Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
Nadat het bedrijf waar de werknemer werkt is overgenomen weigert de werknemer zich aan te passen aan de nieuwe stijl van het bedrijf, waardoor een verstoorde arbeidsrelatie ontstaat. De werkgever verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat ondanks dat de werkgever in de ontbindingsprocedure aangeeft zijn houding te willen verbeteren, de verhoudingen inmiddels zodanig verstoord zijn dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst onvermijdelijk is. De kantonrechter kent nog wel een vergoeding met C=0,5 toe aan de werknemer.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-394
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer stelt dat hij schade heeft geleden naar aanleiding van een arbeidsongeval. De werknemer heeft hiervoor de arbeidsinspectie ingeschakeld. De werkgever betwist het ongeval en stelt dat door inschakeling van de arbeidsinspectie de arbeidsrelatie zodanig is verstoord geraakt, dat deze dient te worden ontbonden. De kantonrechter oordeelt dat het inschakelen van de arbeidsinspectie geen grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst en wijst het verzoek van de werkgever af.
Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-330
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW
De werknemer is werkzaam bij werkgever A en tewerkgesteld bij werkgever B. Als gevolg van gladheid komt hij op het bedrijfsterrein ten val en loopt schade op. De werknemer stelt beide werkgevers aansprakelijk. De kantonrechter oordeelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het bij vorst glad kan worden. De werkgever B had dus maatregelen moeten treffen op zijn terrein teneinde ongevallen te voorkomen. Nu de werkgever B dat niet heeft gedaan is hij aansprakelijk. Ook werkgever A is als formele werkgever aansprakelijk voor de schade. De zaak wordt aangehouden ter begroting van de schade. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-298
Ontslag op staande voet nietig, roekeloosheid vraagt bewust handelen. Art. 7:677 BW
De werknemer die werkt op basis van een beroepspraktijkvormingsovereenkomst en een arbeidsovereenkomst, is ontslagen op staande voet vanwege roekeloosheid. Hij vordert een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet terecht is vernietigd en de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, alsook loon. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt maar dat dit geen dringende reden is voor een ontslag op staande voet. Hij was als leerling in dienst en de werkgever had niet mogen toestaan dat hij samen met een andere leerling zonder rijbewijs opdracht kregen stalen balken op te halen met de bedrijfsbus. Verder had er toezicht moeten zijn op de uitvoering van de werkzaamheden. Dat toezicht ontbrak. De Kantonrechter wijst de vordering toe. De stelling van de werkgever dat de schade of het gevaar is veroorzaakt door roekeloosheid kan het ontslag niet dragen. Voor roekeloosheid is vereist dat de werknemer zich bij zijn handelen bewust was of dat behoorde te zijn van het roekeloze karakter van dat handelen en dus van de grote kans dat het mis zou gaan. Bovendien levert schade of gevaar, veroorzaakt door roekeloosheid, volgens de wet pas een dringende reden voor ontslag op als vooraf is gewaarschuwd. Een verwijzing naar een gevolgde VCA-cursus, een certificering van de werknemer, het bedrijfsreglement en de veiligheidsvoorschriften schieten daarvoor te kort. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-121
Loonvordering, CAO niet van toepassing verklaard op arbeidsovereenkomst, loon conform CAO alleen in periode dat CAO algemeen verbindend was verklaard
Eiser is sinds 1991 als verkoopster in dienst bij de werkgever. De werknemer heeft gevorderd de werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig CAO-loon. De Kantonrechter stelt vast dat partijen het er ook over eens zijn de gewerkte uren betaald zijn, al twisten ze over de vraag of het juiste loon is betaald. Volgens de werknemer is dat niet het geval omdat zij niet gedurende de hele periode het loon dat in de CAO is bepaald, heeft gekregen. De Kantonrechter overweegt dat niet gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat de CAO op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is verklaard. In dat geval geldt het CAO-loon slechts in die periodes dat de CAO algemeen verbindend is verklaard. Het is vaste jurisprudentie dat een CAO die algemeen verbindend is verklaard geen terugwerkende kracht of nawerking heeft. Nu voor de werknemer geen aanspraak bestaat op het loon overeenkomstig de CAO over de periodes waarin de CAO niet algemeen verbindend is verklaard, zullen de loonvorderingen worden afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-94
Misbruik flexibele contracten in onderwijs, vermoeden omvang arbeidsomvang. Art. 7:610b BW
Nadat een lerares minder toegekend krijgt dan in het vorige schooljaar vordert zij in kort geding een bevel tot toelating tot haar gebruikelijke werkzaamheden als lerares. Primair beroept zij zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Dit beroept faalt omdat de werknemer haar stelling niet kan staven met haar salarisstroken. Naar het oordeel van de Kantonrechter kan niet worden aangenomen dat de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau heeft bevonden dan de overeengekomen arbeidsduur. Het beroep op art. 7:610b BW faalt. Wel acht de Kantonrechter het aannemelijk dat als de werknemer, zeker gezien haar brede inzetbaarheid, een beroep had gedaan op vermeerdering van werkuren op basis van de Wet Arbeid en Zorg de werkgever dit niet had kunnen weigeren. Na beoordeling van de feiten en omstandigheden oordeelt de Kantonrechter dat de school niet als goed werkgever heeft gehandeld door de lerares minder uren aan te bieden. Omdat de lesroosters al zijn ingevuld, is toelating tot de reguliere uren niet meer mogelijk zodat het loonverschil als schadevergoeding wordt toegekend. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-57
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De werknemer is bijna 30 jaar in dienst van de werkgever. In de laatste twee jaar is de werknemer zeer in zijn functie gedegradeerd. De werkgever verzoekt thans voor de tweede keer ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van de vergoeding overweegt de kantonrechter dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de werknemer te degraderen en hem geen enkele begeleiding aan te bieden bij het verbeteren van zijn functioneren. De kantonrechter stelt de C-factor op 1,3. Hierbij is rekening gehouden met het hoge aantal gewogen dienstjaren, waarbij een geringe stijging in de C-factor leidt tot een aanzienlijk hoger bedrag van de ontbindingsvergoeding. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-537
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:685 BW
De arbeidsovereenkomst van de werknemer is wegens een reorganisatie opgezegd. Er is een sociaal plan overeengekomen met representatieve vakbonden, waarin aan de werknemer een vergoeding met C=0,7 wordt toegekend. De werknemer vindt deze vergoeding te laag en dient gedurende de looptijd van de opzegtermijn een ontbindingsverzoek in ten einde een hogere vergoeding te realiseren. De kantonrechter oordeelt dat de ontbindingsprocedure niet bedoeld is om de hoogte van een vergoeding in een sociaal plan aan te vechten. Hiervoor is de kennelijk onredelijk ontslag-procedure de te bewandelen weg. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2009-387