Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Verhouding inlener – uitzendbureau – uitzendkracht
De werkgever heeft als inlener met het uitzendbureau afgesproken dat een uitzendkracht voor de inlener zal gaan werken in verband met gelijktijdig zwangerschapsverlof van twee werkneemsters. De inlener heeft daarbij aangegeven dat de uitzendkracht minstens een half jaar moest blijven in verband met de te maken inwerkkosten. Na twee maanden krijgt de uitzendkracht een aanbod om ergens anders voor vast in dienst te treden waarop zij graag wil ingaan. De uitzendkracht zegt de arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau op, waarna het uitzendbureau de inlener een andere uitzendkracht stuurt. De inlener weigert hiervan gebruik te maken in verband met de inwerkkosten. De inlener betaalt maar een deel van de nota van het uitzendbureau, waarna het uitzendbureau in rechte het overige deel van de nota vordert. De Rechtbank Zwolle oordeelt dat weliswaar niet gebruikelijk is dat met een uitzendkracht een overeenkomst wordt aangegaan die niet tussentijds kan worden opgezegd, maar dat nu de inlener stelt dat dit was overeengekomen, de inlener in de gelegenheid moet worden gesteld voor deze afspraak bewijs aan te dragen. De zaak wordt daarom aangehouden. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-203
Terugvordering c.q. verrekening studiekosten in strijd met goed werkgeverschap. Art. 7:611 BW, artikel 7:652 BW
In geschil is de vraag of de werkgever op terechte gronden een bedrag op het loon van de werknemer heeft ingehouden. Op zich is het de werkgever toegestaan met de werknemer afspraken te maken over terugbetaling van studiekosten. Deze bevoegdheid is niet onbeperkt. Zij wordt begrensd door de eisen van goed werkgeverschap en de norm van artikel 6:248 BW (RvdW 1983, 122). De Kantonrechter is van oordeel dat inroeping van de betalingsverplichting in casu niet toelaatbaar is omdat de opleiding een verplicht karakter had. Daarnaast moet worden vastgesteld dat het loon slechts gering boven het wettelijk minimumloon lag toen de arbeidsovereenkomst werd vastgesteld en volledige inhouding zou ertoe leiden dat het werkelijke loon tot onder het wettelijk minimumloon daalt. Tenslotte heeft de werkgever het initiatief genomen tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Al met al acht de Kantonrechter de gepleegde inhouding in strijd met de wet en met de eisen van goed werkgeverschap. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-185
Dringende reden voor ontslag op staande voet gedeeltelijk bewezen. Art. 7:677 BW, artikel 7:678 BW
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 1 september 2006 een arrest gewezen (C05/136HR) en de zaak terugverwezen naar het Hof Amsterdam om onder meer te oordelen over een loonvordering na een ontslag op staande voet. In het arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, als van een door de werkgever als ‘dringende reden’ voor het ontslag aan de werknemer medegedeeld feitencomplex, na betwisting door de werknemer, slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, het ontslag niettemin zal kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld meegedeelde reden. Dit is mogelijk als (a) het gedeelte op zichzelf beschouwd wel kan gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, (b) de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen, als hij - anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende - daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en (c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden ook duidelijk moet zijn geweest. Met deze overweging komt het Hof Amsterdam tot een vernietiging van het bestreden vonnis. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-71
Onrechtmatige concurrentie. Art. 6:162
Werkgever A spreekt werkgever B aan op grond van onrechtmatige concurrentie. Werkgever B heeft een aantal werknemers met een non-concurrentiebeding overgenomen dan van werkgever A dan wel benaderd en vervolgens met behulp van de expertise van deze werknemers begeven als concurrent op de markt van werkgever A. De vraag die voorligt, is in hoeverre het gebruik maken van de wanprestatie die de werknemers plegen door hun concurrentiebeding te schenden onrechtmatige concurrentie oplevert van werkgever B ten opzichte van werkgever A. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de betrokken werknemers grote klanten hebben benaderd, waardoor werkgever A omzetschade zou hebben geleden. Werkgever B heeft dus niet op een oneerlijke manier werkgever A beconcurreerd. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-66
Herroeping ontbindingsbeschikking. Art. 382 jo. 390 Rv
In 2006 heeft de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden. Dit ontbindingsverzoek is uiteindelijk ingewilligd onder toekenning van een vergoeding van 450.000 euro. De hoogte van de vergoeding was (mede) gebaseerd op het feit dat de werknemer met zijn gezin vanuit Singapore – waarheen hij was uitgezonden – terug naar Nederland moest verhuizen. Na zijn ontslag is de werknemer echter niet teruggekeerd naar Nederland, maar is hij in Singapore blijven wonen. De kantonrechter is van mening dat de werkgever nieuw bewijs heeft dat de werknemer heeft gelogen over zijn gezinsremigratie en dat de zaak daarom moet worden heropend. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-63
Ondeugdelijke grond voor op non-actief stelling. Art. 7:628 BW
Kern In kort geding vordert de werknemer nadat hij op non-actief was gesteld wegens schending van een concurrentiebeding, zijn salaris en wedertewerkstelling van twee gedaagden vennootschappen. De Kantonrechter in kort geding wijst beide vorderingen toe omdat er onvoldoende grond was voor de op non-actief stelling. Aangezien tijdens de procedure niet duidelijk is bij welke werkgever de werknemer in dienst is, veroordeelt de Kantonrechter beide vennootschappen hoofdelijk tot betaling. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-31
(Tussenvonnis van AR 2009-42) Ontbinding, concurrentie werknemer, slecht werknemerschap, verandering van de omstandigheden, geen vergoeding. Art. 7:685 BW.
PC Data heeft haar verzoek tot ontbinding primair gebaseerd op een dringende reden en ter zitting daarvan bewijs aangeboden door middel van het horen van voornoemde [naam collega] en [naam medewerker Care] als getuigen. De kantonrechter acht voor het vaststellen van de dringende reden zoals die door PC Data wordt aangevoerd het horen van deze getuigen van belang en zal derhalve hun oproeping bevelen. De kantonrechter wijst er, wellicht ten overvloede op, dat een daartoe op wettige wijze opgeroepen getuige verplicht is getuigenis af te leggen. Volgt aanhouding van het ontbindingsverzoek en oproeping van de getuigen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-26
RSI, zorgplicht werkgever, causaal verband, stelplicht en bewijslastverdeling, predispositie werknemer. Art. 7:658 BW
Werkneemster is in de periode 1995-2002 in dienst geweest van Oracle. Vanaf 1996 heeft zij last van haar rechterarm en nek. Thans vordert zij schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW. Daartoe stelt zij onder meer dat vanwege de hoge werkdruk en slechte ergonomische omstandigheden, Oracle heeft bijgedragen aan haar RSI. Volgens Oracle heeft werkneemster niet voldaan aan haar stelplicht en bewijslast. Oracle heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat het allereerst aan werkneemster is om te stellen en te bewijzen dat zij schade heeft geleden en dat die schade in en door de uitoefening van haar werkzaamheden is ontstaan. Oracle meent dat eerst daarna aan de orde kan komen of zij aan de op haar rustende zorgverplichting van artikel 7:658 BW heeft voldaan. Oracle stelt daartoe eerder ook niet in staat te zijn. Daarnaast acht Oracle geen schending van haar zorgplicht aanwezig.