevoegdheid werkgever, eenzijdige wijziging. Art. 7:613, artikel 7:660 BW
Nadat de medewerker is overgeplaatst vordert zij in kort geding doorbetaling van loon en terugplaatsing op haar eigen functie. De Kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat de overplaatsing de toets der kritiek kon doorstaan. De werknemer recht haar grieven tegen dit oordeel. Het hof zal beoordelen of het besluit van de werkgever om de werknemer over te plaatsen deze toets inderdaad kan doorstaan. Het Hof behandelt als eerste de meest verstrekkende stelling van de werkgever, namelijk dat zij ex. artikel 7:660 BW en de beoordelingsvrijheid die haar gezien de aard van haar bedrijf en de daarin te verrichten werkzaamheden ten aanzien van de organisatie en de inrichting toekomt, bevoegd was de werknemer op te dragen haar werkzaamheden als accountmanager bij een andere business unit uit te voeren. Het Hof is voorshands van oordeel dat de overplaatsing niet kan worden gegrond op de instructiebevoegdheid van artikel 7:660 BW. De werkgever is op basis van dit artikel bevoegd voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid, werkinstructies, en voorschriften ter bevordering van de goede orde in de onderneming te geven binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften of van de arbeidsovereenkomst. Het besluit tot overplaatsing gaat naar het voorlopig oordeel van het Hof verder dan een werkinstructie. Nu tussen partijen vaststaat dat de werknemer niet heeft ingestemd met de wijziging, toetst het Hof de wijziging aan de hand van de daarvoor door de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf in Taxi Hofman. Na beoordeling van de feiten komt het Hof tot het voorlopig oordeel dat de wijziging de toetst der kritiek kan doorstaan zodat het vonnis wordt bekrachtigd en het beroep faalt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-562
Pensioenrecht; uitleg overeenkomst; korting op winstdeling; verbond ringfencing. Art. 6:248 BW lid 1; art. 6:162 BW; art. 69, 105 lid 1, 119 Wet Verplichte Beroepspensioenregeling; art 58, 123 Pensioenwet
Appellant is medisch specialist en is tot aan zijn pensioen deelnemer geweest in de beroepspensioenregeling voor medisch specialisten. De eerste 10 jaar was zijn ‘normpensioen’ ondergebracht bij eiser (het pensioenfonds), de daarop volgende 10 jaar bij VVAA levensverzekeringen N.V. en vervolgens weer bij het pensioenfonds. Het pensioenfonds kent deelnemers een winstdeling toe. De winstdeling aan deelnemers die hun pensioen in het verleden onderbrachten bij VVAA is anders (eenmalige storting en 1% korting op jaarlijkse winstdeling) dan de winstdeling toegekend aan deelnemers die dat niet deden. Appellant maakt bezwaar tegen de winstdelingsregeling.
Appellant kan rechten ontlenen aan overeenkomst tussen VVAA en Pensioenfonds strekkende tot waardeoverdracht. De winstdelingsregeling is niet strijdig met die overeenkomst. Geen onrechtmatige handelen door ongelijke behandeling appellant ten opzichte van de deelnemers in eigen beheer of door onzorgvuldig beleggingsbeleid. Geen aanvullende waarschuwingsplicht pensioenfonds over verschil in dekkingsgraad ten behoeve van winstdeling. Geen schending verplichting dat pensioenregelingen financieel één geheel vormen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-554
Studiekostenbeding. Art. 7:611 BW
De werkgever en de werknemer zijn via een pro forma-ontbinding uit elkaar gegaan. Partijen hebben elkaar over en weer geen finale kwijting verleend. De werkgever heeft vervolgens in de eindafrekening een bedrag ingehouden op grond van het geldende studiekostenbeding. De werknemer stelt dat een beroep op het studiekostenbeding in strijd is met het goed werkgeverschap. Het Hof oordeelt dat het studiekostenbeding voldoende duidelijk is en dat het goed werkgeverschap er niet aan in de weg staat dat de werkgever een deel van de studiekosten conform het beding inhoudt op de eindafrekening van de werknemer. Zowel de werkgever als de werknemer heeft immers voordeel gehad van de gevolgde opleiding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-544
Werkgeversaansprakelijkheid; opzet/bewuste roekeloosheid. Art. 7:658 BW
De werknemer heeft letsel opgelopen toen hij tegen de voorschriften van de werkgever in is meegereden op een zogenoemde STILL, waarvan de container is gekanteld. De kantonrechter heeft de vordering van de werknemer op grond van art. 7:658 BW afgewezen vanwege opzettelijk handelen van de werknemer. In hoger beroep oordeelt dat opzet moet worden aangetoond volgens de strenge Pollemans/Hoondert-norm. Hieraan is niet voldaan, zodat de vordering van de werknemer alsnog moet worden toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-543
Bevoegdheid Nederlandse rechter en gebondenheid werknemer aan relatiebeding. Art. 7:653 BW, artikel 24 EEX-verdrag, artikel 31 EEX-verdrag
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is omdat vermogensbestanddelen zich bevinden op Duits grondgebied. Het Hof is van oordeel dat de Kantonrechter zich bevoegd mocht achten om kennis te nemen van de vordering, nu deze vordering een voorlopige maatregel en/of voorziening betreft als bedoeld in artikel 24 EEX-Verdrag en/of artikel 31 EEX-Verordening. Verder wil de voormalige werkgever de werknemer houden aan het tussen hen opgemaakte relatiebeding. Om te beoordelen of de vordering tot handhaving van het relatiebeding toewijsbaar is, dient allereerst te worden beoordeeld of de door de werkgever overgelegde arbeidsovereenkomst door de werknemer is ondertekend, hetgeen zij in eerste aanleg heeft ontkend. Forensisch onderzoek wijst uit dat de werknemer ongelijk heeft. Vervolgens beoordeelt het Hof of er voorshands voldoende grond is om de
vordering tot nakoming van het relatiebeding toe te wijzen. Het Hof is van oordeel dat dit het geval is, nu aannemelijk is dat de werknemer in strijd heeft gehandeld met het relatiebeding en zij in deze procedure niet de indruk heeft gewekt dat zij het relatiebeding in de toekomst niet meer zal overtreden. Volgt toewijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-436
Ontslag op staande voet. Art. 7:677 BW
De werknemer is in dienst als chauffeur. Nadat een aantal verkeersboetes zijn verrekend met zijn salaris heeft hij zich negatief uitgelaten over het salaris dat hij bij de werkgever verdient. Na deze negatieve uitlatingen heeft de werkgever de werknemer telefonisch op staande voet ontslagen. De werknemer vordert vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zich weliswaar in zijn boosheid negatief heeft uitgelaten over de werkgever, maar dat deze uitlatingen onvoldoende zijn om een dringende reden op te leveren. Bovendien is onduidelijk of telefonisch ook de reden van het ontslag op staande voet is vermeld, waarmee niet aan het onverwijldheidsvereiste is voldaan. Volgt toewijzing van de vordering van de werknemer. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-430
Kennelijk onredelijk ontslag; gevolgencriterium. Art. 7:681 BW
De arbeidsovereenkomst van de werkneemster is opgezegd na verkregen toestemming van het UWV-WERKbedrijf en het in acht nemen van de juiste opzegtermijn. De werkneemster vordert een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag, gebaseerd op de kantonrechtersformule x 70%. De kantonrechter oordeelt dat nu de werkneemster al meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is en bovendien niet volledig heeft meegewerkt aan de re-integratie, de gevolgen van de opzegging niet te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever. Het ontslag is dus niet kennelijk onredelijk. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-425
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De arbeidsovereenkomst van de werknemer is wegens een reorganisatie opgezegd. Er is een sociaal plan overeengekomen met representatieve vakbonden, waarin aan de werknemer een vergoeding met C=0,7 wordt toegekend. De werknemer vindt deze vergoeding te laag en dient gedurende de looptijd van de opzegtermijn een ontbindingsverzoek in ten einde een hogere vergoeding te realiseren. De kantonrechter oordeelt dat de ontbindingsprocedure niet bedoeld is om de hoogte van een vergoeding in een sociaal plan aan te vechten. Hiervoor is de kennelijk onredelijk ontslag-procedure de te bewandelen weg. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-387
Loonvordering; deskundigenbericht bij vaststellen gemaakte winst. Art. 7:904 BW
In de cao-regeling heeft de werkgever met de vakbonden afgesproken dat een tijdelijke inhouding op het loon mag plaatsvinden, totdat de werkgever weer winst maakt. Een externe accountant heeft vastgesteld dat de werkgever geen winst heeft gemaakt en dat de looninhouding mag plaatsvinden. De werknemersvereniging is het hiermee niet eens en stelt dat bepaalde inkomsten niet zijn meegeteld en dat er wel degelijk winst is gemaakt. De kantonrechter oordeelt dat de verklaring van een externe accountant heeft te gelden als een vaststelling als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW. Hiervan wordt slechts afgeweken wanneer de gebondenheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiervan is in casu niets gebleken. Volgt afwijzing van de loonvordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-388
Opname verlofuren. Art. 7:638 BW
De werkneemster heeft door de jaren heen een groot aantal verlofuren opgebouwd. Thans wil zij die uren achtereen opnemen, waardoor zij een lange periode vrijaf heeft. De werkgever verzet zich hiertegen en wil dat de werkneemster de uren gespreid opneemt. De kantonrechter oordeelt dat art. 7:638 BW als uitgangspunt hanteert dat de verlofuren moeten worden opgenomen in overeenstemming met de wensen van de werkneemster, tenzij er een gewichtige reden is om dit te weigeren. De werkgever heeft geen gewichtige redenen aangedragen, dus zullen de verlofdagen moeten worden vastgesteld conform de wens van de werkneemster. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-357
Overgang van onderneming van werkmaatschappij. Art. 7:662 en 663 BW
De vervreemder heeft een deel van zijn concern, namelijk de catering, uitbesteed. De werknemers die werkzaam waren voor deze catering zijn formeel in dienst bij een werkmaatschappij. De vraag is nu of deze werknemers van rechtswege mee overgaan bij een overgang van onderneming van de cateringservice. De werknemers claimen van wel, de verkrijger meent van niet. Het hof vraagt zich af of een materieel werkgeversbegrip moet worden gehanteerd en de werknemers dus mee over zijn gegaan. Het hof besluit een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie EG en houdt de zaak aan. Lees hier de uitspraak. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-354
Bedrijfsongeval; aansprakelijkheid uitzendbureau en inlener. Art. 7:658 lid 4 BW
De werknemer is via een uitzendbureau bij de inlener in dienst getreden als dakdekker. Tijdens werkzaamheden is hem een arbeidsongeval overkomen, waarbij hij letsel heeft opgelopen. De werknemer vordert schadevergoeding van zowel de inlener als het uitzendbureau. De kantonrechter stelt dat de inlener op grond van art. 7:658 lid 4 BW ook een zorgplicht heeft en aansprakelijk kan worden gehouden, evenals het uitzendbureau als formele werkgever. Zowel de inlener als het uitzendbureau hebben onvoldoende gewaarschuwd voor de gevaren, terwijl zij wisten dat de werknemer geen opleiding tot dakdekker had. Dit maakt dat de zorgplicht door beiden is geschonden. De vordering wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-352
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werkneemster. De werkgever stelt echter dat het verzoek tot ontbinding los staat van de arbeidsongeschiktheid, namelijk wegens bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter oordeelt dat het opzegverbod in beginsel reflexwerking heeft, maar dat bij een andere grondslag toch ontbonden kan worden. De bedrijfseconomische redenen zijn zo’n andere grondslag, echter heeft de werkgever deze onvoldoende aangetoond. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-364
Overgang van een onderdeel van de onderneming. Art. 7:663 BW
In casu wordt niet de gehele onderneming wordt overgedragen, maar slechts een deel daarvan. De vraag is gerezen of de werknemer bij het betrokken deel van de onderneming werkzaam is in de zin van artikel 7:663 BW of dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Het HvJ EG heeft in zijn uitspraak van 7 februari 1985 (NJ 1985, 902 (Botzen/RDM)) geoordeeld dat voor de overgang van de rechten en verplichtingen van werknemers in de zin van richtlijn nr. 77/187 EEG (thans richtlijn 2001/23 EG) beslissend is, of de afdeling waarbij de werknemers waren aangesteld en die het organisatorisch kader vormde waarbinnen de arbeidsverhouding werd geconcretiseerd, al dan niet wordt overgedragen. Een arbeidsverhouding wordt immers in hoofdzaak gekenmerkt door de band tussen de werknemer en het onderdeel van de onderneming, waarbij hij voor de uitoefening van zijn taak is aangesteld. Om te beoordelen of uit een arbeidsverhouding voortvloeiende rechten en verplichtingen op grond van de richtlijn zijn overgegaan, kan dus worden volstaan met vast te stellen, bij welk onderdeel van de onderneming de betrokken werknemer was aangesteld. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-376