Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Misbruik flexibele contracten in onderwijs, vermoeden omvang arbeidsomvang. Art. 7:610b BW
Nadat een lerares minder toegekend krijgt dan in het vorige schooljaar vordert zij in kort geding een bevel tot toelating tot haar gebruikelijke werkzaamheden als lerares. Primair beroept zij zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Dit beroept faalt omdat de werknemer haar stelling niet kan staven met haar salarisstroken. Naar het oordeel van de Kantonrechter kan niet worden aangenomen dat de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau heeft bevonden dan de overeengekomen arbeidsduur. Het beroep op art. 7:610b BW faalt. Wel acht de Kantonrechter het aannemelijk dat als de werknemer, zeker gezien haar brede inzetbaarheid, een beroep had gedaan op vermeerdering van werkuren op basis van de Wet Arbeid en Zorg de werkgever dit niet had kunnen weigeren. Na beoordeling van de feiten en omstandigheden oordeelt de Kantonrechter dat de school niet als goed werkgever heeft gehandeld door de lerares minder uren aan te bieden. Omdat de lesroosters al zijn ingevuld, is toelating tot de reguliere uren niet meer mogelijk zodat het loonverschil als schadevergoeding wordt toegekend. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-57
Vaststelling omvang arbeidsduur
De werkgever en de werknemer hebben bij aanvang van de arbeidsovereenkomst geen afspraken gemaakt over het te werken aantal uren. Ook is geen administratie bijgehouden over het aantal gewerkte uren. De werkgever stelt dat het ging om 4 uur per week en de werknemer stelt dat het ging om 28,5 uur per week. De kantonrechter wordt gevraagd aan de hand van getuigenissen het aantal uren te bepalen. De kantonrechter oordeelt dat het nodig is om getuigen te horen en houdt de zaak aan. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-349
Pensioenrecht; verplichte aansluiting bij bedrijfstakpensioenfonds. Art. 3 Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds; 2
Partijen twisten over de vraag of een bedrijf dat zich met gevelreiniging bezighoudt reeds in de jaren 2001 een 2002 verplicht was aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. De kantonrechter oordeelde dat dit het geval was.
Het hof overweegt dat voor appellante onduidelijk was of deze in de jaren 2001 en 2002 verplicht was aangesloten bij het
bedrijfstakpensioenfonds en het op de weg van het pensioenfonds lag deze onduidelijkheid weg te nemen. Indien appellante verplicht was aangesloten kan dit naar 's hofs oordeel niet leiden tot een verplichting tot afdracht van premies. Het pensioenfonds heeft zich in zijn gedragingen jegens appellante niet gehouden aan hetgeen redelijkheid en billijkheid van hem eisen: zij heeft nagelaten tijdig, adequaat en eenduidig te reageren op de brieven van appellante waarin
zij vragen stelde over haar mogelijke verplichtingen tot het betalen van premie en de grondslag daartoe. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-43
Vergoeding buitengerechtelijke kosten. Art. 6:96 BW
Vervolg op LJN: AP1074. In deze procedure vordert de werkgever vergoeding van zijn buitengerechtelijke onkosten van een verzekeraar die aansprakelijk is voor een ongeval van één van haar verzekerden. De vraag is of de vordering op de voet van artikel 6:96 lid 2b BW vergoed kan worden. Daarvoor moeten de kosten de ‘dubbele redelijkheidstoets’ kunnen doorstaan. Hoewel het oordeel in dit arrest betrekking heeft op het inschakelen van een advocatenkantoor door een werkgever, geldt mutatis mutandis hetzelfde als een werknemer zich, zoals in casu het geval zou zijn geweest met de werknemer van de werkgever, in een vergelijkbare situatie van rechtsbijstand voorziet. Ook vanuit het perspectief van de werknemer is het redelijk dat ook al voordat het standpunt van de verzekeraar kenbaar is kosten van rechtsbijstand worden gemaakt. Daarbij acht het Hof het gehanteerde tarief niet onaanvaardbaar zodat de kosten de dubbele toets kunnen doorstaan en de vordering wordt toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-38
Uitleg bepaling verzekeringsovereenkomst; psychisch letsel is geen letsel in de zin van arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikelen: Art. 6:106 BW
De werknemer komt in beroep van het vonnis waarin zijn aanspraak op een uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering is afgewezen. De aanspraak zou moeten volgen uit de gestelde traumatische gebeurtenis op de werkvloer. Het standpunt dat onder het lichaam ook de psyche is begrepen en dat onder lichamelijk letsel ook psychisch letsel valt, verwerpt het Hof. Het standpunt is niet gemotiveerd en bovendien in strijd met het algemeen spraakgebruik waarbij "lichamelijk" en "psychisch" juist als termen met een tegengestelde betekenis hebben te gelden. Voorts is dat standpunt niet verenigbaar met artikel 6:106, lid 1 sub b BW waar ook de wetgever onderscheid maakt tussen de situatie dat een benadeelde "lichamelijk letsel" heeft opgelopen, geschaad is in zijn eer of goede naam of "op andere wijze in zijn persoon is aangetast". Het Hof volgt daarom het oordeel van de Rechtbank. De definitie van "ongeval" in de verzekeringsvoorwaarden kan niet worden uitgelegd in de door appellant bepleite zin. Als de werknemer zijn definitie bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst heeft opgevat in de door hem bepleite zin, had het op zijn weg gelegen de verzekeraar er op te wijzen dat hij die definitie aldus opvatte. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de - afwijkende - uitleg geen onderdeel geworden van de overeenkomst tussen partijen. Volgt bekrachtiging van het vonnis. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2009-5