Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Onrechtmatige concurrentie. Art. 3:44 en 6:162 BW
De werknemers zijn statutair directeur en na een meningsverschil met de meerderheidsaandeelhouder wordt een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de onderhandelingen heeft de meerderheidsaandeelhouder meedere keren aangegeven dat hij er belang aan hecht dat de twee werknemers geen concurrerende activiteiten zouden gaan ontplooien. Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst kondigen de werknemers aan dat zij een eigen concurrerende onderneming gaan beginnen. De werkgever beroept zich op bedrog en vernietigt de vaststellingsovereenkomst. De werknemers vorderen dat de vaststellingsovereenkomst wordt nageleefd. In reconventie vordert de werkgever dat de concurrerende activiteiten worden verboden. De voorzieningenrechter oordeelt dat door het achterhouden van informatie inderdaad sprake is van bedrog en vernietigt de vaststellingsovereenkomst. De vordering in reconventie betreffende de onrechtmatige concurrentie wordt slechts toegewezen voor zover het gaat om het overnemen van personeel en klanten van de werkgever. Omdat de werknemers geen concurrentiebeding hebben staat het hen vrij hun eigen onderneming te starten. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-47
Overgang onderneming, concurrentiebeding geldig, geen matiging contractuele boete. Art. 7:653 BW, 7:662 BW, 7:652 BW, 6:94 BW
In deze procedure zijn partijen verdeeld over de vraag of er in casu sprake is van een overgang van de onderneming, het tussen partijen opgemaakte concurrentiebeding geldig is en zo ja, of het beding is overtreden. Nu de Kantonrechter van oordeel is dat onderneming is overgegaan, is ook het concurrentiebeding overgegaan in de nieuwe onderneming. Voor de Kantonrechter staat in casus vast dat de werknemers het concurrentiebeding hebben overtreden. De werknemers hebben de Kantonrechter verzocht de contractuele boete vanwege de overtreding te matigen. De rechter oordeel dat voor matiging van de vervallen boete slechts ruimte is als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn echter niet gebleken. Integendeel, aangenomen kan worden dat de handelwijze van de werknemers voor de werkgever aanzienlijke schade heeft opgeleverd. De door de werkgever gevorderde boete is derhalve toewijsbaar. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-309
Verwerking persoonsgegevens werknemer in financieel incidentenregister rechtmatig
Een oud werknemer van een financiële instelling is door haar voormalig werkgever opgenomen in een incidentenregister. De werknemer stelt dat dit onrechtmatig is. Op basis van feiten en omstandigheden oordeelt het Hof dat de werkgever, onder meer vanwege frauduleuze handelingen, rechtmatig de persoonsgegevens betreffende de werknemer en haar handelingen in het incidentenregister en de daarbij horende verwijzingsregisters heeft opgenomen. Het Hof stelt vast dat de gegevens niet onjuist zijn. Verder valt de verwerking van de persoonsgegevens binnen het welbepaald uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel van de registers, is de registratie, ook in licht van de consequentie dat de werknemer niet langer in de financiële dienstverlening werkzaam kan zijn, proportioneel, terwijl niet gebleken is dat de verwerking anderszins niet rechtmatig is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-282
Ontbindingsverzoek werknemer na opzegging toegewezen. Art. 7:685 BW
Nadat de werkgever met toestemming van het CWI de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen 1 januari, ontbindt de Kantonrechter op 29 december op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst. Eerder, bij brief van 19 november had de werkgever nogmaals opgezegd tegen 1 december; zonder inachtneming van de opzegtermijn Het Hof oordeelt dat beroep tegen de ontbindingsbeschikking alleen mogelijk is als de rechter onder meer buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden. De werkgever is ontvankelijk omdat zij stelt dat de Kantonrechter zich onbevoegd had moeten verklaren. De arbeidsovereenkomst was immers (voor de tweede keer) opgezegd tegen 1 december. Het Hof oordeelt dat met de eerste regelmatige opzegging de arbeidsverhouding per 31 december heeft beëindigd. Op deze eenzijdige rechtshandeling mag de werkgever niet terugkomen door een tweede maal onregelmatig op te zeggen, tenzij de werknemer instemt. Verder overweegt het Hof dat de tweede opzegging enkel was bedoeld om de eerste opzegging werking te ontnemen. Dit is misbruik van recht dan wel in strijd met goed werkgeverschap. De opzegging heeft om die reden geen rechtskracht. Uit het wettelijk ontslagsysteem volgt, anders dan werkgever betoogt, niet dat de eerste opzegging aan indiening van het ontbindingsverzoek in de weg stond. Het enkele feit dat de werknemer er ook voor had kunnen kiezen na opzegging geen ontbindingsprocedure te starten maar een procedure ex artikel 7:681 BW, leidt niet tot een ander oordeel. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-281
Schorsingsverzoek ‘uitvoerheidsverklaring bij voorraad’ afgewezen. Art. 288 BRv
De werkgever heeft het Hof verzocht de schorsing te bevelen van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een gewezen beschikking. De Kantonrechter heeft bij genoemde beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden onder toekenning van een vergoeding. In een appelprocedure heeft het Hof in die procedure het beroep verworpen, zodat de beschikking met inbegrip van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, in stand blijft. Het schorsingsverzoek wordt in casu reeds hierom afgewezen. Het Hof merkt nog op dat de door de werkgever aangevoerde gronden voor schorsing, te weten dat de beschikking van de Kantonrechter gebaseerd zou zijn op een juridische en feitelijke misslag dan wel dat er sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid van de zijde van de werknemer door over te gaan tot executie zich niet voordoen althans niet aannemelijk zijn geworden. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-280
Terugbetalen studiekosten na beëindiging arbeidsovereenkomst
De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst vrijwillig opgezegd. Nadien ontstaat een geschil met betrekking tot de terugbetaling van de studiekosten. De werknemer gaat in hoger beroep tegen de uitspraak in eerste instantie, waarin zijn vordering tot niet hoeven terugbetalen, dan wel mindering van het terug te betalen bedrag, was afgewezen. Hij stelt dat hij de studiekosten niet terug hoeft te betalen, omdat de studiekosten onderdeel waren van het salaris. Dit is volgens het hof weliswaar een mogelijke reden om aan te nemen dat de studiekosten niet hoeven te worden terugbetaald, maar nu de werkgever betwist dat er een relatie is tussen de studiekosten en het salaris, kan het betoog van de werknemer niet worden gevolgd. Voorts stelt de werknemer dat hij niet op de hoogte was van de bestaande terugbetalingsregeling. Het hof overweegt echter dat, gezien het feit dat in de arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar het bedrijfsreglement de werknemer wel degelijk het beding kende. Het hof bekrachtigt de bestreden vonnissen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-264
Ontbindingsverzoek afgewezen wegens onjuiste toepassing afspiegelingsbeginsel. Art. 7:685 BW
Vanwege bedrijfseconomische redenen is de werknemer genoodzaakt haar werkzaamheden in te krimpen. Teneinde de voor ontslag in aanmerking komende werknemers te selecteren, past de werkgever het afspiegelingsbeginsel toe. Binnen het bedrijf werken twee assistent boekhouders. Na toepassing van het afspiegelingsbeginsel zou de medewerker met een arbeidshandicap die volgens de werkgever veel begeleiding nodig heeft, blijven. De werkgever verzoekt voor deze medewerker desondanks de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat de uitkomst van het afspiegelingsbeginsel in deze omstandigheden niet wenselijk is. De Rechtbank wijst het verzoek af omdat het gegeven dat iemand een arbeidshandicap heeft, geen reden is het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing te laten zijn. Volgt afwijzing van het verzoek. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-250
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is ruim 30 jaar in dienst van de werkgever wanneer hij arbeidsongeschikt raakt. Na twee jaar loondoorbetaling krijgt de werknemer een WIA-uitkering (IVA) en zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig op. De werknemer stelt dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, omdat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is gelegen in het feit dat hij een psychische klap heeft gekregen van het laten vervallen van zijn werkplek in Borne. Het hof oordeelt dat de werkgever aan al zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan en dat daarom geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-228
Ontslag op staande voet geen dringende reden. Art. 7:677 BW
Een werknemer is vanwege gezagsondermijnend gedrag op staande voet ontslagen. In kort geding heeft de medewerker wedertewerkstelling en loon gevorderd, welke vorderingen in eerste aanleg zijn toegewezen. In het door de werkgever ingestelde hoger beroep beoordeelt het Hof nadat het spoedeisend belang is aangenomen, de vraag of op voorhand voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van de werknemer in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Allereerst volgt het bevestigende antwoord dat het gegeven ontslag op staande voet zal standhouden. Daarbij stelt het Hof vast dat de werknemer heeft bestreden dat hij het gestelde gedrag heeft vertoond en heeft de juistheid van de door de werkgever in het geding gebrachte verklaringen uitdrukkelijk betwist.
Nu de aan het ontslag op staande voet gestelde reden gemotiveerd wordt betwist, ligt volgens het Hof bewijslevering van de reden voor de hand. Hiervoor is in het kader van een kort-gedingprocedure geen plaats. Als gevolg hiervan oordeelt het Hof dat de Kantonrechter de werkgever terecht heeft veroordeeld het loon door te betalen. Volgt bekrachtiging van het vonnis. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-210
Verhaal boete illegale werknemers. Art. 6:74 BW; WAV.
Werkgever I heeft werknemers die niet over de juiste tewerkstellingspapieren beschikten uitgeleend aan werkgever II. De vraag is of de opgelegde boete kan worden verhaald door werkgever II op werkgever I. Het hof oordeelt dat de strekking van de Wav is dat iedere werkgever verantwoordelijk is voor het feit dat door hem ingezette werknemers over de juiste papieren beschikken. Omdat werkgever II zelf heeft verzuimd om controle uit te oefenen op de tewerkstellingsvergunning brengt dit met zich dat werkgever II zelf ook nalatig is geweest en de boete derhalve niet kan worden verhaald op werkgever I. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-199
Verhaal boete wegens overtreding Wav door opdrachtgever op aannemer. Art. 2 lid 1 Wav
Bij een bouwproject heeft de opdrachtgever een aannemer ingeschakeld die op zijn beurt weer gebruik maakt van Poolse werknemer zonder tewerkstellingsvergunning. Zowel de opdrachtgever als de aannemer krijgen een boete van de Arbeidsinspectie op grond van schending van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De opdrachtgever wil zijn boete verhalen op de aannemer, nu de aannemer de Polen heeft ingehuurd. De rechtbank heeft in eerste aanleg de vordering van de opdrachtgever toegewezen. Het hof oordeelt echter dat de opdrachtgever wist dat de aannemer met Poolse arbeidskrachten werkte en geen middelen of mensen ter beschikking wilde stellen om controle uit te oefenen op de tewerkstellingsvergunning. Dit brengt met zich dat de opdrachtgever zelf ook nalatig is geweest en de boete derhalve niet kan worden verhaald op de aannemer. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-194
Concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst met de werkgever met daarin opgenomen een concurrentiebeding. Na een jaar besluit de werknemer in dienst te treden bij de concurrent van de werkgever, waarna die concurrent dezelfde artikelen als de werkgever gaat aanbieden tegen een net iets lagere prijs. De werkgever vordert in eerste aanleg dat werknemer moet worden veroordeeld tot een boete. De rechtbank wijst de vordering toe. In hoger beroep stelt de werknemer dat het belang van de werkgever niet opweegt tegen zijn belang en dat het concurrentiebeding daarom vernietigd dient te worden. Het hof oordeelt dat de werkgever wel degelijk een zwaarwichtig belang heeft bij het vasthouden aan het concurrentiebeding nu de werkgever duidelijk schade lijdt door de overstap van de werknemer naar een concurrent. De vordering van de werknemer wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-190
Relatiebeding ongeldig na functiewijziging. Art. 7:652 BW
Eindvonnis na tussenvonnis LJN: BI1739. De Kantonrechter is van oordeel dat gedaagde is geslaagd in het bewijs dat zijn functie bij zijn voormalige werkgever gedurende de loop van de arbeidsovereenkomst zo ingrijpend is veranderd, dat daardoor het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie/relatiebeding tussen partijen aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. De Kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat het relatiebeding niet rechtsgeldig is overeengekomen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-168
Onrechtmatige concurrentie niet aangenomen. Art. 7:652 BW, artikel 6:162 BW
De werkgever vordert een verklaring voor recht dat haar voormalige werknemer het relatiebeding heeft overtreden. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van onrechtmatige concurrentie als met gebruikmaking van kennis en gegevens over klanten opgedaan bij de voormalige werkgever, stelselmatig en substantieel actief onder klanten met een duurzaam karakter van de ex-werkgever wordt geworven. In casu acht de Kantonrechter dit niet het geval. De werknemer vordert in reconventie vanwege de wens om een eigen bedrijf te starten, vernietiging van het relatiebeding omdat het door een functiewijziging zwaarder is gaan drukken. De Kantonrechter komt tot een tussenvonnis en laat de werknemer toe te bewijzen dat zijn functie gedurende de loop van de arbeidsovereenkomst zo ingrijpend is veranderd, dat daardoor het concurrentie/relatiebeding tussen partijen aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Eindoordeel in BI1748. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-167
Opvolgend werkgeverschap. Art.7:668a BW
De werknemer heeft een arbeidsovereenkomst bij taxibedrijf A dat vervoer verzorgt voor Stichting X. Na opzegging van het contract met Taxibedrijf A. heeft Stichting X een contract gesloten met Taxibedrijf B. De werknemer treedt in dienst bij Taxibedrijf B. Na ommekomst van de bepaalde tijd wordt de overeenkomst niet voortgezet. Eiseres stelt in kort geding dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij Taxibedrijf B, primair op grond van overgang van onderneming, subsidiair op grond van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:668a BW. De Kantonrechter wijst de eerste grond af nu er geen contractuele relatie bestaat tussen de twee taxibedrijven. De vraag of er sprake is van opvolgend werkgever wordt in lijn met de uitgangspunten van HR 24 oktober 1986, NJ 1987, 293 geoordeeld. In dat arrest was de te beantwoorden rechtsvraag of en wanneer er sprake is van een "werkgever die redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn". Door de HR wordt een tweeledig toetsingscriterium gehanteerd: enerzijds zijn aard en inhoud van het werk bij de voorgaand en opvolgend werkgever en anderzijds aard en inhoud van de banden tussen de opvolgend werkgevers bepalend. Wil er sprake kunnen zijn van opvolgend werkgeverschap dan volstaat dus niet alleen dat in belangrijke mate het werk gelijk(soortig) is, ook dient er sprake te zijn van zodanige banden tussen de twee bedrijven dat het gerechtvaardigd is de eerste arbeidsovereenkomst mee te tellen in het kader van artikel 7:668a, tweede lid a BW. In casu is er geen band tussen de bedrijven geconstateerd. Nu aan het tweede toetsingscriterium niet is voldaan, kan van opvolgend werkgeverschap niet worden gesproken. De vorderingen worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-164