Archief JWB |
Dossiers |
Arbeidsrecht Agenda
|
Meest gelezen |
|
|
|
Uitleg CAO; Baijingsleer
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever end e werknemer ontbonden en daarbij een vergoeding aan de werknemer toegekend. De werknemer vordert thans nakoming van de wachtgeldregeling uit de cao. De werkgever verweert zich onder verwijzing naar de Baijingsleer met de stelling dat de ontbindingsvergoeding exclusief is en dat geen ruimte bestaat voor toepassing van de wachtgeldregeling. Het Hof oordeelt dat de Baijingsleer met zich brengt dat wel ruimte bestaat voor een nieuwe procedure indien sprake is van een andere grondslag. In casu is niet de redelijkheid en billijkheid, maar nakoming van de cao de grondslag van de vordering van de werknemer. De vordering van de werknemer moet worden toegewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-136
Ontslag op staande voet nietig, roekeloosheid vraagt bewust handelen. Art. 7:677 BW
De werknemer die werkt op basis van een beroepspraktijkvormingsovereenkomst en een arbeidsovereenkomst, is ontslagen op staande voet vanwege roekeloosheid. Hij vordert een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet terecht is vernietigd en de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, alsook loon. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt maar dat dit geen dringende reden is voor een ontslag op staande voet. Hij was als leerling in dienst en de werkgever had niet mogen toestaan dat hij samen met een andere leerling zonder rijbewijs opdracht kregen stalen balken op te halen met de bedrijfsbus. Verder had er toezicht moeten zijn op de uitvoering van de werkzaamheden. Dat toezicht ontbrak. De Kantonrechter wijst de vordering toe. De stelling van de werkgever dat de schade of het gevaar is veroorzaakt door roekeloosheid kan het ontslag niet dragen. Voor roekeloosheid is vereist dat de werknemer zich bij zijn handelen bewust was of dat behoorde te zijn van het roekeloze karakter van dat handelen en dus van de grote kans dat het mis zou gaan. Bovendien levert schade of gevaar, veroorzaakt door roekeloosheid, volgens de wet pas een dringende reden voor ontslag op als vooraf is gewaarschuwd. Een verwijzing naar een gevolgde VCA-cursus, een certificering van de werknemer, het bedrijfsreglement en de veiligheidsvoorschriften schieten daarvoor te kort. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-121
Werkgeversaansprakelijkheid voor psychische schade. Art. 7:611 en 7:658 BW
De werknemer heeft als conducteur te maken gehad met agressie en geweld als gevolg waarvan hij psychische schade heeft opgelopen. De werknemer stelt zijn werkgever aansprakelijk op grond van art. 7:658 en subsidiair art. 7:611 BW. De werkgever ontekent dat een aantal incidenten heeft plaatsgevonden en verweert zich daarnaast door te stellen dat geen causaal verband bestaat tussen de incidenten en de psychische schade. Het Hof stelt dat de werkgever conform het Protocol verplicht was de incidenten te melden bij de bedrijfsarts en in functioneringsgesprekken met de werknemer te bespreken. De werkgever heeft onvoldoende aangetoond dat hij deze verplichtingen heeft nageleefd. Volgt aanhouding van de zaak om de werkgever in de gelegenheid te stellen om bewijs aan te dragen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-103
Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW
De werknemer struikelt tijdens zijn werkzaamheden over een stapel pallets, komt ten val en loopt blijvend letsel op. De werknemer stelt vervolgens de werkgever aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW. In navolging van de rechtbank wijst het Hof de vordering van de werknemer af, omdat niet gesteld kan worden dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. De bedrijfshal was goed verlicht, de pallets stonden ordelijk en op vaste plaatsen opgesteld en lege pallets werden weggehaald. Er was daarom geen noodzaak voor de werkgever om extra te waarschuwen met hekjes en waarschuwingsborden. Lees hier de uitspraak
JWB Rechtspraak 2010-104
Kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:681 BW
De werknemer is 56 jaar en heeft ruim 28 jaar bij de werkgever gewerkt wanneer hij in een reorganisatie wordt ontslagen. De werknemer krijgt een vergoeding mee conform het sociaal plan. De werknemer meent dat de vergoeding uit het sociaal plan te laag is en beroept zich op kennelijk onredelijk ontslag. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, omdat in het sociaal plan al voldoende rekening is gehouden met de leeftijd van de werknemer en dienst slechtere arbeidsmarktpositie, gezien de hogere correctiefactor voor oudere werknemers. De vordering van de werknemer wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-102
Ontslag op staande voet. Art. 7:677 en 7:678 BW
De werkgever heeft de werknemer op staande voet ontslagen, omdat de werknemer herhaaldelijk te laat is gekomen. Achteraf komt vast te staan dat de werknemer depressief was en als gevolg daarvan soms lang sliep. De werknemer was dus deels arbeidsongeschikt. De werkgever stelt dat hij in redelijkheid mocht aannemen dat de werknemer niet arbeidsongeschikt was en dat het ontslag op staande voet daarom terecht is gegeven. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat het niet gaat om wat de werkgever in redelijkheid mocht verwachten, maar dat de werknemer feitelijk arbeidsongeschikt was. Het ontslag op staande voet is daarom niet terecht gegeven. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-72
Fiscale zelfstandigenaftrek
De werknemer is als zelfstandige werkzaam. Daarnaast krijgt hij een uitkering van een Stichting, welke afhankelijk is van het aantal uren dat hij als zelfstandige werkzaam is en de fiscale zelfstandigenaftrek die de werknemer in dat kader krijgt. De Stichting heeft een procedure gevoerd over terugbetaling van teveel betaalde uitkeringen, omdat de werknemer te weinig gewerkte uren als zelfstandige zou hebben opgegeven. De werknemer meent dat de terugvordering van zijn uitkering is verjaard, omdat hij te goeder trouw opgave van zijn gewerkte uren heeft gedaan. Het Hof oordeelt dat geen sprake is van verjaring, omdat in de situatie van de werknemer door zijn toedoen onverschuldigd is betaald, daarvoor geldt een langere verjaringstermijn. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-71
Overgang van onderneming; kennelijk onredelijk ontslag. Art. 7:662 en 7:681 BW
De arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt na een overgang van onderneming opgezegd met toestemming van de CWI op grond van een bedrijfseconomische reden. De werknemer stelt dat de opzegging primair vernietigbaar is, omdat de opzegging verband houdt met de overgang van onderneming en subsidiair dat sprake is van een valse reden waardoor het ontslag kennelijk onredelijk is. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat duidelijk blijkt dat de opzegging geen verband houdt met de overgang van onderneming, maar dat sprake is van een zeer slechte financiële situatie bij de werkgever. Ook is dus geen sprake van een valse reden, omdat de bedrijfseconomische reden niet is voorgewend. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-83
Uitleg concurrentiebeding. Art. 7:653 BW
De werkgever en de werknemer zijn het niet eens over de uitleg van het geografisch toepassingsgebied van het concurrentiebeding. De werknemer meent dat ‘regio Utrecht’ alleen de plaatsen zijn die met naam en toenaam zijn genoemd, terwijl de werkgever meent dat het gehele productiegebied onder de reikwijdte van ‘regio Utrecht’ valt. Het Hof is van oordeel dat voor de uitleg moet worden gekeken naar dat wat partijen over en weer in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Nu voor beide visies wel wat valt te zeggen, kiest het Hof in eerste instantie voor de uitleg van de werknemer, maar wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld extra bewijs te leveren. Volgt aanhouding van de zaak. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-70
Eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden. Art. 7:613 BW
De werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst de beschikking gekregen over een dienstauto. De werkgever heeft deze regeling eenzijdig gewijzigd met een beroep op een eenzijdig wijzigingsbeding, zodat de werknemer niet langer aanspraak kan maken op zijn dienstauto. Het Hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat de toets van art. 7:613 BW moet worden aangelegd en dat in casu sprake is van een zwaarwichtig belang, vanwege de grootschalige bezuinigingsoperatie die de werkgever moet doorvoeren. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-80
Reikwijdte CAO Vleessector
De werkgever heeft een onderneming die zich bezighoudt met het verwerken van dierlijke organen die niet voor de menselijke consumptie zijn bestemd. De werknemer verricht zijn werkzaamheden voor de werkgever als bewerker van darmen. De werknemer stelt dat hij met deze werkzaamheden onder de CAO Vleessector valt. De werkgever betwist deze stelling, omdat hij zich niet bezighoudt met de bewerking van organen voor menselijke consumptie, waardoor hij niet onder de reikwijdte van de cao valt. De kantonrechter heeft de werknemer in het gelijk gesteld. Het Hof oordeelt dat de werkzaamheden die de werknemer verricht niet onder de reikwijdte van de cao vallen, omdat ze expliciet zijn uitgesloten in de afbakening van de cao. Volgt vernietiging van het vonnis van de kantonrechter. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-74
Functiewaarderingssysteem niet in strijd met goed werkgeverschap. Art. 7:611 BW
De werknemer is werkzaam bij het UWV. Op basis van de nieuwe CAO is een nieuw functiewaarderingssysteem in werking getreden en is de werknemer ingedeeld in functiegroep 8. De werknemer is van mening dat het functiewaarderingssysteem verkeerd is toegepast en dat hij moet worden ingedeeld in functiegroep 9. Het Hof oordeelt in navolging van de rechtbank dat bij een functiesysteem een marginale toets moet worden toegepast. Uit deze toets blijkt niet dat het functiesysteem verkeerd is toegepast. Volgt afwijzing van de vordering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-60
Werkgeversaansprakelijkheid; verjaring; bewijslast. Art. 7:658 en 3:310 BW
De werkneemster is in 1997 uitgevallen wegens klachten aan haar pols, hetgeen later RSI blijkt te zijn. Pas in 2002 wordt de werkgever aansprakelijk gesteld voor de schade die door RSI is veroorzaakt. De werkgever stelt dat de zaak is verjaard. Het Hof oordeelt dat niet komt vast te staan dat de werkneemster in 1997 al wist dat zij RSI had en dat de vordering daarom niet is verjaard. Wel is het zo dat de werkneemster moet stellen en bewijzen dat zij de schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Omdat niet de werkneemster, maar de werkgever beschikt over de rapportages betreffende de werkomstandigheden ligt het echter voor de hand dat de werkgever deze stukken in het geding brengt. Volgt aanhouding van de zaak voor verdere bewijslevering. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-61
Nevenactiviteiten. Art. 6:162 BW
De werknemer heeft gedurende zijn arbeidsovereenkomst met de werkgever onrechtmatig nevenactiviteiten verricht, waardoor (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan. Als reactie hierop heeft de werkgever de werknemer geschorst en daarnaast bij wijze van maatregel verklaard niet bereid te zijn voor de duur van twee jaar zakelijke contacten met de werknemer of diens onderneming te onderhouden. De werknemer vordert intrekking of beperking van deze maatregel. Het Hof oordeelt dat de werkgever niet onrechtmatig heeft gehandeld door de betreffende maatregel op te leggen, nu de werkgever terechte twijfels heeft over de integriteit van de werknemer. Volgt afwijzing van de vordering van de werknemer. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-40
Concurrentiebeding niet strijdig met Mededingingswet. Art. 7:653 BW, artikel 6 Mededingingswet
In eerste aanleg heeft de Kantonrechter in een procedure over schending van een concurrentiebeding overwogen dat de ex-werknemer de overtreding van het concurrentiebeding erkent en dat hij zich door het starten van een concurrerende onderneming door eigen toedoen in zijn huidige positie heeft gemanoeuvreerd. De ex-werknemer moet dan ook gehouden worden aan het concurrentiebeding. In hoger beroep behandelt het Hof eerst grief 6 nu het daarin door de ex-werknemer gedane beroep op artikel 6 Mededingingswet zou leiden tot nietigheid van rechtswege van het concurrentiebeding. De ex-werknemer stelt dat de Kantonrechter niet heeft onderkend dat er in casu sprake is van een startende onderneming en dat het recht op mededinging door het vonnis niet wordt onderkend. Het Hof bekrachtigt het vonnis en overweegt dat een concurrentiebeding een “overeenkomst tussen ondernemingen” kan zijn ex. artikel 6 lid 1 Mw, als de voormalige werknemer zich als zelfstandig ondernemer op de markt is gaan bewegen en het beding betrekking heeft op de periode na het einde van het dienstverband. In dit geval heeft de ex-werknemer zich inderdaad op de markt begeven als zelfstandig ondernemer. Voor toepasselijkheid van art. 6 Mw is onder meer vereist dat de aangevallen afspraken een merkbaar effect hebben op de concurrentie. In dit geval is niet gesteld noch is gebleken dat de marktpositie van partijen voldoende omvangrijk is om een merkbaar effect op de concurrentie te kunnen veroorzaken. Vooralsnog is dus niet aannemelijk dat aan het merkbaarheidsvereiste is voldaan, zodat het beroep op artikel 6 Mw en grief 6 moeten worden verworpen. Lees hier de uitspraak.
JWB Rechtspraak 2010-2