Archief JWB

Dossiers

Arbeidsrecht Agenda

Kort nieuws

Meest gelezen

print pagina
verklein lettertype vergroot lettertype
Maandag 30 november 2009 - B7-10 590

Rechtbank Rotterdam 6 mei 2009, BK4042

Kan werknemer de schade die hij heeft veroorzaakt verhalen op werkgever? Art. 7:661 BW 
   
De werknemer is een administratieve sanctie opgelegd, vanwege een te hoog geladen vrachtwagen. Hij heeft dit bedrag, 750 euro, betaald en vordert dit bedrag voorts terug van zijn werkgever. De werknemer baseert zijn vordering op artikel 7 lid 4b van de betreffende CAO. De kantonrechter overweegt dat de vordering niet gebaseerd kan worden op het genoemde artikel van de CAO. Wel kan de vordering volgens de kantonrechter gebaseerd worden op artikel 7:658 lid 2 BW. Partijen worden door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld zich over de toepasselijkheid van deze rechtsgrond uit te laten, waarbij tevens van belang is hoe de genoemde bepaling uitgelegd moet worden in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2008, JAR 2008/185 over de toepasselijkheid van artikel 7:661 BW bij verkeersboetes. Ook worden partijen verzocht in te gaan op artikel 7:611 BW als mogelijke grondslag. De kantonrechter houdt de zaak aan. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-538



Maandag 21 september 2009 - B7-10 473

Rechtbank Groningen 29 mei 2009, BJ7442

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
   
De werknemer is werkzaam voor een uitzendbureau X, van waaruit hij is uitgeleend aan een werkgever Y. Werkgever Y zegt het inleencontract op, waarna het uitzendbureau een verzoek indient tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer beroept zich op reflexwerking van het Ontslagbesluit en zegt dat hij conform het afspiegelingsbeginsel niet ontslagen mag worden. De kantonrechter oordeelt dat inderdaad sprake kan zijn van reflexwerking van het Ontslagbesluit in de ontbindingsprocedure, maar dat nu het inleencontract is opgezegd alle arbeidsovereenkomsten moeten worden ontbonden. Het afspiegelingsbeginsel hoeft dus niet te worden toegepast. Volgt toewijzing van het ontbindingsverzoek. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-413



Donderdag 17 september 2009 - B7-10 460

Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2009, BJ6474

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:610 BW
       
De werknemer is als tennisleraar werkzaam. Hij heeft formeel een arbeidsovereenkomst met een uitzendbureau en wordt vervolgens uitgeleend aan een tennisclub. Nadat hij een aantal maal is uitgeleend aan de tennisclub stelt de werknemer zich op het standpunt dat hij met de tennisclub een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Het hof oordeelt dat nu geen sprake is van een overeenkomst tussen de werknemer en de tennisclub ook geen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst. Voor kwalificatie van een arbeidsovereenkomst is immers vereist dat eerst een overeenkomst tussen de tennisclub en de werknemer zou zijn gesloten. De werknemer heeft echter slechts een overeenkomst met het uitzendbureau (zie ook HR in ABN Amro/Malhi). Volgt afwijzing van het beroep. Lees hier de uitspraak.


JWB Rechtspraak 2009-398
       
I



Maandag 24 augustus 2009 - B7-10 417

Gerechtshof ’s Gravenhage 26 mei 2009, BJ3482

Werkgeversaansprakelijkheid voor psychische schade. Art. 7:658 BW 
   
De werkneemster is werkzaam in een sociowoning, waarbij moeilijk opvoedbare kinderen werden ondergebracht. De werkneemster is jarenlang geconfronteerd met een grote mate van agressie jegens haar en collega’s. Ondanks herhaaldelijke verzoeken aan de werkgever heeft deze hieraan niets gedaan. De werkneemster is nu arbeidsongeschikt en heeft psychische schade opgelopen. Zij vordert schadevergoeding van de werkgever. De werkgever stelt dat de risico’s bekend waren en dat er onvoldoende duidelijk is welke schade er is geleden. Het hof oordeelt dat de werkgever zwaar tekort is geschoten in haar zorgplicht en dat de schade zal moeten worden vergoed. De partijen worden bevolen een minnelijke schikking te beproeven. Het hof houdt de zaak aan. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-353



Maandag 24 augustus 2009 - B7-10 416

Gerechtshof Arnhem 12 mei 2009, BJ3742

Pensioenverrekening Boon/Van Loon, rechtsvordering verjaard. Art. 3:303 BW 
   
Het geschil tussen partijen komt er op neer dat de vrouw vordert dat het door de man opgebouwde pensioenrecht tussen hen wordt verrekend (HR 27 november 1981, NJ 1982, Boon/Van Loon). Zij stelt dat het pensioen valt binnen de “Boon/Van Loon” criteria en dat een regeling over het pensioen in het echtscheidingsconvenant simpelweg is vergeten zodat verdeling nog moet volgen. De Rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Het Hof overweegt dat de vrouw geen belang heeft bij behandeling van haar grieven. Als haar grieven falen, blijft het bestreden vonnis in stand. Als één van haar grieven slaagt, dient het Hof het niet prijsgegeven verweer van de man over de verjaring ex artikel 3:306 BW te beoordelen. Dit verweer van de man slaagt naar het oordeel van het Hof. Dit heeft tot gevolg dat het bestreden vonnis in stand blijft. Het Hof overweegt daartoe dat door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en de deelgenoten verdeling daarvan kunnen vorderen. Ex. artikel 3:306 BW geldt in casu een verjaringstermijn van 20 jaar. Met de man is het Hof van oordeel dat deze termijn is gestart op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Dit betekent dat als de vrouw al een vordering op de man heeft, de vordering van de vrouw op 6 april 2002 is verjaard. De dagvaarding van de vrouw dateert van 19 april 2007. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw die verjaringstermijn heeft gestuit. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-378



Maandag 24 augustus 2009 - B7-10 415

Gerechtshof Arnhem 12 mei 2009, BJ3248

Arbeidsrecht en CAO; werknemer heeft aanspraak op een overgangsregeling voor vervroegd uittreden 
    
Het verzoek van een werknemer om in aanmerking te komen voor een regeling voor vervroegd uittreden is door de uitvoerende stichting afgewezen. Zowel in eerste aanleg, als door het Hof wordt de werknemer in zijn gelijk gesteld. Op basis van een beoordeling en interpretatie van de inhoudelijke tekst van de collectieve regeling komt het Hof tot dit oordeel. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-373



Maandag 17 augustus 2009 - B7-10 389

Gerechtshof Arnhem 19 mei 2009, BJ4214

Kwalificatie arbeidsovereenkomst. Art. 7:400; 7:610 en 7:610a BW 
   
De werker heeft een functie als distributeur. De vraag die voorligt, is of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Het Hof hanteert de Groen/Schoevers-criteria. In de gesloten overeenkomst staat in de considerans duidelijk dat partijen hebben beoogd een overeenkomst van opdracht te sluiten, dus moet dat het uitgangspunt zijn, aldus het Hof. Vervolgens moet worden gekeken naar de feitelijke uitvoering. Het Hof oordeelt dat geen sprake is van richtlijnen of instructies met betrekking tot de werkinhoud. Ook is geen sprake van loondoorbetaling bij ziekte. Er zijn onvoldoende factoren die een indicatie geven dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het Hof concludeert dat er wordt gewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-346



Maandag 17 augustus 2009 - B7-10 388

Rechtbank Den Haag 13 mei 2009, BJ4165

Antilliaanse zaak; opheffing executoriaal bankbeslag. Art. 26 lid 2 Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht 
   
De werknemer is van mening dat hij nog ruim EUR 40.000 tegoed heeft van de werkgever (de Nederlandse Antillen). Nu de werkgever niet wil betalen heeft de werknemer executoriaal bankbeslag laten leggen op de rekening van de werkgever. De werkgever eist in kort geding dat het executoriaal bankbeslag wordt opgeheven. De voorzieningenrechter oordeelt dat nu het hoger beroep nog loopt en de door de werkgever gestelde bankgarantie is er geen reden het executoriale beslag te handhaven. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-350



Maandag 17 augustus 2009 - B7-10 387

Rechtbank Utrecht 11 mei 2009, BJ4005

Ontbindingsverzoek; berekening A-factor bij opvolgend werkgeverschap. Art. 7:685 BW, artikel 7:668a BW 
   
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een medewerker die het voor zijn functie noodzakelijke diploma niet heeft behaald. De Kantonrechter wijst het verzoek toe en acht het billijk een vergoeding toe te kennen. De werknemer neemt het standpunt in dat de opgebouwde anciënniteit bij een andere vestiging van de werkgever bij de berekening van de A-factor dient te worden meegerekend. De werkgever wijst op de verschillende uitkomsten van rechters ( JAR 2005/180 en JAR 2005/53 tegenover JAR 2005/254) bij het antwoord op de vraag of de bank gezien moet worden als een centrale bank met meerdere vestigingen of als een hoeveelheid lokale banken met een eigen autonomie. De Kantonrechter beziet de CAO die weliswaar bepaalt dat iedere werkgever te beschouwen is als een afzonderlijke onderneming. Evenwel is de Kantonrechter van oordeel dat, gelet op de uitzondering op artikel 7:668a BW en de inhoud van de CAO én gelet op de structuur van de medezeggenschap, er reden is ook de eerdere bij de bank gewerkte en meteen aan de indiensttreding bij de nieuwe vestiging voorafgaande jaren mee te tellen bij de berekening van de vergoeding. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-330



Dinsdag 11 augustus 2009 - B7-10 277

Rechtbank Almelo 14 mei 2009, BI5189

Gunstigere afwijking van CAO in individuele situatie niet toegestaan  
   
Ondanks het feit dat er een nieuwe CAO geldt, vordert de werknemer dat de werkgever hun eerdere afwijkende afspraak over een bijzondere roosterindeling voor de werknemer blijft nakomen. Naar aanleiding van een nieuwe CAO-bepaling komt de werkgever terug op de eerdere regeling. De vordering wordt afgewezen omdat naar het oordeel van de Kantonrechter de standaard CAO geen ruimte biedt voor een dergelijke afwijking. Veelal staat een CAO een individuele arbeidsvoorwaarde toe die voor een werknemer gunstiger is dan de CAO-bepaling. Echter, als een CAO, althans het beding dat tussen partijen in debat is, een standaardiserend karakter heeft mag het gunstigheidsbeginsel niet worden toegepast, zoals in casu het geval is.  Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-212



Dinsdag 28 juli 2009 - B7-10 364

Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2009, BJ2756

Bij volgen CAO-bepalingen is CAO niet zonder meer van toepassing. Art. 7:629 BW 
    
De arbeidsovereenkomst van de werknemer is na 2 jaar arbeidsongeschiktheid opgezegd. In casu verschillen partijen van mening over de vraag of de CAO van toepassing was op de arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, heeft de werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid te weinig loon heeft ontvangen. De werknemer stelt dat de CAO in de arbeidsovereenkomst weliswaar niet van toepassing is verklaard, maar dat men van de toepassing van die cao in de praktijk wel uitging, hetgeen bleek uit het feit dat de werknemer de arbeidsongeschiktheid van aanvankelijk 100% salaris ontving. Bij de vraag of de CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, komt het aan op de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de arbeidsovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het enkele feit dat de werkgever de werknemer tijdens diens arbeidsongeschiktheid aanvankelijk 100% salaris heeft betaald, brengt niet zonder meer mede dat de werknemer mocht verwachten dat de bepalingen van de cao, ook in de tijd dat die niet onverbindend was, tussen de partijen golden. Feiten op grond waarvan de werknemer hierop mocht vertrouwen - en de werkgever dat zo had moeten begrijpen - zijn gesteld noch gebleken. Dit alles brengt mede dat de werknemer alleen in de periode waarvoor de CAO algemeen verbindend is verklaard recht heeft op het loon volgens die CAO en voor het overige op het loon dat hem op grond van de arbeidsovereenkomst toekomt.  Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-306



Dinsdag 21 juli 2009 - B7-10 344

Rechtbank Haarlem 27 mei 2009, BJ2312

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW 
   
De werknemer is werkzaam in een winkel die de werkgever wil sluiten. De werknemer heeft de leeftijd bereikt waarmee hij met prepensioen kan. De werknemer wil echter graag blijven doorwerken, omdat hij wanneer hij van zijn prepensioen gebruik maakt, zal terugvallen in inkomen naar 85%. De werkgever heeft echter met het sluiten van de winkel gewacht tot de werknemer via de weg van prepensioen kan afvloeien. De werkgever verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst en biedt als vergoeding aan om het salaris een jaar aan te vullen tot 100%. De kantonrechter oordeelt dat ontbinding is gerechtvaardigd. Prepensioen is overeengekomen en de werkgever heeft correct gehandeld door te wachten met het laten vervallen van de arbeidsplaats van de werknemer tot diens prepensioenleeftijd. De vergoeding kan nooit hoger zijn dan het loon tot de pensioengerechtigde leeftijd. De aangeboden vergoeding is daarom toereikend.  Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-296



Woensdag 15 juli 2009 - B7-10 331

Rechtbank Zwolle-Lelystad 29 mei 2009, BJ1013

Ontbinding na seksuele intimidatie leidinggevende, geen vergoeding. Art. 7:685 BW 
   
De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een leidinggevende na klachten van seksuele intimidatie. De Kantonrechter stelt vast dat de arbeidsverhouding onherstelbaar is verstoord en kan het verzoek toe wijzen. Teneinde te kunnen oordelen of een ontbindingsvergoeding passend is, oordeelt de Kantonrechter dat de werkgever in haar onderzoek naar de klachten over deze werknemer en de seksuele intimidatie, niet zorgvuldig is geweest. Evenwel zijn alle feiten en omstandigheden en de gekozen aanpak in samenhang bezien aanvaardbaar, althans onvoldoende om alleen om die reden te oordelen dat billijkheidshalve een vergoeding moet worden toegekend. Tevens vloeit onvermijdelijk uit de feiten voort dat de werknemer de ontstane situatie tenminste in overwegende mate aan zichzelf heeft te wijten, zodat billijkheidshalve onvoldoende aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding. Volgt toewijzing van het verzoek.  Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-272



Woensdag 15 juli 2009 - B7-10 330

Gerechtshof Den Bosch 12 mei 2009, BJ0902

Pensioenrecht; uitleg; reikwijdte CAO; reikwijdte verplichtstelling pensioenfonds 
   
In geding is of Mimeos vof (geïntimeerde) deel moet nemen in de CAO- en Bedrijfstakregelingen uitgevoerd door appellanten. De werkzaamheden van Mimeos vof vallen naar oordeel van het hof binnen de reikwijdte van de werkingssfeerbepalingen van de CAO- en Bedrijfstakregelingen. Doorslaggevend is niet het aantal arbeidsuren dat gemoeid is met bezigheden die binnen de reikwijdte van de werkingssfeerbepalingen vallen, maar het aantal werknemers dat bezigheden verricht dat binnen die werkingsfeer valt. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-273 



Dinsdag 07 juli 2009 - B7-10 315

Gerechtshof Leeuwarden 26 mei 2009, BI9100

Hof maakt verschil tussen boetebeding en disciplinaire boete op basis van parlementaire geschiedenis. Art. 7:650 BW 
   
In eerste aanleg is de vordering van de werkgever om een verklaring voor recht te krijgen dat de werknemer het geheimhoudingsbeding had overtreden en derhalve een boete had verbeurd, afgewezen. De Rechtbank was van oordeel dat het beding niet voldeed aan de semi-dwingende eis dat de bestemming van de boete moet zijn beschreven in het beding. Het Hof maakt onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis een helder verschil tussen de disciplinaire boete en het boetebeding. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat niet is vereist dat het boetebeding uitdrukkelijk vermeldt dat de boete toekomt aan de werkgever, nu het beding juist bedoeld is om, in afwijking van de regeling omtrent de disciplinaire boete, wèl betaling aan de werkgever mogelijk te maken en het wetsvoorstel specifiek daarvoor is aangepast. Het Hof deelt niet de opvatting van de Rechtbank dat er, naast het schriftelijk overeenkomen van een beding als het onderhavige, nòg een expliciete verklaring moet zijn waaruit blijkt dat partijen hebben willen afwijken van de hoofdregel van art. 7:650 BW. Volgt vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Lees hier de uitspraak.

JWB Rechtspraak 2009-249