Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werkgever beweert dat de werknemer, die als chauffeur werkzaam is, fraude heeft gepleegd door het onjuist registreren van het aantal gewerkte uren en verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat uit de discrepantie tussen de tijden van de tachograafschijf en de dagstaten van de werknemer niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de werknemer heeft gefraudeerd. De arbeidsovereenkomst wordt echter wel ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie onder toekenning van een vergoeding van EUR 20.000. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-224
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer, 41 jaar en zes jaar in dienst, wordt ontslagen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid zonder uitzicht op herstel. De werknemer meent zelf dat hij wordt ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen en wil een vergoeding conform het sociaal plan. Daarnaast doet de werknemer een beroep op het gevolgencriterium. Het Hof oordeelt dat is gebleken dat voor de werknemer geen passende arbeid voorhanden was bij de werkgever en dat een gerechtvaardigde reden is voor opzegging. Het enkele feit dat na een zesjarig dienstverband wordt opgezegd maakt het ontslag niet kennelijk onredelijk. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-202
Pensioen
Deze zaak vormt een vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001, LJN: AB0806, NJ 2001, 292. Toen appellants pensioenaanspraak per 1 april 2005 was ingegaan, zijn partijen op 29 september 2005 ten overstaan van de voorzieningenrechter onder meer overeengekomen dat SPMS hem een pensioenvoorschot betaalt van EUR 2.500,00 bruto per maand. Voor het geschil over de pensioenbijdragen met ingang van 1990 hebben partijen geen oplossing gevonden. Naar aanleiding van appellants beroep op de hardheidsclausule in het pensioenreglement heeft SPMS zijn besluit meegedeeld. De daartegen gerichte vorderingen van appellant heeft de rechtbank afgewezen. Het hoger beroep faalt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-179
Pensioen
Deze zaak vormt een vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001, LJN: AB0806, NJ 2001, 292. Toen appellants pensioenaanspraak per 1 april 2005 was ingegaan, zijn partijen op 29 september 2005 ten overstaan van de voorzieningenrechter onder meer overeengekomen dat SPMS hem een pensioenvoorschot betaalt van EUR 2.500,00 bruto per maand. Voor het geschil over de pensioenbijdragen met ingang van 1990 hebben partijen geen oplossing gevonden. Naar aanleiding van appellants beroep op de hardheidsclausule in het pensioenreglement heeft SPMS zijn besluit meegedeeld. De daartegen gerichte vorderingen van appellant heeft de rechtbank afgewezen. Het hoger beroep faalt. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-179
Ouderschapsverlof. Art. 6:2 WAZ en 2 WAA
De werkneemster heeft recht op ouderschapsverlof en vraagt om verlenging van deze regeling op basis van dezelfde voorwaarden na de wettelijke uitbreiding van 13 naar 26 weken. De werkgever wil alleen meewerken aan de verlenging van het ouderschapsverlof als de werkneemster steeds voor halve dagen kinderopvang regelt. Dit weigert de werkneemster. De werkneemster vordert thans continuering van de bestaande ouderschapsverlofregeling. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever het verzoek tot continuering van de ouderschapsverlofregeling slechts kan weigeren indien hij een zwaarwegend bedrijfsbelang heeft. De werkgever heeft dit onvoldoende aannemelijk gemaakt, waardoor de vordering van de werkneemster moet worden toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-193
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 en 7:670 lid 7 BW
De werkneemster heeft recht op ouderschapsverlof en vraagt om verlenging van deze regeling op basis van dezelfde voorwaarden na de wettelijke uitbreiding van 13 naar 26 weken. De werkgever wil alleen meewerken aan de verlenging van het ouderschapsverlof als de werkneemster steeds voor halve dagen kinderopvang regelt. Dit weigert de werkneemster. De werkgever verzoekt vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering van de omstandigheden. De kantonrechter stelt dat het verzoek verband houdt met het opzegverbod van art. 7:670 lid 7 BW en wijst het verzoek daarom af. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-192
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werkneemster is 56 jaar oud, 16 jaar in dienst en gedeeltelijk arbeidsongeschikt wanneer haar arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden door de werkgever wordt opgezegd met een vergoeding conform het sociaal plan. De werkneemster vordert thans een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, omdat er geen valse reden is opgegeven door de werkgever. Ook is geen sprake van het gevolgencriterium, nu de werkneemster een vergoeding conform het sociaal plan heeft meegekregen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-175
Matiging boete concurrentiebeding. Art. 7:653 en 6:94 BW
De werknemer heeft tijdens zijn korte dienstverband bij de werkgever een eigen bedrijfje opgezet dat dezelfde activiteiten verricht. De werknemer heeft daarmee het concurrentiebeding en het nevenactiviteitenbeding overtreden. De werkgever heeft de boetes opgeëist, welke vordering door de kantonrechter is toegewezen. In hoger beroep vordert de werknemer matiging van de boete tot nihil. Het Hof oordeelt dat de werkgever wel degelijk een belang heeft bij het handhaven van de boetes nu de werknemer direct concurrerende activiteiten is gestart. Volgt bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-174
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW
De werknemer heeft tijdens het lossen van een vrachtauto een onderdeel van een machine op zich gekregen, waarbij hij schade heeft opgelopen. De werknemer stelt dat de werkgever aansprakelijk is wegens schending van zijn zorgplicht. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat de werknemer moet aantonen welke norm de werkgever heeft geschonden. In casu heeft de werknemer dat niet voldoende duidelijk gemaakt, nu is gebleken dat de werkgever instructies heeft verstrekt. Volgt afwijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-172
Doorbreking appelverbod bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 lid 11 BW en 262 Rv
De werknemer heeft in eerste aanleg een ontbindingsverzoek ingediend, waarop het verweerschrift van de werkgever pas drie dagen voor de zitting binnenkomt. De werknemer stelt dat hij te weinig tijd had om zich voor te bereiden op de zitting en dat daarom schending is van het beginsel van hoor en wederhoor. Het Hof oordeelt dat conform art. 262 Rv nog tot op de dag voor de zitting stukken mogen worden ingediend met goedvinden van de rechter. Er is derhalve geen sprake van schending van hoor en wederhoor of andere fundamentele rechtsbeginselen. Volgt verwerping van het beroep. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-173
Doorbreking appelverbod bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 lid 11 BW
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer, omdat de werknemer reeds een nieuwe baan had gevonden. De werknemer stelt dat sprake is van schending van hoor en wederhoor. Het Hof verklaart de werknemer ontvankelijk, omdat deze een beroep doet op een doorbrekingsgrond. Het beroep wordt echter verworpen omdat de werknemer vervolgens enkel een grief heeft ingesteld tegen het inhoudelijke oordeel van de kantonrechter. Er blijkt niet dat sprake is van schending van hoor en wederhoor. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-171
Concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding. Art. 7:653 BW
De werknemer is als statutair directeur in dienst getreden bij de werkgever. De werknemer heeft na een jaar de arbeidsovereenkomst opgezegd en is voor zichzelf begonnen en gedeeltelijk bij een concurrent in dienst getreden. De werkgever stelt dat zowel het geheimhoudingsbeding als het concurrentiebeding is geschonden, zodat de boetes kunnen worden verbeurd. Het Hof oordeelt dat de werknemer inzage moet geven in de activiteiten die hij nu verricht, zodat schending van het concurrentiebeding kan worden vastgesteld. Het verbod van nevenwerkzaamheden is in elk geval overtreden, zodat die boetes kunnen worden verbeurd. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2010-178
Beperking werkstaking bij de politie. Art. G ESH
De politiebonden willen staken bij het onderdeel Bureau OB dat verantwoordelijk is voor de openbare orde en veiligheid bij ambassades en gebouwen van internationale organisaties. De voorzieningenrechter heeft de staking verboden, waartegen de bonden in beroep gaan. Het Hof oordeelt dat het gevaar dat ontstaat door terroristische dreiging voor mensenlevens in of in de buurt van de gebouwen een schadepost is die niet mag worden gerelativeerd. De schadekans is zodanig groot dat de staking terecht is verboden op grond van art. G ESH. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-168
Ontbindingsverzoek werknemer na verkregen ontslagvergunning. Art. 7:685 BW
De werknemer verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst nadat haar werkgever een ontslagvergunning heeft verkregen. De Kantonrechter oordeelt dat het de werknemer vrijstond om te kiezen voor de ontbindingsprocedure, ook op het moment dat door het UWV Werkbedrijf reeds een vergunning was verstrekt en deze was benut voor een opzegging. Artikel 7:685 BW bepaalt niet voor niets dat ieder der partijen te allen tijde bevoegd is om zich tot de Kantonrechter te wenden. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat ook werkgevers de afgelopen jaren de weg van artikel 7:685 BW wisten te vinden wanneer men een arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen met een werknemer aan wie de arbeidsovereenkomst niet kon worden opgezegd, en de mogelijkheid van ontbinding in hun belang was. De Kantonrechter vermag dan ook niet in te zien waarom in dit geval de werknemer door een wettelijk geboden mogelijkheid te kiezen 'misbruik van procesrecht' zou maken, zoals de werkgever had betoogd. Dit klemt temeer omdat de weg van artikel 7:685 BW rechtstreeks voert tot een beoordeling door een onafhankelijke rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM, terwijl de UWV Werkbedrijf-procedure primair leidt tot beoordeling door een qua samenstelling onbekende ontslagcommissie die niet voldoet aan artikel 6 EVRM. De Kantonrechter biedt de werknemer de mogelijkheid haar verzoek in te trekken. Mocht zij dat niet doen, dan wordt het verzoek toegewezen onder toekenning van een ontbindingsvergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-141
Ontslag op staande voet. Art. 7:677 en 7:678 BW
De werkgever heeft de werknemer op staande voet ontslagen nadat de werknemer documenten van de werkgever naar zijn privé mailadres heeft gestuurd. De werkgever heeft een procedure in de VS aanhangig gemaakt om achter de gegevens van het privé mailadres te komen. De werknemer vordert vernietiging van het ontslag op staande voet en het staken van de procedure in de VS over zijn privé mailgegevens. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is bewezen dat sprake is van een dringende reden. Daarnaast moet de werkgever de procedure in de VS staken, omdat de enige reden die de werkgever heeft om deze procedure te voeren het op kosten jagen van de werknemer is. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-78