|
|
Maandag 27 april 2009 - B7-10 211
Asbestzaak, schending zorgplicht werkgever. Art. 7:653 BW
De werknemer vordert dat voor recht zal worden verklaard dat de werkgever verwijtbaar tekort is geschoten en daarmee jegens hem schadeplichtig is geworden en gehouden zal zijn materiële en immateriële schadevergoeding te betalen. Ex. artikel 7:658 lid 2 BW is het aan eiser te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Als hij hierin slaagt, is de werkgever voor die schade aansprakelijk, tenzij zij zich ingevolge dezelfde bepaling van aansprakelijkheid kan bevrijden door het daarin bedoelde bewijs te leveren.
Het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan gevaarlijke stoffen en zijn gezondheidsklachten moet worden aangenomen als de werkgever heeft nagelaten maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De werkgever heeft aangevoerd dat concreet en overtuigend bewijs voor fatale blootstelling aan asbest tijdens zijn werk ontbreekt en zij de op haar rustende zorgplicht niet heeft geschonden. De Kantonrechter is van oordeel dat voorshands, behoudens tegenbewijs, de werknemer is geslaagd in het leveren van het op hem rustende bewijs dat hij in de uitoefening van zijn werk bij is blootgesteld aan asbest. De werkgever wordt overeenkomstig haar aanbod tot het tegenbewijs toegelaten. Volgt tussenvonnis. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-148